Samenvatting-cursus-7-Spelling-paragraven-9-10-11-12

Spelling Tutorial Samenvatting

Tegenwoordige Tijd (PVTT)

  • Werkwoorden vervoegen:

    • Werkwoorden in de tegenwoordige tijd worden vervoegd vanuit de ik-vorm.

    • Voorbeeld:

      • Koken -> ik kook

      • Snijden -> ik snijd

  • Enkelvoud Vervoegingen:

    • Ik-vorm:

      • Ik -> ik kook

      • Jij/je -> ik-vorm + 't'

      • Hij/zij/het -> ik-vorm + 't'

  • Meervoud Vervoegingen:

    • Wij -> hele werkwoord

    • Jullie -> hele werkwoord

    • Zij -> hele werkwoord

Verleden Tijd (VT)

  • Regels voor vervoegen:

    • Scheiding tussen sterke en zwakke werkwoorden.

    • Sterke werkwoorden:

      • Veranderen van klank:

        • Voorbeeld:

          • Lopen -> liepen

          • Zoeken -> zochten

    • Zwakke werkwoorden:

      • Volgen de standaardregels:

        • Enkelvoud: ik-vorm + te/de

        • Meervoud: ik-vorm + ten/den

    • Stam gebruiken:

      • Toetsen of 'te(n)' of 'de(n)' gebruikt moet worden.

        • Bij de letters in ‘t kofschip gebruik je te(n)

        • Bij andere letters gebruik je de(n)

      • Stam = werkwoord - en

        • Werken = werk

        • Geloven = gelov

Zwakke / Regelmatige Werkwoorden

  • Regels volgens ‘t kofschip:

    • Enkelvoud: stam + te

      • Voorbeeld: Ik werkte

    • Meervoud: stam + ten

      • Voorbeeld: Wij werkten

    • Staat de stam niet in ‘t kofschip:

      • Enkelvoud: stam + de

        • Voorbeeld: Ik geloofde

      • Meervoud: stam + den

        • Voorbeeld: Wij geloofden

Voltooid Deelwoord (VD)

  • Gebruik:

    • Wordt gebruikt wanneer iets is gebeurd.

    • Altijd met een hulpwerkwoord: hebben of zijn.

  • Vormen:

    • Begint vaak met ge/be/her/ver

    • Eindigt bij regelmatige/zwakke werkwoorden op D of T

  • Ook hier ‘t kofschip toepassen:

Voorbeelden van Voltooid Deelwoord:

  • Ik heb in sprookje geloofd.

  • Ik heb in een supermarkt gewerkt.

  • Onregelmatige of sterke werkwoorden:

    • Veranderen van klank:

      • Voorbeeld:

        • Ik ben naar Spanje geweest.

        • Ik heb een cadeautje gehad.