Woordenschat Frans

Nature

  • l’arc-en-ciel (m): de regenboog
  • la boue: modder
  • la campagne: het platteland
  • la cascade: de waterval
  • le champ: het veld
  • le ciel: de hemel
  • la colline: de heuvel
  • la côte: de kust
  • le désert: de woestijn
  • la dune: de duin
  • l’étang (m): de vijver
  • l’étoile (f): de ster
  • la flaque: de plas
  • le fleuve: de stroom
  • la forêt: het woud
  • l’herbe (f): het gras
  • l’île (f): het eiland
  • le lac: het meer
  • la lune: de maan
  • la mer: de zee
  • la montagne: de berg
  • la nature: de natuur
  • le palmier: de palmboom
  • le paysage: het landschap
  • la pierre: de steen
  • la plage: het strand
  • la rivière: de rivier
  • le rocher: de rots
  • le sable: het zand
  • le sentier: het pad
  • le sommet: de top
  • la terre: de aarde
  • la vague: de golf
  • le volcan: de vulkaan
  • l’automne (m): de herfst

Weather

  • le brouillard: de mist
  • le bulletin météo: het weerbericht
  • la canicule: de hittegolf
  • le climat: het klimaat
  • le coucher de soleil: de zonsondergang
  • le degré: de graad
  • l’éclair (m): de bliksem
  • l’éclaircie (f): de opklaring
  • l’été (m): de zomer
  • le gel: de vrieskou
  • la grêle: de hagel
  • l’hiver (m): de winter
  • le lever de soleil: de zonsopgang
  • le nuage: de wolk
  • l’orage (m): het onweer
  • le printemps: de lente
  • la saison: het seizoen
  • la température: de temperatuur
  • la tempête: de storm
  • le tonnerre: de donder
  • ensoleillé(e): zonnig
  • humide: vochtig
  • nuageux, nuageuse: bewolkt
  • orageux, orageuse: onweerachtig
  • pluvieux, pluvieuse: regenachtig
  • sec, sèche: droog
  • variable: wisselvallig
  • annoncer: aankondigen, voorspellen
  • briller: schitteren, schijnen
  • Il grêle. / Il tombe de la grêle.: Het hagelt.
  • Il y a des nuages.: Er zijn wolken.
  • Il y a du soleil.: De zon schijnt.
  • Il y a du vent. / Het waait.: Er is wind. / Het waait.

Health

  • l’accident (m): het ongeval
  • l’asthme (m): het astma
  • le bleu: de blauwe plek
  • le bouton: het puistje
  • la diarrhée: de diarree
  • la douleur: de pijn
  • l’entorse (f): de verstuiking, de verzwikking
  • la fièvre: de koorts
  • la grippe: de griep
  • la maladie: de ziekte
  • le patient: de patiënt (m)
  • la patiente: de patiënte (v)
  • la piqûre (de moustique): de (muggen)beet, de inspuiting
  • le rhume: de verkoudheid
  • la santé: de gezondheid
  • la toux: de hoest
  • bouché(e): verstopt
  • déprimé(e): depressief, neerslachtig
  • faible: zwak
  • fatigué(e): moe
  • foulé(e): verstuikt, verzikt
  • gonflé(e): gezwollen
  • grave: ernstig, erg
  • pâle: bleek
  • urgent(e): dringend

Les soins (Treatments)

  • l’antidouleur (m): de pijnstiller
  • l’appareil dentaire (m): de (tand)beugel
  • le bandage: het verband
  • la béquille: de kruk
  • le comprimé: de tablet
  • le désinfectant: het ontsmettingsmiddel
  • le glaçon: het ijsblokje
  • les gouttes pour le nez (f): de neusdruppels
  • le médicament: het medicijn
  • la ouate: de watten
  • le pansement: het verband
  • la pastille: het tabletje
  • la pilule: het pilletje, de pille
  • le plâtre: het gips
  • la pommade: de zalf
  • le remède: de remedie, het hulpmiddel, het geneesmiddel
  • le repos: de rust
  • le sirop: de siroop
  • le sparadrap: de pleister
  • la température: de temperatuur
  • le thermomètre: de thermometer

