Samenvatting van “Het ontstaan van vrijheidsrechten en politieke rechten in Nederland”
Rechten van Waterschappen
- In Holland en Utrecht, veengebieden waren grotendeels onbewoond tijdens de opkomst van steden en staten.
- Boeren begonnen het land te ontginnen door kanalen en sloten te graven om water af te voeren en het land geschikt te maken voor landbouw.
- Ze bouwden dijken en dammen om overstromingen te voorkomen, waardoor polders ontstonden, waar de waterstand gereguleerd werd.
- Onderhoud van sloten, kanalen, dijken en dammen was noodzakelijk, evenals sluizen voor de scheepvaart.
- Waterbeheer vereiste samenwerking, omdat acties in het ene gebied gevolgen hadden voor andere gebieden.
- Waterschappen werden opgericht om toezicht te houden en beslissingen te nemen over waterbeheer.
- Graven van Holland steunden de vorming van waterschappen vanwege hun belang bij bloeiende landbouw en handel.
- Ze gaven vrijheidsrechten en politieke rechten aan onderdanen in ruil voor het ontginnen van het land en het beheren van het water.
- In de 13e eeuw richtten de bewoners van een groot gebied het waterschap Rijnland op om een grote sluis te bouwen.
- Graaf Willem II van Holland erkende in 1255 de rechten van het waterschap in een oorkonde.
- De dijkgraaf werd voorzitter van het bestuur, samen met vertegenwoordigers van de inwoners, de heemraden.
- Waterschappen werden ook in andere delen van Nederland gevormd, met een dijkgraaf en heemraden.
- Overleg en overeenstemming waren essentieel voor het beheren van water in een groot gebied, wat kenmerkend is voor het Nederlandse poldermodel.
- Ondanks waterbeheer waren er rond 1400 verschillende watersnoodrampen, zoals de Sint-Elizabethsvloed in 1421, die het belang van waterbeheer benadrukte.
Rechten, Steden en Staten
- In de tijd van steden en staten gaven vorsten, bisschoppen en edelen in heel Europa vrijheidsrechten en politieke rechten aan steden.
- Er ontstonden duizenden steden met stadsrechten, zoals het recht zichzelf te besturen, recht te spreken, belastingen te innen en zich te verdedigen.
- Deze privileges werden vastgelegd in een keur, een document dat door de landsheer werd ondertekend.
- Het opschrijven van de rechten was belangrijk, omdat de burgers zo konden bewijzen dat ze deze gekregen hadden.
- Niet alle stadsbewoners profiteerden van de vrijheidsrechten, alleen de inwoners die het burgerrecht van hun stad hadden.
- Deze vrije burgers konden alleen door de stedelijke rechtbank worden berecht en hadden recht op bescherming door hun stad.
- De meeste steden werden bestuurd door patriciërs, leden van rijke en vooraanstaande families.
Waterschappen Toen en Nu
- Nederland is nog steeds verdeeld in waterschappen, tegenwoordig zijn er 21.
- Hun kerntaken zijn: bescherming tegen water, zorgen voor voldoende water en zorgen dat het water schoon is.
- De dijkgraaf wordt nog steeds benoemd door de regering.
- De heemraden worden gekozen door de inwoners van het waterschap.
- Vroeger waren heemraden meestal rijke en vooraanstaande inwoners die tot hun dood in het waterschapsbestuur zaten.
- Als er één overleed, benoemden de anderen een vervanger, dit systeem wordt coöptatie genoemd.
- Tegenwoordig hebben alle burgers stemrecht voor de waterschappen.
- De verkiezingen zijn tegelijk met de verkiezingen voor de Provinciale Staten, die op hun beurt weer de leden van de Eerste Kamer kiezen.
Staatsvorming
- Steden betaalden geld in ruil voor stadsrechten, waardoor de inkomsten van vorsten groeiden en ze konden beginnen met de vorming van staten.
- Ze stelden betaalde ambtenaren en rechters aan en begonnen aan het eind van de middeleeuwen ook beroepslegers te vormen.
