Thema 3 Erfelijkheid en evolutie
3.1 Genotype en fenotype
Gen: stukjes DNA die samen informatie bevatten voor een eigenschap
Elk chromosoom bevat een aantal genen
Genen kunnen âaanâ of âuitâ staan
In de cellen van je haarzakjes staat het gen voor haarkleur aan, maar in je levercellen staat dit gen uit
Een gen bestaat uit twee allelen, een op elk chromosoom, ze twee allelen kunnen verschillen
Bijv. allelen voor haarkleur kan een rood en een bruin zijn
Genotype:
Informatie voor alle erfelijke eigenschappen
wordt bepaald op het moment dat een eicel wordt bevrucht bij het vormen van chromosomenparen
Alle genen samen zijn het genotype van het nieuwe organisme
Het genotype blijft heel het leven hetzelfde
Fenotype:
Alle eigenschappen van het organisme
Bijv, oogkleur, bloeddruk, karakter, bouw van je organen
Iedereen ziet er anders uit doordat iedereen een ander genotype heeft
Het fenotype wordt bepaald door het genotype
Fenotype kan veranderen
Het fenotype van een organisme komt tot stand door het genotype en door invloeden van het milieu
3.2 Genen
Letters voor allelen:
Dominant allel hoofdletter (Aa)
Recessief allel kleine letter (Aa)
Er zijn drie genotypen mogelijk:
AA: persoon is homozygoot
Aa: Persoon is heterozygoot
aa: persoon is homozygoot
3.3 Kruisingen

25% kans AA
50% kans Aa
25% kans aa
3.4 Stambomen
Stambomen worden gebruikt om genetische overerving te bestuderen en erfelijke aandoeningen te begrijpen. Door stambomen te analyseren, kunnen genetici genen van generatie op generatie volgen en risico's op ziekten voorspellen. Stambomen tonen familierelaties en mogelijke genotypen, onthullen genetische patronen en helpen bij het identificeren van risicofactoren binnen families. Het is een essentieel onderdeel van genetisch onderzoek.
3.5 Variatie van genotypen
Ongeslachtelijke voortplanting:
Genotypen van de nieuwe plant is precies hetzelfde als die van de ouderplant
Fenotype kan wel verschillend zijn, als de milieuomstandigheden anders zijn
Vb; stekken, knollen
Geslachtelijke voortplanting:
Smelten van twee geslachtscellen met elkaar
afkomeling ander genotype en fenotype dan ouder
Mutatie:
Plotselinge verandering van DNA
Wanneer het plaatsvindt in een cel verandert het genotype in andere cellen niet
Als een gemuteerd allel in een geslachtscel voorkomt kan de mutatie worden doorgegeven
Als die geslachtscel bevrucht wordt komt in elke cel van de nakomeling de mutatie
Kan ook spontaan ontstaan tijdens de celdeling of door invloeden buiten het lichaam, mutagene invloeden
Kanker:
Kanker ontstaat door ongeremde celdeling, waarbij cellen delen en een tumor vormen
Bij tumoren kunnen cellen losraken en uitzaaien naar andere delen van het lichaam, waardoor de kanker zich verspreidt
Behandelingen voor kanker zijn onder andere chirurgie, chemotherapie en bestraling
Het is belangrijk om kanker in een vroeg stadium te ontdekken om de kans op genezing te vergroten
Preventieve maatregelen, zoals een gezonde levensstijl en regelmatige controles, kunnen het risico op het ontwikkelen van kanker verminderen
Het blijft een van de meest voorkomende doodsoorzaken wereldwijd en onderzoek naar nieuwe behandelingen en preventiemethoden blijft essentieel
3.6 Evolutie
Evolutietheorie:
De evolutietheorie stelt dat soorten in de loop van de tijd veranderen als gevolg van natuurlijke selectie, genetische mutaties en andere factoren
Natuurlijke selectie is het proces waarbij organismen die het best zijn aangepast aan hun omgeving meer kans hebben om te overleven en zich voort te planten, waardoor gunstige eigenschappen worden doorgegeven aan toekomstige generaties
Dit heeft geleid tot de diversiteit van het leven op aarde zoals we dat vandaag kennen
De evolutietheorie wordt ondersteund door vele wetenschappelijke disciplines, waaronder paleontologie, genetica en biogeografie
Het blijft een centraal concept in de biologie en helpt ons te begrijpen hoe alle levende organismen met elkaar verbonden zijn door gemeenschappelijke voorouders
3.7 Verwantschap
Fossielen:
Versteende overblijfselen van organismen of afdrukken van organismen in gesteenten
Verwantschap:
Bouw van organen
Vleugel van arend, voorpoot van mol, voorvin van walrus en arm van mens verschillende functies maar hebben overeenkomstige botten
Door aanpassing aan verschillende milieus hebben de ledematen een verschillende functie gekregen
Bouw: rudimentaire organen
Organen en botten die door aanpassing van her milieu niet meer nodig zijn
De resten en overblijfselen ervan zijn rudimentaire organen
Processen in cellen
Celdeling en verbranding
Bij alle organismen verlopen deze processen op dezelfde manier
Stoffen in cellen
Hoe meer de stoffen bij twee organismen overeenkomen, hoe korter geleden hun gemeenschappelijke voorouder leefde