Expressions

  • Au secours!: Help!
  • Bon rétablissement!: Veel beterschap!
  • traper un rhume: een verkoudheid oplopen, (kou) vatten
  • avoir chaud / froid: het warm / koud hebben
  • avoir de la fièvre: koorts hebben
  • avoir des nausées: zich misselijk voelen
  • avoir des vertiges: duizelig zijn
  • avoir la grippe: griep hebben
  • avoir la tête qui tourne: zich draaierig voelen
  • avoir le bras cassé: een gebroken arm hebben
  • avoir le nez bouché: een verstopte neus hebben
  • avoir le nez qui coule: een loopneus hebben
  • avoir mauvaise mine: er slecht uitzien
  • (se) blesser: (zich) verwonden
  • faire mal: pijn doen
  • (se) gratter: (zich) krabben
  • prescrire: voorschrijven
  • saigner: bloeden
  • se brûler: zich verbranden
  • se casser (le bras): (zijn arm) breken
  • se couper (à): zich snijden (in)
  • se faire mal (à): zich pijn doen (aan)
  • se fouler (la cheville): (zijn enkel) verstuiken
  • se sentir mal: zich slecht voelen
  • s’évanouir: flauwvallen
  • tomber: vallen
  • tomber malade: ziek worden
  • tousser: hoesten
  • vomir: braken, overgeven

Les services (Medical Services)

  • l’ambulance (f): de ziekenwagen
  • la clinique: het ziekenhuis (privé)
  • le / la dentiste: de tandarts
  • le docteur: de dokter
  • l’hôpital (m): het ziekenhuis
  • l’infirmerie (f): de ziekenboeg
  • l’infirmier (m): de verpleger
  • l’infirmière (f): de verpleegster
  • le / la kiné(si thérapeute): de kinesist(e)
  • le médecin: de dokter, de arts
  • la pharmacie: de apotheek

Les verbes – solutions (Verbs - Solutions)

  • aider: helpen
  • appeler: roepen, opbellen
  • consulter un médecin: een dokter raadplegen
  • désinfecter une plaie: een wonde ontsmetten
  • examiner: onderzoeken
  • garder le lit: in bed blijven
  • guérir: genezen
  • passer des radios: röntgenfoto’s laten maken
  • se reposer: (uit)rusten
  • se sentir bien: zich goed voelen
  • (se) soigner: (zich) verzorgen
  • vacciner: inenten

Les verbes – autres (Other Verbs)

  • battre: kloppen (van het hart)
  • boire: drinken
  • bouger: bewegen
  • courir: lopen, rennen
  • dormir: slapen
  • marcher: stappen
  • manger: eten
  • plier: plooien
  • respirer: ademen
  • se brosser les dents: zijn tanden poetsen
  • se peigner (les cheveux): zijn haar kammen

Transportation

  • l’autobus (m) / le bus: de lijnbus
  • l’autocar (m) / le car: de reisbus, de touringcar
  • l’avion (m): het vliegtuig
  • le bateau: de boot
  • la bicyclette: de fiets
  • le camion: de vrachtwagen
  • la camionnette: de bestelwagen
  • l’hélicoptère (m): de helikopter
  • le métro: de metro
  • le moyen de transport: het transportmiddel
  • le TGV (Train à Grande Vitesse): de tgv, de hogesnelheidstrein (hst)
  • le train: de trein
  • le tram: de tram
  • les transports en commun (m): het openbaar vervoer
  • la voiture: de auto, de wagen

En Route!

