Gedragswetenschappen 5 - Deel 3 - Basiselementen van de Opvoeding

Basiselementen van de Opvoeding - Hoofdstuk 3

1. Belang van Opvoeding

  • Iedereen heeft een mening over opvoeding.
  • Ouders maken dagelijks moeilijke keuzes.
    • Voorbeelden van vragen:
      • Is een pedagogische tik oké?
      • Moet een kind zijn bord leeg eten?
      • Vanaf welke leeftijd een smartphone?

1.1 Begrippen

  • Wetenschappelijke disciplines:

    • Pedagogiek (opvoedkunde):
      • Proces waarbij kinderen worden ondersteund in hun ontwikkeling tot zelfstandigheid in de samenleving.
    • Orthopedagogiek:
      • Richt zich op kinderen met problemen.
      • Factoren die problemen uitlokken.
  • Opvoeding versus socialisatie:

    • Sterk gelinkt.
    • Pedagogisch vs. sociologisch begrip.
    • Doelgericht vs. beschrijvend.
    • Vb: Eten met mes en vork.

1.2 Doelen van Opvoeding

  • Pedagogiek is niet waardevrij.

  • Opvoedingsdoelen variëren.

  • Opvoedingsdoelen veranderen door de tijd en zijn cultuurgebonden.

  • Hans Jan Kuipers (Nederlandse pedagoog) - drie belangrijke opvoedingsdoelen in Westerse landen:

    • Zelfstandigheid
    • Zelfredzaamheid
    • Zelfvertrouwen
  • Collectivistische culturen focussen op andere doelen.

  • Westerse landen: verschillende meningen over opvoeding.

  • Wijze van opvoeding = mensbeeld van de opvoeders.

3 Mensbeelden
  • Mensbeeld 1:

    • Sigmund Freud (1856-1939)
    • Kind is een vat vol driften en impulsen.
    • Opvoeders zijn brandweerlui.
    • Belangrijkste doel: zelfcontrole en geweten ontwikkelen (Über-Ich).
  • Mensbeeld 2:

    • John Locke (1632-1704)
    • Kind als 'tabula rasa' (onbeschreven blad).
    • Opvoeders zijn leerkrachten.
    • Belang van aanleren van kennis en vaardigheden.
    • Leidt tot pedagogisch optimisme: exogene ontwikkeling (ontwikkeling van buitenaf).
    • Kind als producent; investering in de toekomst.
    • Democratisering van speelgoed.
  • Mensbeeld 3:

    • Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
    • Kind als 'vat vol talent'.
    • Opvoeders zijn tuiniers: juiste omstandigheden bieden.
    • Niet aangeboren, maar erfelijk.
    • Leidt tot pedagogisch pessimisme: endogene ontwikkeling (ontwikkeling van binnenuit).
  • De juiste opvoeding bestaat niet.

1.3 Transactioneel Proces

  • Opvoeden is geen lineair proces.
  • Opvoeden is transactioneel: kind, opvoeder en omgeving beïnvloeden elkaar.

2. Opvoedingsmilieus

  • Het opvoedingsmilieu van een kind wordt gevormd door alle actoren samen (it takes a village to raise a child).

2.1 Primair Opvoedingsmilieu

  • Voor de meeste kinderen is het gezin het primair opvoedingsmilieu.

  • Gezin: Duurzame eenheid van personen met verwantschap, betrokkenheid en interactie.

  • In de westerse cultuur wordt met 'gezin' vaak nog het klassieke kerngezin bedoeld, maar er zijn meerdere gezinsvormen.

  • Gezinnen vervullen werk voor de samenleving, namelijk gezinsfuncties:

    • Reproductiefunctie (voortplanting)
    • Economische functie
    • Beschermende functie
    • Opvoedings- of socialisatiefunctie
    • Affectieve functie
2.1.1 Rollen in het Gezin
  • Tot de jaren '70:

    • Moeders namen de zorg op zich.
    • Familie, buren en dorpsgenoten waren betrokken.
  • Vanaf de jaren '70:

    • Vrouwen gingen werken, opvoeding deels uit handen aan professionele opvoeders.
    • Aandacht voor vaders.
    • Minder bemoeienis van buitenaf getolereerd.
  • Opinie:

    • Vrouw geschikter om kleine kinderen op te voeden dan een man.
    • Zowel moeders als vaders kunnen competente opvoeders zijn.
  • Michael E. Lamb: pionier in onderzoek naar de rol en pedagogische betekenis van moeders & vaders (1953).