- De staatsvorming en centralisatie werd een bedreiging voor de vrijheidsrechten en politieke rechten van de steden.
- De hoge rechters van de vorst konden tegen de rechtspraak van steden ingaan.
- De beroepslegers konden met hun kanonnen de verdedigingsmuren van steden kapotschieten.
- Vorsten hadden steeds meer inkomsten nodig, waardoor ze meer geld van de steden gingen vragen om ambtenaren, rechters, militairen en wapens te betalen.
- Vorsten dwongen steden soms met geweld om meer te betalen, maar vaak moesten ze over de belastingen onderhandelen.
- Daarvoor werden Staten gevormd, waarin vertegenwoordigers van de steden, de adel en de geestelijkheid in een gewest of provincie zaten.
- Om met vertegenwoordigers van alle gewesten tegelijk te praten, werden de Staten-Generaal gevormd.
- Burgers kregen zo indirect ook invloed op het staatsbestuur.
Plakkaat van Verlatinge
- In 1581 besloten de Staten-Generaal van de opstandige Nederlandse gewesten om Filips II als hun vorst af te zweren.
- Dit legden ze vast in het Plakkaat van Verlatinge, een open brief van de overheid.
- Hierin stelden ze dat de Spaanse koning niet langer de trouw van zijn Nederlandse onderdanen verdiende.
- Volgens de Staten-Generaal kwam Filips zijn plicht om zijn onderdanen te beschermen niet na, maar onderdrukte hij hen.
- Daarom was hij een tiran, en mochten de vertegenwoordigers van zijn onderdanen hem afzweren en een andere leider kiezen.
- De Staten-Generaal schreven dat Filips telkens weer de privileges had geschonden die onder meer waren vastgelegd in het Charter van Kortenberg uit 1312 en de Blijde Inkomste uit 1356.
- Zo had hij zich niet gehouden aan de belofte dat hij zonder instemming van de steden en gewesten geen oorlog mocht voeren of belastingen mocht heffen.
- Hij had onder meer een belasting voor handel en nijverheid (de tiende penning) opgelegd, waarmee hij het land naar de ondergang heeft gevoerd.
- Ook had Filips het recht van zijn onderdanen geschonden op eerlijke rechtspraak, volgens de wetten van hun eigen stad.
- Alva had Nederlanders laten wegvoeren en berechten volgens Spaanse wetten, terwijl hij daartoe helemaal niet bevoegd was.
- Daarbij maakte hij zich ook schuldig aan geloofsvervolging, terwijl het volk altijd heeft gemeend dat men zich over het geloof alleen tegenover God behoeft te verantwoorden.
- Hun recht om Filips af te zetten baseerden de Staten-Generaal op een geschrift van de Franse calvinist Beza, die betoogde dat vorsten hun gezag van God kregen.
- Maar onderdanen hadden volgens Beza wel degelijk het recht zich te verzetten tegen een vorst die tiran was geworden.
- In dit geval waren de onderdanen stellig vrij - in overleg met de Staten van het land - om hem niet als vorst te erkennen, maar tot een ander hun beschermer te nemen.
- Een tiran regeerde niet volgens het recht, maar met geweld en willekeur.
- De ondertekening van het Plakkaat van Verlatinge was een hoogtepunt in de Opstand van de Nederlanders tegen hun Habsburgse vorst.
- De Nederlandse gewesten waren in de loop van bijna twee eeuwen onder één vorst gekomen.
- Dat was begonnen in de 14e eeuw toen de hertog van Bourgondië ook graaf van Vlaanderen werd.
- Zijn nakomeling Filips de Goede verwierf in de 15e eeuw onder meer Brabant, Holland en Zeeland.
- Hij riep in 1464 als eerste vertegenwoordigers van alle gewesten bijeen in de Staten-Generaal.
- Nadat zijn opvolger op het slagveld gesneuveld was, veroverde de Franse koning Bourgondië, terwijl de Bourgondische Nederlanden onder het Habsburgse huis kwamen.