  • l’appartement (m): het appartement
  • l’arrêt (m): de halte
  • l’auberge de jeunesse (f): de jeugdherberg
  • l’autoroute (f): de snelweg
  • l’avenue (f): de laan
  • la banque (f): de bank
  • la barrière: de slagboom
  • la boucherie: de slagerij
  • la boulangerie: de bakkerij
  • le boulevard: de brede laan
  • le bureau de poste: het postkantoor
  • le carrefour: het kruispunt
  • la chaussée: de weg, de rijbaan
  • le cinéma: de cinema, de bioscoop
  • la circulation: het verkeer
  • le commissariat: het commissariaat
  • le covoiturage: het carpoolen
  • l’école (f): de school
  • l’église (f): de kerk
  • l’essence (f): de benzine
  • le feu: het verkeerslicht
  • la garage: de garage
  • la gare: het station
  • la Grand-Place: de Grote Markt
  • l’hôtel (m): het hotel
  • l’immeuble (m): het appartementsgebouw
  • le marché: de markt
  • le parking: de parking
  • le passage à niveau: de overweg
  • la piste cyclable: het fietspad
  • la place: het plein, de marktplaats
  • la poissonnerie: de viswinkel
  • l’embouteillage (m) / le bouchon: de verkeersopstopping
  • le passage pour piétons / le passage clouté: het zebrapad
  • le ring / le périphérique: de ring(weg)

Les usagers de la route (Road Users)

  • l’agent de police (m): de politieagent
  • le camionneur: de vrachtwagenbestuurder
  • le chauffeur: de chauffeur
  • le conducteur (de tram): de (tram-)bestuurder
  • la conductrice: de bestuurster
  • le / la cycliste: de fietser / fietsster
  • le facteur (m): de postbode
  • le passager: de passagier
  • la passagère: de passagierster
  • le piéton: de voetganger
  • la piétonne: de voetgangster
  • le / la pilote: de piloot / pilote
  • le / la touriste: de toerist(e)
  • le voisin: de buurman
  • la voisine: de buurvrouw

Les problèmes (The Problems)

  • l’amende (f): de boete
  • la déviation: de omleiding
  • l’horaire (m): de dienstregeling
  • les travaux (m): de werkzaamheden
  • la vitesse: de snelheid
  • (le trafic) dense: druk (verkeer)
  • adapter la vitesse: de snelheid aanpassen
  • arriver: aankomen
  • avoir du retard: vertraging hebben
  • chercher: zoeken
  • conduire: besturen
  • conduire (à): brengen, voeren (naar)
  • expliquer: uitleggen
  • habiter: wonen
  • louer: huren
  • pratiquer le covoiturage: carpoolen
  • rater sa correspondance: zijn aansluiting missen
  • rouler: rijden
  • se déplacer: zich verplaatsen
  • se perdre: verloren lopen
  • traverser: oversteken

People

  • l’ado (m / f): de puber (14-18 jaar)
  • l’adolescence (f): de puberteit
  • l’adolescent (m) / l’adolescente (f): de puber (14-18 jaar)
  • l’adulte (m / f): de volwassene
  • l’âge adulte (m): de volwassenheid
  • l’aîné(e): de oudste
  • le beau-fils: de schoonzoon
  • le beau-frère: de schoonbroer, de stiefbroer
  • le beau-père: de schoonvader, de stiefvader
  • les beaux-parents (m): de schoonouders, de stiefouders
  • la belle- fille: de schoondochter
  • la belle-mère: de schoonmoeder, de stiefmoeder
  • la belle-sœur: de schoonzus, de stiefzus
  • le cadet / la cadette: de jongste
  • le couple: het koppel
  • le cousin / la cousine: de neef / de nicht
  • le demi-frère / la demi-sœur: de halfbroer / de halfzus
  • le divorce: de scheiding
  • l’enfance (f): de kindertijd
  • l’enfant unique (m / f): het enig kind
  • la famille recomposée: het nieuw samengestelde gezin
  • la femme: de vrouw, de echtgenote
  • le filleul / la filleule: het petekind, het metekind
  • les jumeaux (m) / les jumelles (f): de tweeling
  • le mari: de man, de echtgenoot
  • le mariage: het huwelijk
  • la marraine: de meter
  • le membre de la famille: het familielid
  • la mort: het overlijden, de dood
  • la naissance: de geboorte
  • le neveu: de neef
  • la nièce: de nicht
  • le nom de famille: de familienaam
  • le parrain: de peter
  • le / la partenaire: de partner
  • la personne âgée: de bejaarde
  • le petit ami / la petite amie: het vriendje / het vriendinnetje, het lief
  • la petite-fille / le petit-fils: de kleindochter / de kleinzoon
  • le prénom: de voornaam
  • le / la retraité(e): de gepensioneerde
  • le veuf / la veuve: de weduwnaar / de weduwe
  • célibataire: vrijgezel
  • majeur(e): meerderjarig
  • marié(e): getrouwd
  • mineur(e): minderjarig
  • vieux, vieille: oud
  • avoir (treize) ans: (dertien) jaar oud zijn
  • divorcer: scheiden
  • être amoureux, amoureuse (de): verliefd zijn (op)
  • être né(e): geboren zijn
  • être (quatre): met (z’n vieren) zijn
  • ressembler à: lijken op
  • s’appeler: heten
  • se marier avec: huwen met
  • (se) présenter: (zich) voorstellen
  • se séparer: scheiden, uiteengaan