  • Verschillen tussen vaders en moeders:

    • Vaders besteden relatief meer zorgtijd aan spelen dan moeders, maar moeders spelen in absolute tijd nog altijd meer.
    • Spel van vaders is uitdagender en fysieker, moedigen het kind meer aan dingen te ontdekken.
    • Kinderen leren:
      1. Grenzen verleggen.
      2. Beheersen van agressie.
      3. Omgaan met angst.

Zorgtijdmoeder=20uurZorgtijd \, moeder = 20 \, uur
Zorgtijdvader=10uurZorgtijd \, vader = 10 \, uur
Speltijd(relatief)=25,8%Speltijd \, (relatief) = 25,8\%
Speltijd(relatief)=37,8%Speltijd \, (relatief) = 37,8\%
Speltijd(absoluut)=5,16uurSpeltijd \, (absoluut) = 5,16 \, uur
Speltijd(absoluut)=3,75uurSpeltijd \, (absoluut) = 3,75 \, uur

  • Andere gevolgen van vaderbetrokkenheid:

    • Positief effect op taal- en cognitieve vaardigheden.
    • Minder depressieve gevoelens, minder gedragsproblemen.
    • Positieve invloed op de ontwikkeling van sociale competenties.
    • Betere sensomotorische vaardigheden.
  • Beleidsmatige vertaling van belang van vaderbetrokkenheid:

    1. Vaderschapsverlof in België: 15 werkdagen (3 weken).
    • Ouderschapsverlof in België: 4 maanden voltijds.
2.1.2 Gezinscohesie
  • Salvador Minuchin (1921-2017):
    • Argentijnse psychiater en gezinstherapeut.
    • Belang van familiegericht werken.
  • Grote verschillen op vlak van betrokkenheid:
    • Loszandgezin.
    • Kluwengezin.
    • Halfopen/halfgesloten gezin.
2.1.3 Differentieel Opvoeden
  • Ouders kunnen (onbewust) differentieel opvoeden.
  • Vaak te maken met genetische verschillen tussen kinderen.
  • Verschillen met betrekking tot het geslacht van een kind.

2.2 Secundair Opvoedingsmilieu

  • Beroepsopvoeders.

  • Kinderopvang en school.

  • Historiek van de kinderopvang (einde 19de eeuw):

    • Industrialisering: arbeiders gereduceerd tot een radartje van een machine (Marx).
    • Armoede.
    • Kindersterfte: toegeschreven aan de opvoedingsgewoonten van arbeiders.
  • Burgervrouwen nemen het initiatief om te civiliseren via filantropie en caritas in de moeder- en kinderzorg.

  • Overheden zullen dergelijke initiatieven subsidiëren en aanmoedigen (beperkt).

  • Concrete initiatieven:

    • 25/12/1845: eerste Belgische kinderdagverblijf.
    • Vanaf 1879: eerste salles d’asile.
    • Doelstelling: zorg om de kinderen en normalisering van de arbeidsters.
  • Kinderdagverblijven worden aangevuld met andere initiatieven:

    • Zuigelingenraadplegingen (eind 19de eeuw).
    • Melkdruppels.
    • Kledingsdienst, maaltijden.
  • 3 functies van de kinderopvang:

    • Pedagogische functie
    • Economische functie
    • Sociale functie
  • De volgende stap voor de meeste kinderen is de school.

  • België = LEERPLICHT

    • 1914: 6 tot 12 jaar.
    • 1953: verlenging tot 15 jaar.
    • 1983: duur leerplicht aangepast naar 12 jaar (6 tot 18 jaar).
    • 2020: verlaging tot 5 jaar (verplichting tot 290 halve dagen te leren).
  • Doel: jongeren voorzien van kennis en vaardigheden om een zelfstandige plek in de samenleving te verwerven.