- De Habsburgse vorst Karel V, die ook koning van Spanje werd, veroverde ook alle Nederlanden boven de grote rivieren.
- Hij versterkte het centrale bestuur en bestreed protestanten met centrale rechtbanken.
- Dat ging ten koste van de rechten van steden en gewesten om zichzelf te besturen en hun onderdanen zelf te berechten.
- Karels zoon Filips II zette de centralisatie en de vervolging van de protestanten voort, maar onder hem nam het verzet daartegen van lagere edelen en regenten toe.
- Ook drong een nieuwe protestantse stroming, het calvinisme, door in de Nederlanden.
- In 1566 gingen calvinistische dominees in alle openheid preken buiten de stadsmuren.
- Na zo'n hagenpreek brak de Beeldenstorm uit.
- Filips stuurde de Spaanse hertog van Alva om de orde met harde hand te herstellen.
- Tegen hem begon Willem van Oranje, de belangrijkste Nederlandse edelman, in 1568 de Nederlandse Opstand.
- De opstandelingen kregen een groot deel van de Nederlanden in handen, maar vanaf 1579 veroverde Filips' veldheer Parma de zuidelijke Nederlanden terug.
- Om zich te verdedigen vormden de opstandige steden en gewesten in 1579 de Unie van Utrecht.
- Ze spraken af samen te werken alsof zij één provincie waren.
- Maar die eenheid mocht niet ten koste gaan van hun oude rechten, vrijheden en tradities.
- Willem van Oranje wilde godsdienstvrijheid voor protestanten en katholieken, maar calvinisten hielden dit tegen.
- Als compromis spraken ze af dat er gewetensvrijheid zou heersen: niemand mocht vanwege zijn geloof vervolgd worden.
- Welke rechten de verschillende geloven verder kregen, bijvoorbeeld of ze kerken mochten hebben, zouden de regenten overal zelf bepalen.
- Uit de Unie van Utrecht ontstond een federale staat.
- Na het afzweren van Filips II in 1581 werd nog gezocht naar een nieuwe vorst, maar in 1588 gingen de opstandige gewesten verder als republiek, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Onafhankelijkheidsdag?
- Televisiekijkers kozen het Plakkaat van Verlatinge in 2018 tot 'pronkstuk van Nederland', vóór onder meer De Nachtwacht van Rembrandt en het dagboek van Anne Frank.
- Op 26 juli van dat jaar werd een vertaling van het Plakkaat in modern Nederlands overhandigd aan de voorzitter van de Eerste Kamer.
- Deze gebeurtenis was georganiseerd door een comité dat 26 juli wil laten vieren als Nederlandse Onafhankelijkheidsdag, omdat op die dag in 1581 de Staten-Generaal het Plakkaat van Verlatinge aannemen.
- De Amerikaanse Onafhankelijkheidsdag was voor het comité het voorbeeld.
- Voor de Amerikanen is 4 juli een nationale feestdag omdat op 4 juli 1776 de Amerikaanse verklaring werd aangenomen. En die was geïnspireerd door het Plakkaat van Verlatinge.
Vrijheden van een schilder: Jan Steen
- Jan Steen maakte in de jaren 1660 twee schilderijen van het Sint-Nicolaasfeest met overeenkomsten en duidelijke verschillen.
- Het ene is kleurig en levendig, het andere wat somber en statisch.
- Een opvallend verschil is dat het meisje op het sombere schilderij een koek vasthoudt en het meisje op het kleurige schilderij een pop.
- Het is niet zomaar een pop, maar een heiligenbeeldje.
- Ook valt op dat Sinterklaas op het sombere schilderij niet te zien is, terwijl op het andere schilderij de goedheiligman is afgebeeld in de vorm van een speculaaspop.
- Waarschijnlijk maakte Steen het kleurige schilderij voor een katholieke koper en het sombere voor een calvinistische.
- In protestantse geloven waren heiligenbeelden verboden en was eigenlijk ook geen plaats voor Sint-Nicolaas, die immers een katholieke bisschop was.