Qualities

  • le développement: de ontwikkeling
  • amusant(e): leuk, grappig
  • bête: dom
  • branché(e): hip
  • calme: rustig
  • comique: grappig
  • cool: cool
  • courageux, courageuse: moedig
  • créatif, créative: creatief
  • curieux, curieuse: nieuwsgierig
  • déprimé(e): depressief, neerslachtig
  • doux, douce: zacht
  • drôle: grappig
  • dur(e): hard, taai
  • ennuyeux, ennuyeuse: saai
  • fâché(e): boos, kwaad
  • gentil(le): lief, vriendelijk
  • honnête: eerlijk
  • intolérant(e): onverdraagzaam
  • jaloux, jalouse: jaloers
  • joyeux, joyeuse: vrolijk
  • macho: macho
  • marrant(e): grappig
  • méchant(e): stout, kwaadaardig
  • nerveux, nerveuse: zenuwachtig
  • nul(le): stom
  • ouvert(e): open
  • ridicule: belachelijk
  • sage: braaf, wijs
  • sérieux, sérieuse: ernstig
  • sévère: streng
  • sincère: oprecht
  • sociable: sociaal
  • stressé(e): gestresseerd
  • têtu(e): koppig
  • timide: verlegen
  • détester: haten
  • énerver: op de zenuwen werken
  • être de bonne / mauvaise humeur: goed- / slechtgezind zijn
  • être passionné(e) de: heel geboeid zijn door
  • irriter: op de zenuwen werken
  • préférer: liever hebben, verkiezen
  • se débrouiller: zich uit de slag trekken
  • s’énerver: zich druk maken
  • s’entendre avec: overeenkomen met
  • s’intéresser à: zich interesseren voor

Appearance

  • l’apparence (f): het uiterlijk, het voorkomen
  • la barbe: de baard
  • les baskets (f): de sportschoenen
  • la boucle d’oreille: de oorring
  • le bouton: het puistje
  • la coiffure: het kapsel
  • le jean: de jeans
  • les lunettes de soleil (f): de zonnebril
  • le maquillage: de make-up
  • la moustache: de snor
  • l’oreille (f): het oor
  • la peau: de huid
  • la pointure: de schoenmaat
  • le sexe: het geslacht
  • la taille: de maat
  • âgé(e): bejaard, oud
  • bizarre: raar
  • bouclé(e): gekruld
  • bronzé(e): gebruind
  • chauve: kaal
  • en bonne santé: gezond
  • faible: zwak
  • foncé(e): donker
  • frisé(e): kroezel-
  • gros(se): dik
  • laid(e): lelijk
  • lisse: steil, glad
  • maigre: mager
  • mignon(ne): schattig
  • mi-long(ue): halflang
  • mince: slank, dun
  • moche (fam.): lelijk
  • musclé(e): gespierd
  • pointu(e): puntig, spits
  • raide: stijf, steil
  • sain(e): gezond
  • sportif, sportive: sportief
  • avoir bonne / mauvaise mine: er goed / slecht uitzien
  • avoir l’air: lijken, eruitzien
  • chausser du …: schoenmaat … hebben
  • être allergique à (+ subst.): allergisch zijn voor
  • être de taille moyenne: middelgroot zijn
  • être en pleine forme: in (top)vorm zijn
  • faire … mètre(s): … meter groot zijn
  • faire du … : (kleding)maat … hebben
  • grandir: groeien, groot worden
  • grossir: verdikken
  • maigrir: vermageren