  • Structuur van het onderwijslandschap:

    • Basisonderwijs
    • Secundair onderwijs
    • Buitengewoon onderwijs
  • Indeling buitengewoon onderwijs:

    • Type basisaanbod
    • Type 1: lichte verstandelijke handicap (in afbouw)
    • Type 2: verstandelijke beperking
    • Type 3: emotionele of gedragsstoornis, geen verstandelijke beperking
    • Type 4: motorische beperking
    • Type 5: ziekenhuis, preventorium of residentiële setting
    • Type 6: visuele beperking
    • Type 7: auditieve beperking of spraak- of taalstoornis
    • Type 8: ernstige leerstoornissen (in afbouw)
    • Type 9: autismespectrumstoornis, geen verstandelijke beperking
  • Opleidingsvormen:

    • Opleidingsvorm 1: maatschappelijke participatie en eventueel arbeidsdeelname in een omgeving met ondersteuning
    • Opleidingsvorm 2: maatschappelijke participatie en tewerkstelling in een omgeving met ondersteuning
    • Opleidingsvorm 3: maatschappelijke participatie en tewerkstelling in het gewone arbeidsmilieu
    • Opleidingsvorm 4: algemeen, beroeps-, kunst- en technisch onderwijs
  • Vervolg onderwijs:

    • Volwassenonderwijs
    • Hoger onderwijs
  • Taak van de leerkracht vroeger en nu:

    • Nu: allround-leerkracht (ook opvoeder, psycholoog, maatschappelijk werker en babysit).
  • Overheid is zich bewust van die verschuiving.

  • Taak van de school om in te zetten op elementaire omgangsvormen zoals beleefdheid, stiptheid en verdraagzaamheid?. Of is dit eerder iets voor ouders?

2.3 Tertiair Opvoedingsmilieu

  • Georganiseerde activiteiten waaraan kinderen en jongeren in hun vrije tijd aan deelnemen.
  • Voorbeelden: jeugdhuis, jeugdbeweging, speelpleinwerking, sportclub.
  • Ontstaan eind 19e - begin 20e eeuw:
    • Verbod op kinderarbeid + invoering van de leerplicht leidde tot meer vrije tijd.
    • Sommige jongeren besteedden die vrije tijd op een ongezonde manier.
    • Reactie: pedagogiseren van de vrije tijd van kinderen via georganiseerd jeugdwerk.
  • Het derde opvoedingsmilieu kan kinderen/jongeren heel wat bijbrengen als voorbereiding op een volwassen leven.

2.4 Quartair Opvoedingsmilieu

  • Vierde opvoedingsmilieu = maatschappij.

  • De overheid probeert een bijdrage te leveren aan de opvoeding en de ontwikkeling via wetten.

    1. Vanaf welke leeftijd is een kind in België leerplichtig? 5 jaar
    2. Op welke leeftijd mag je sigaretten kopen? 18 jaar.
    3. Welke vaccinatie is in België verplicht voor jonge kinderen? Tegen poliomyelitis (kinderverlamming)
    4. Vanaf welke leeftijd mag je seks hebben? 16 jaar
  • Oude wetgeving vs. Nieuwe wetgeving vanaf 1 juni 2022:

    • 14 jaar: geen penetratie = geen probleem
    • 14-16 jaar: geen penetratie = aanranding; penetratie = verkrachting
    • 16+: penetratie = geen probleem
  • De inmenging van de overheid is er ook in het buitenland (vb. Florida, Ron DeSantis).

  • Tegenwoordig wordt ook massamedia onder het vierde opvoedingsmilieu geplaatst.

  • De digitale leefwereld speelt voor kinderen en jongeren hierin een belangrijke rol.

    • Gemiddelde leeftijden (2022):
      • Eerste smartphone: 8 jaar.
      • Gebruik van apps: (vb TikTok): 10 jaar -> De digitale puberteit start steeds vroeger!
  • Gevaren digitale media:

    • Kinderen worden onvermijdelijk blootgesteld aan ongecensureerd geweld, grofheid, porno.
    • Het onschuldige kind wordt door de digitale media misbruikt.
    • Reactie Child Focus: waarschuwingscampagne ‘iedereen een Max’ voor online groomers.

3. Risico- en Beschermende Factoren

  • Ina Bakker (1953):

    • Nederlandse pedagoge
    • Balansmodel ‘Overzicht van kenmerken die de opvoeding positief of negatief beïnvloeden op 3 niveaus’ (1953).
  • Microniveau:

    • Kindfactoren (vb. temperament, intelligentie, beperking…)
    • Ouderfactoren (vb. persoonlijkheid en opleiding…)
    • Gezinsfactoren (vb. gezinssamenstelling en cohesie…)
  • Mesoniveau:

    • Sociale gezins-en buurtfactoren (vb. steun van familie, goede school, kansrijke buurt…)
  • Macroniveau:

    • Sociaal-economische, culturele en maatschappelijke factoren (vb. economische hoogconjunctuur, religieuze normen, discriminatie…)
  • Protectieve factoren compenseren risicofactoren.