- Calvinistische dominees hadden het liefst het hele Sint-Nicolaasfeest verboden, maar dat lukte hen niet; daarvoor was het te populair.
- De regenten wilden zo'n verbod ook niet.
- Zo zijn Steens schilderijen symbolen van de vrijheid in de Republiek.
- De gereformeerde (calvinistische) kerk was er de enige officiële kerk, waarvan regenten meestal lid moesten zijn.
- De overheid betaalde de gereformeerde predikanten en onderhield de gereformeerde kerkgebouwen.
- Maar veel regenten waren niet streng godsdienstig. Ze vonden alleen maar dat de overheid één geloof moest bevorderen, omdat er anders chaos en burgeroorlog kon uitbreken.
- Sommigen gaven toe dat ze eigenlijk niet in de gereformeerde leer geloofden.
- De uit Vlaanderen afkomstige wiskundige Simon Stevin schreef zelfs dat de meesten er niet in geloofden, maar vroeg hun toch zich uiterlijk aan te passen en hun ware opvattingen stil te houden, 'want eerbied voor God is de makkelijkste weg om te komen tot orde'.
- Omstreeks 1650 bestond een derde van de Nederlandse bevolking uit katholieken. Ze hadden gewetensvrijheid, maar hun kerk was verboden.
- Ze mochten formeel niet openlijk met hun godsdienst bezig zijn, maar informeel mochten ze in veel plaatsen wel diensten houden in schuilkerken.
- Als zo'n verborgen kerk maar niet opviel, werd het door de overheid gedoogd.
- De katholieke Jan Steen kon zijn schilderijen ook aan iedereen verkopen.
Rechten in de Republiek
- De rechten van godsdienstige minderheden verschilden in de Republiek van plaats tot plaats, maar niemand werd om zijn geloof vervolgd.
- De gereformeerden vormden omstreeks 1650 iets meer dan de helft van de bevolking.
- Er waren ook protestantse minderheden, zoals vrijzinnige remonstranten en lutheranen.
- Het aantal lutheranen groeide door de arbeidsimmigratie uit Duitsland. Zij mochten op veel plaatsen geen kerk hebben.
- In 1600 mochten ze in Amsterdam wel een pakhuis als kerk inrichten, waar ze alleen zachtjes mochten zingen; het mocht buiten niet te horen zijn.
- In 1633 mochten ze een duidelijk herkenbare kerk bouwen, al mocht die geen toren hebben.
- De kosten werden betaald door Lutherse kooplieden, Duitse handelssteden en de Zweedse en Deense koning.
- De toenemende tolerantie was het gevolg van handelsbelangen. De regenten gedoogden het lutheranisme steeds meer omdat de lutheranen belangrijke handelspartners waren.
- Om dezelfde reden kregen de joden in Amsterdam toestemming synagogen te bouwen en joodse begraafplaatsen aan te leggen.
- Ook in onder meer Rotterdam, Amersfoort en Middelburg mochten ze dat, maar bijvoorbeeld in Leiden en Utrecht bleef het jodendom verboden.
- In de Republiek was altijd veel openbare discussie. Calvinisten voerden onderlinge heftige discussies en publiceerden hun opvattingen in pamfletten en boeken.
- Ook andere denkers konden in de Republiek hun ideeën publiceren. Zij hadden er meer vrijheid van meningsuiting dan in andere landen.
- Zo woonde de Franse wiskundige en filosoof René Descartes van 1626 tot 1649 in Nederland omdat hij in Frankrijk vervolgd dreigde te worden door de inquisitie.
- Descartes stelde dat de natuur werkt volgens vaste wetten, wat moeilijk verenigbaar was met het geloof in wonderen.
- Descartes ideeën zijn een voorbeeld van de invloed van de wetenschappelijke revolutie. Zeker in de tweede helft van de 17e eeuw werd het wereldbeeld rationeler.
- Verlichte denkers betoogden dat de wonderen uit de Bijbel nooit hadden plaatsgevonden. God had bijvoorbeeld nooit een pad door de zee gemaakt om de Israëlieten uit Egypte te laten ontsnappen en Jezus had nooit op water gelopen. Ook stelden ze dat natuurrampen geen straf van God waren.