Food

  • la cuisinière: het fornuis
  • l’épicerie (f): de kruidenierszaak
  • le four: de oven
  • l’ingrédient (m): het ingrediënt
  • le (four à) micro-ondes: de microgolf(oven)
  • le moule: de bakvorm
  • la poêle: de pan
  • la recette: het recept
  • acheter: kopen
  • avoir faim: honger hebben
  • avoir soif: dorst hebben
  • faire des courses: boodschappen doen
  • vendre: verkopen

Fruits

  • l’ananas (m): de ananas
  • la cerise: de kers
  • le citron: de citroen
  • la fraise: de aardbei
  • la framboise: de framboos
  • le melon: de meloen
  • la noisette: de hazelnoot
  • la noix: de noot
  • la pêche: de perzik
  • la prune: de pruim
  • le raisin: de druif

Dairy

  • le beurre: de boter
  • la crème fraîche: de verse room
  • le fromage: de kaas
  • le lait: de melk
  • l’œuf (m): het ei
  • le produit laitier: het zuivelproduct
  • le yaourt: de yoghurt

Vegetables

  • l’ail (m): de knoflook
  • l’aubergine (f): de aubergine, de eiervrucht
  • la carotte: de wortel
  • le céleri: de selder
  • le champignon: de paddenstoel
  • le chou (rouge, blanc): de (rode-, witte-)kool
  • le chou de Bruxelles: het spruitje
  • le chou-fleur: de bloemkool
  • le concombre: de komkommer
  • le cornichon: de augurk
  • la courgette: de courgette
  • les épinards (m): de spinazie
  • le haricot vert: de prinsessenboon
  • la laitue: de kropsla
  • l’oignon (m): de ui, de ajuin
  • le persil: de peterselie
  • le petit pois: de erwt
  • le poireau: de prei
  • le poivron: de paprika
  • le radis: de radijs
  • la salade: de sla
  • la tomate: de tomaat

Meats

  • l’agneau (m): het lamsvlees
  • le bifteck: de biefstuk
  • le bœuf: het rundvlees
  • la dinde: het kalkoenvlees
  • le hamburger: de hamburger
  • le jambon: de hesp
  • le porc: het varkensvlees
  • le poulet: het kippenvlees
  • la saucisse: de worst
  • le veau: het kalfsvlees

Sweets

  • le biscuit: het koekje
  • le bonbon: het snoepje
  • la crêpe: de pannenkoek
  • le croissant: de croissant
  • le gâteau: het gebak(je)
  • la mousse au chocolat: de chocolademousse
  • la pâtisserie: het gebak
  • la salade de fruits: de fruitsla
  • la tarte (aux fraises): de (aardbeien)taart

Other food related items

  • la boîte (de sardines): het blikje (sardienen)
  • la bouteille (d’eau): de fles (water)
  • la canette (de bière): het blikje (bier)
  • le carton: het drankkarton
  • le paquet (de beurre): het pak(je) (boter)
  • le pot (de confiture): de pot (confituur)
  • le sac (de pommes de terre): de zak (aardappelen)
  • le sachet: het zakje
  • le cabillaud: de kabeljauw
  • la crevette: de garnaal
  • la moule: de mossel
  • le saumon: de zalm
  • la confiture: de confituur
  • l’épice (f): de specerij
  • les herbes (de Provence) (f): de (Provençaalse) kruiden
  • l’huile d’olive (f): de olijfolie
  • le miel: de honing
  • la moutarde: de mosterd
  • le poivre: de peper
  • la sauce: de saus
  • le sel: het zout
  • le sucre: de suiker
  • la baguette: het stokbrood
  • les céréales (f): de ontbijtgranen
  • les chips (f): de chips
  • la farine: de bloem
  • la pâte: het deeg
  • les pâtes (f): de deegwaren
  • le petit pain: de pistolet
  • le potage: de soep
  • le riz: de rijst
  • les spaghettis (m): de spaghetti
  • le toast: de toast
  • cuit(e): gekookt, gebakkend
  • délicieux, délicieuse: heerlijk, bijzonder lekker
  • haché(e): gehakt
  • léger, légère: licht
  • lourd(e): zwaar
  • pelé(e): gepeld
  • prêt(e): klaar
  • râpé(e): geraspt