  • De verhouding tussen draagkracht en draaglast bepaalt of ouders de opvoeding daadwerkelijk ‘aankunnen’.

4. Opvoedkundig Handelen

4.1 Opvoedingsstijlen
  • Elke ouder heeft een stijl die hij vaak hanteert tijdens de opvoeding.
  • De opvoedingsstijl kan grote gevolgen hebben op de ontwikkeling van het kind.
  • Diana Baumrind, Eleanor Maccoby en John Martin: de meeste opvoeders scoren hoog of laag op 2 eigenschappen. Hieruit vloeien 4 opvoedingsstijlen:
4.2 Effecten van de Opvoedingsstijlen
  • Amerikaans onderzoek (1991): + 6000 tieners tussen 14 en 18 jaar.
  • Invloed van de vier opvoedingsstijlen op specifieke variabelen.
  • Beste opvoedingsstijl: ?
  • Slechtste opvoedingsstijl: ?
  • Belangrijke kanttekening: dergelijke onderzoeken houden geen rekening met het transactioneel gegeven van opvoeding.
4.3 Opvoedingsdimensies
  • De geziene opvoedingsstijlen worden telkens bestudeerd vanuit een samenspel van twee opvoedingsdimensies:
    • ? Responsiviteit
    • ? Gedragsmatige controle
  • Opvoedingsdimensies: gedragskenmerken die voorkomen in een opvoedingsrelatie
4.3.1 Responsiviteit
  • Omvat twee aspecten:
    • Warmte en liefde tonen
    • Troost en steun bieden
  • Onderzoek: Kinderen die een hoge responsiviteit ervaren, voelen zich meer aanvaard en gewaardeerd door hun ouders, verwerven een betere sociale competentie en voelen zich minder eenzaam
4.3.2 Gedragsmatige Controle
  • Twee dimensies van controle in opvoeding:
    1. Gedragsmatige controle
      • Gedrag wordt gestuurd via gezag en grenzen. Allerlei opvoedingsmiddelen (zie later) kunnen hiervoor ingezet worden
      • Onderzoek: Gedragsmatige controle zorgt voor minder externaliserende problemen, zoals vandalisme en drugsgebruik
4.3.3 Psychologische Controle
  • 2. Psychologische controle

    • Gedrag wordt gestuurd door in te spelen op emoties.
    • Vormen van psychologische controle:
      1. Schuldgevoelens opwekken
      2. Schaamte opwekken
      3. Angst opwekken
      4. Voorwaardelijke liefde of aandacht
  • Onderzoek: Psychologische controle zorgt ervaar dat kinderen minder zelfstandig worden en een laag zelfbeeld ontwikkelen. Bovendien hangt psychologische controle samen met internaliserende problemen, zoals angst en depressie.

5. Opvoedingsmiddelen

  • = Handelingen, activiteiten en situaties die door de opvoeder worden gebruikt om bepaalde doelen te bereiken
  • We bespreken:
    • Regels
    • Straffen
    • Fysieke straffen
    • Belonen
    • Modelleren
5.1 Regels
  • Duidelijke regels kunnen discussies vermijden.
  • Op school gelden regels: schoolreglement.
  • Onderzoek toont aan dat regels succesvol zijn als men voldoet aan enkele voorwaarden:
    • De regels zijn het resultaat van overleg en communicatie
    • De regels zijn duidelijk
    • De regels worden consequent toegepast
    • De regels stemmen overeen met het ontwikkelingsniveau van het kind
    • De regels hangen niet altijd samen met straffen. Opvoeders tonen best ook hun waardering als kinderen zich aan de afspraken houden
5.2 Straffen
  • Straffen en belonen = operante conditionering

  • Behavioristen maken een onderscheid tussen:

    • Positieve straffen
    • Negatieve straffen
  • Deze straffen kunnen worden ingedeeld in drie categorieën:

    • Fysieke straffen: vervelende lichamelijke prikkels toedienen
    • Activiteitenstraffen: onaangename activiteiten opleggen of aangename bezigheden verbieden
    • Sociale straffen: via negatieve emoties tonen dat je ontevreden bent of de relatie met het kind even onderbreken
  • Onderzoek toont aan dat straffen niet altijd de beste oplossing zijn:

    • Het effect is van korte duur. Steeds zwaardere straffen zijn nodig om effect te hebben;
    • Als opvoeders straf geven, zijn ze vaak woedend. Dat gaat nogal eens gepaard met roepen en geweld. Zo geven ze een slecht voorbeeld;
    • Straffen doet niet zozeer ongewenst gedrag afleren, maar eerder ontsnappingsgedrag aanleren;
    • Straf kan leiden tot aangeleerde hulpeloosheid
  • Martin Seligman (1942):

    • Amerikaanse psycholoog
    • Pionier op vlak van positieve psychologie
  • Onderzoek aangeleerde hulploosheid (1967):

    • Straffen van honden via elektrische schokken
    • Variatie: hok waar honden uit kunnen ontsnappen en hok waar honden niet uit kunnen ontsnappen
    • Men laat nu elke hond in een hok waar ze kunnen uit ontsnappen
  • Aangeleerde hulpeloosheid bij mensen (1975)

    • Knop aanwezig om geluid af te zetten
    • Geen knop aanwezig
  • Vaststellingen:

    • Heel wat pedagogen zijn het erover eens dat een straf niet altijd de beste oplossing is tegen ongewenst gedrag (zie eerder)
      • Probeer daarom alternatieven:
        • Focus leggen op gewenst gedrag door voor te doen, aan te moedigen of te belonen
        • Ongewenst gedrag laten uitdoven door te negeren (vb. jammeren)
        • Ongewenst gedrag vermijden door de uitlokkende factor weg te nemen
    • Als ouders toch straffen, houden ze best rekening met deze aandachtspunten
5.4 Belonen
  • Behavioristen maken een onderscheid tussen:

    • Positief bekrachtigen
    • Negatief bekrachtigen
  • Ook beloningen zijn in te delen in drie categorieën:

    • Materiële beloningen
    • Activiteitsbeloningen
    • Sociale beloningen
  • Belonen werkt beter dan straffen:

    • Gewenst gedrag wordt gestimuleerd a.d.h.v. belonen
    • De eigenwaarde van het kind wordt gestimuleerd
    • De band tussen opvoeder en kind versterkt
  • Aandachtspunten bij belonen:

    • Opvoeders zorgen dat de gemaakte afspraken over beloningen worden nagekomen (vb. uitstap Bellewaerde)
    • Het kind moet de beloning als een beloning ervaren (vb. nieuwe pyjama)
    • De beloning volgt het best snel na het gedrag, zeker bij jonge kinderen
    • Als de opvoeder een goede relatie heeft met het kind, zijn sociale beloningen vaak effectief en gemakkelijk te geven
    • Vermijd te veel of te grote materiële en activeitsbeloningen. Die kunnen tot overrechtvaardiging. Beter is werken met tokens
  • Overrechtvaardiging: ?

  • Milton Erickson (1901-1980):

    • Amerikaanse psychiater en psychotherapeut
    • 1 van de grondleggers van moderne hypnose in psychotherapieën
  • Voorbeeld overrechtvaardiging: Buitenspelende kinderen en een dollar

5.5 Modelleren
  • Albert Bandura (1925-2021):

    • Canadese psycholoog
    • Grondlegger van het sociaal leren
    • Modeling, observationeel leren en imitatieleren
    • Bobo doll experiment (3 fases)
  • Wat bepaalt of gedrag geïmiteerd zal worden?

    • De status van het model (vb. vrienden tijdens de adolescentieperiode)
    • De gevolgen van het gedrag (vb. roken maakt me meer populair in de vriendengroep)
    • Vaststellen dat verscheidene personen het gedrag vertonen
  • 2002: Australisch onderzoek (apen en slangen)

  • Fase1

  • Groep moeders (1) reageert angstig op rubberen slang en neutraal op rubberen spin in het bijzijn van hun peuter

    • Groep moeders (2) reageert angstig op rubberen spin en neutraal op rubberen slang in het bijzijn van hun peuter
  • Fase 2

    • Moeders groep 1 reageren neutraal op rubberen slang en spin -> Reactie peuters: ?
    • Moeders groep 2 reageren neutraal op rubberen slang en spin -> Reactie peuters: ?

6. Nadenken over Opvoedingssituaties