- Dat soort ideeën kon in de Republiek ondanks protesten van de dominees worden gepubliceerd.
- Maar er waren wel grenzen aan de tolerantie. Het ontkennen van het bestaan van God mocht niet. Om die reden durfde de filosoof Spinoza zijn ideeën niet te publiceren.
- Sommige regenten waren het wel met hem eens, maar vonden dat het volk in God moest blijven geloven. Als de mensen niet meer bang waren voor God, zouden ze gaan stelen of moorden, vreesden de regenten.
Amsterdam wereldboekenstad
- In 2008 riepen de VN Amsterdam uit tot Wereldboekenstad.
- Amsterdam had het opmerkelijk hoge aantal van 200 boekwinkels en 200 uitgeverijen van boeken.
- Dat ging terug op een traditie uit de 17e eeuw, toen Amsterdam al internationaal bekend stond als stad van vrijheid.
- In de jaren 1680-1730 waren er 230 uitgeverijen in Amsterdam, waarvan 80 Franse.
- Zij gaven boeken uit die in Frankrijk verboden waren, maar vanuit de Republiek in Frankrijk werden verspreid.
- Een bekende Franse uitgever was de Zwitser Marc Michel Rey, die boeken uitgaf van verlichte schrijvers zoals Voltaire en Rousseau.
- Hij sprak geen Nederlands, maar kon zich in Amsterdam prima met alleen Frans redden.
- Er woonden 12.000 Fransen in de stad, bijna allemaal hugenoten of nakomelingen van hugenoten die waren gevlucht voor de godsdienstige onderdrukking in hun land.
Denken over staat en onderdanen
- In de tijd van de verlichting ontstonden nieuwe opvattingen die nog steeds de basis vormen van onze rechtsstaat en democratie.
- Verlichte denkers zagen mensen niet als onderdanen, maar als burgers met gelijke rechten.
- De vorst of regering kreeg de soevereiniteit niet van God, maar van de burgers, in ruil voor bescherming van hun rechten, zoals het recht op bezit, vrijheid en leven.
- De Engelsman John Locke stelde dat in een rechtsstaat ook de overheid zich aan de wetten moet houden en dat burgers een regering mogen afzetten als deze zijn macht misbruikt of onbekwaam is.
- De Fransman Voltaire bepleitte godsdienstvrijheid en tolerantie, omdat niemand kan weten welk geloof het juiste is. Kerk en staat moesten volgens hem strikt gescheiden worden.
- Zijn landgenoot Montesquieu stelde dat te veel macht in handen van één persoon of groep leidt tot corruptie, onderdrukking en andere machtsmisbruik. Daarom bepleitte hij een scheiding van wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
- Jean Jacques Rousseau bepleitte gelijke rechten voor iedereen. Volgens hem moest een volksvergadering de wil van het volk vastleggen in wetten die iedereen moest gehoorzamen.
- De Schot Adam Smith pleitte voor economische vrijheid. Als alle producenten binnen de regels de vrijheid hebben hun eigen belang na te streven, leidt dat volgens hem tot de grootste welvaart voor allen.
- Nederland had in de 18e eeuw geen grote denkers, maar de verlichte ideeën uit het buitenland kregen er veel invloed. Om ze te verspreiden vormden verlichte burgers genootschappen en tijdschriften.
- Een voorbeeld is de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, die tot doel had met verlicht onderwijs vooroordelen onder het volk te bestrijden.
- De verlichte ideeën werden ook overgenomen door de patriottenbeweging, de democratische beweging die in de jaren 1780 ontstond.
- De patriottenleider Joan Derk van der Capellen tot den Pol stelde dat alle mensen vrij en gelijk geboren zijn. Sommigen zijn wel sterker, rijker of intelligenter dan anderen, maar dat geeft hun niet het recht over anderen te heersen.