Quantities

  • une bouteille de: een fles
  • une cuillère de: een lepel
  • une dizaine de: een tiental
  • une douzaine de: een twaalftal, een dozijn
  • un gramme de: een gram
  • un kilo de: een kilo
  • un litre de: een liter
  • un morceau de: een stuk
  • un peu de: een beetje
  • une pincée de: een snuifje
  • une tablette de: een tablet
  • une tasse de: een kopje
  • une tranche de: een sneetje
  • trop de: te veel
  • un verre de: een glas

Dishes and utensils

  • l’assiette creuse (f): het diepe bord
  • l’assiette plate (f): het platte bord
  • le bol: het kommetje
  • le couteau: het mes
  • la cuillère: de lepel
  • la fourchette: de vork
  • la louche: de pollepel
  • la tasse: het kopje
  • le verre: het glas

Drinks

  • la boisson: de drank
  • le coca: de cola
  • l’eau pétillante (f): het spuitwater, het bruiswater
  • l’eau plate (f): het plat water
  • la limonade: de limonade
  • le vin: de wijn
  • l’apéritif (m): het aperitief

Course

  • le dessert: het nagerecht
  • l’entrée (f): het voorgerecht
  • le goûter: het vieruurtje
  • le plat (principal): het (hoofd)gerecht
  • ajouter: toevoegen
  • battre: kloppen
  • (faire) bouillir: koken op 100 °C
  • couper: (ver)snijden
  • (faire) cuire: koken, braden
  • cuisiner: koken, kokkerellen
  • débarrasser la table: de tafel afruimen
  • éplucher: schillen, pellen
  • (faire) fondre: smelten
  • goûter: proeven
  • (faire) griller: roosteren
  • mélanger: mengen
  • mettre au four: in de oven zetten
  • mettre la table: de tafel dekken
  • passer: doorgeven
  • préparer: klaarmaken, bereiden
  • servir: (be)dienen
  • tourner: roeren, draaien
  • verser: gieten

Location

  • la banlieue: de buitenwijken
  • la campagne: het platteland
  • la commune: de gemeente
  • le pays: het land
  • la région: de streek, de regio
  • le loft: de loft
  • le logement: de woonst, de slaapgelegenheid
  • la maison de rangée: de rijwoning
  • la micro-maison: de microwoning
  • le studio: de studio
  • la Tiny: de microwoning, het tiny house
  • la villa: de villa
  • abordable: betaalbaar
  • agréable: aangenaam, gezellig
  • cher, chère: duur
  • clos(e): afgesloten
  • confortable: comfortabel
  • écologique: ecologisch
  • équipé(e) (de): voorzien (van), uitgerust (met)
  • étroit(e): smal
  • magnifique: prachtig
  • pratique: praktisch
  • spacieux, spacieuse: ruim

Colors

  • rose
  • jaune
  • blanc, blanche
  • vert(e)
  • noir(e)
  • brun(e)
  • rouge
  • mauve
  • bleu(e)
  • orange
  • gris(e)
  • construire: bouwen
  • déménager: verhuizen
  • entretenir: onderhouden
  • nettoyer: poetsen
  • prendre une douche: zich douchen
  • ranger: opruimen
  • réparer: herstellen
  • se changer: zich omkleden
  • se déshabiller: zich uitkleden
  • se réveiller: wakker worden
  • vivre: wonen, leven

Objects in the house

  • l’ascenseur (m): de lift
  • l’armoire (f): de kast
  • la baignoire: het bad
  • le balai: de bezem
  • le barbecue: de barbecue
  • le cadre: de lijst, de omlijsting
  • la cafetière: het koffiezetapparaat
  • la casserole: de kookpan
  • la chaise: de stoel
  • le congélateur: de diepvriezer
  • la douche: de douche
  • le drap: het laken
  • l’étagère (f): het rek
  • l’évier (m): de gootsteen
  • le fauteuil: de zetel
    *