Grammatik D | Zinsontleding

Satzanalyse

Een belangrijk onderdeel van de Duitse grammatica zijn de naamvallen. Er zijn er vier:
– Het onderwerp staat in de eerste naamval (Nominativ).
– Het meewerkend voorwerp staat in de derde naamval (Dativ).
– Het lijdend voorwerp staat in de vierde naamval (Akkusativ).
– De tweede naamval (Genitiv) geeft een bezit aan. Deze naamval leer je pas in de bovenbouw.

Naamvallen zijn belangrijk omdat in het Duits ieder zinsdeel in een bepaalde naamval staat. Je kunt de naamval van een zinsdeel bepalen door de zin te ontleden.

Ontleden door vragen te stellen
Je kunt de naamval bepalen door de volgende vragen te stellen over een zin:

vraag

bepaalt het ... 

voorbeeld:

De man draagt een broek.

WIE/WAT + gezegde 

onderwerp

(1e naamval)

Wie draagt?

De man draagt een broek.

WIE/WAT + gezegde + onderwerp

lijdend voorwerp

(4e naamval)

Wat draagt de man?

De man draagt een broek.


Ich – trage – ein T-Shirt.
onderwerp – gezegde – lijdend voorwerp
1e naamval – x – 4e naamval

WIE/WAT + gezegde?

Wie draagt …?

Ich trage ein T-Shirt.

onderwerp

(1e naamval)

WIE/WAT + gezegde + onderwerp?

Wat draag ik?

Ich trage ein T-Shirt.

lijdend voorwerp

(4e naamval)


Stappenplan ontleden (Stufenplan Satzanalyse)

1

Zoek het gezegde.

Ik heb een bloes gekocht.

Ich habe eine Bluse gekauft.


2

Zoek het onderwerp.

WIE/WAT + gezegde?

Wie heeft gekocht?

Ik heb een bloes gekocht.

Ich habe eine Bluse gekauft.

1e naamval

3

Zoek het lijdend voorwerp.

WIE/WAT + gezegde + onderwerp?

Wat heb ik gekocht?

Ik heb een bloes gekocht.

Ich habe eine Bluse gekauft.

4e naamval


De der-groep en de ein-groep in de eerste en de vierde naamval (Die der-Gruppe und die ein-Gruppe im Nominativ und Akkusativ)
De vormen die een woord in de verschillende naamvallen krijgt, noemen we de verbuiging van het woord.

Schema A
Bij de der-Gruppe horen de bepaalde lidwoorden (der, die, das). Het bepaald lidwoord in het Nederlands is ‘de’ of ‘het’. De volgende woorden gaan op dezelfde manier: dies- (dit, deze), jed- (elk-/ieder-), manch- (sommig-), solch- (zulk-/zo’n), all- (alle) en welch- (welk-).

der-Gruppe

naamval

zinsdeel

a

b

c

d



der

die

das

ø

die

1e

Nominativ

onderwerp

der Mann

dieser Mann

welcher Mann

die Frau

diese Frau

welche Frau

das Kind

dieses Kind

welches Kind

die Kinder

diese Kinder

welche Kinder

4e

Akkusativ


lijdend voorwerp

den Mann

diesen Mann

welchen Mann

die Frau

diese Frau

welche Frau

das Kind

dieses Kind

welches Kind

die Kinder

diese Kinder

welche Kinder


Schema B
Bij de ein-Gruppe horen ein- (een), kein- (geen) en de bezittelijke voornaamwoorden: mein- (mijn), dein- (jouw), sein- (zijn), ihr- (haar), unser- (ons/onze), euer/eure (jullie), ihr- (hun) en Ihr- (uw).

ein-Gruppe

naamval

zinsdeel

a

b

c

d



der

die

das

ø

die

1e

Nominativ

onderwerp

ein Mann

mein Mann

eine Frau

meine Frau

ein Kind

mein Kind

keine Kinder

meine Kinder

4e

Akkusativ

lijdend voorwerp

einen Mann

meinen Mann

eine Frau

meine Frau

ein Kind

mein Kind

keine Kinder

meine Kinder


Gebruik het stappenplan om te bepalen welke uitgang een lidwoord moet krijgen.

Stufenplan

stap 1

Bepaal of het woord waarvan je de uitgang zoekt bij de der-groep of bij de ein-groep hoort.


Het woord hoort bij de ...

der-groep → schema A

ein-groep → schema B

stap 2

Bepaal of het bijbehorende zelfstandig naamwoord mannelijk, vrouwelijk, onzijdig of meervoud is.


Het woord is ...

mannelijk → kolom a

vrouwelijk → kolom b

onzijdig → kolom c

meervoud → kolom d

stap 3

Bepaal in welke naamval het zinsdeel staat waar dat zelfstandig naamwoord bij hoort.


Het zinsdeel staat in de ...

1e naamval → rij 1

4e naamval → rij 2