- Het volk moet zijn eigen heersers kiezen, want 'de burgers zijn de ware eigenaren van het land. Zij kunnen zeggen hoe zij het willen hebben, hoe en door wie zij geregeerd willen worden', aldus Van der Capellen.
Rechten en revoluties
- In 1786 begon in Nederland een democratische revolutie toen gewapende patriotten in Utrecht en later ook andere steden de macht overnamen.
- In 1787 werd deze patriottenopstand neergeslagen toen de koning van Pruisen met een leger het ancien régime in de Republiek herstelde. Duizenden patriotten vluchtten naar Frankrijk, waar een democratische revolutie in 1789 een eind maakte aan de absolute monarchie (Franse Revolutie).
- De Franse revolutionairen vormden een Nationale Vergadering die op 26 augustus 1789 de Declaration des Droits de l'Homme et du Citoyen (Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger) aannam.
- De verklaring werd vervolgens als wet aangenomen en verwerkt in de grondwet van 1791. De verklaring bestond uit zeventien artikelen waarin de invloed van de verlichte denkers goed terug te vinden is.
- Zo luidde artikel 1 dat alle mensen vrij en gelijk zijn geboren, zoals Locke had geschreven.
- Ook artikel 2 kwam van Locke. Er stond in dat de staat de natuurlijke en onvervreemdbare rechten van de mens moet behouden, namelijk het recht op vrijheid, bezit, veiligheid en het verzet tegen onderdrukking.
- Artikel 3 luidde dat de soevereiniteit van het volk is en artikel 6 dat de wet uitdrukking is van de algemene wil, zoals Rousseau had geschreven.
- In de artikelen 7, 8 en 9 waren principes van de rechtsstaat vastgelegd: mensen mogen alleen gevangen worden gezet als ze de wet hebben overtreden, ze worden als onschuldig beschouwd zolang hun schuld niet bewezen is en ze kunnen alleen een straf krijgen die in de wet is vastgelegd.
- Andere artikelen gingen over 'de vrije uitwisseling van meningen en gedachten' (Voltaire), 'het onschendbare (onaantastbare) recht op bezit' (Smith) en de noodzakelijke scheiding der machten (Montesquieu).
- In 1795 keerden de patriotten met het Franse leger terug in Nederland en riepen de Bataafse Republiek uit. Vrijwel direct namen ze de Nederlandse Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger aan.
- De Bataafse verklaring was grotendeels een vertaling van de Franse, maar een verschil was dat de vrijheid van godsdienst uitdrukkelijk werd vastgelegd.
- Er stond dat ieder mens het recht heeft, om God zodanig te dienen, als hij wil of niet wil, zonder daarin op enigerlei wijze gedwongen te kunnen worden'.
- De rechten werden vastgelegd in de Staatsregeling Bataafschen Volks die de gekozen Nationale Vergadering in 1798 aannam en die burgers het recht gaf afgevaardigden te kiezen of zich verkiesbaar te stellen voor de wetgevende vergadering (het parlement).
- Deze eerste Nederlandse grondwet maakte van Nederland ook een eenheidsstaat: de zelfstandige rechten en vrijheden van de steden en gewesten werden opgeheven.
- Voortaan had de centrale overheid het hoogste gezag. In 1805 liet Napoleon de democratische grondwet afschaffen, maar Nederland bleef een eenheidsstaat.
Begrippen
1.1 In de tijd van steden en staten
- coöptatie: systeem waarbij leden van een bestuur zelf nieuwe leden aanwijzen
- dijkgraaf: voorzitter van een waterschap
- heemraad: lid van het bestuur van een waterschap
- inspraak: zeggenschap, je mening mogen geven als een besluit wordt genomen
- patriciër: lid van een vooraanstaande familie
- poldermodel: overleg gericht op overeenstemming
- politiek recht: recht op deelname aan de politieke besluitvorming
- vrijheidsrecht: recht waardoor mensen een bepaalde vrijheid hebben
- waterschap: deel van de overheid dat het water in een gebied beheert
1.2 In de tijd van ontdekkers en hervormers
- afzweren: onder ede verwerpen