Samenvatting Trimester 2

Trimester 2

Vraag 2

  • Territoriale eenheid: Een territorium dat één rijk vormt.
  • Sharia: De islamitische wetgeving die zich beroept op de Koran en uitspraken van de profeet Mohammed.
  • Veroveren: Een gebied door een militaire operatie in zijn macht nemen.
  • Heilige oorlog: Een oorlog veroorzaakt door godsdienstige verschillen of gelegitimeerd door godsdienstige argumenten.

Hoofdstuk 7

Vraag 1

  • Ontginningen: Woest landschap (bossen, heiden, overstromingsgebieden) omzetten in vruchtbare landbouwgronden door de natuurlijke begroeiing te verwijderen.
  • Bemesting: Het verspreiden van mest over een stuk grond om deze vruchtbaar te maken.
  • Drieslagstelsel: Landbouwmethode waarin een stuk land in het eerste jaar wordt gebruikt voor wintergraan, in het tweede jaar voor zomergraan, voordat het een jaar braak komt te liggen.
  • Beroepsspecialisatie: Individuen beginnen zich te specialiseren (meester te maken) in een bepaald beroep, bijvoorbeeld schoenmaker, leerlooier, bakker.
  • Open landbouwsamenleving: Samenleving waarin landbouw de meest voorkomende economische activiteit is en er meer wordt geproduceerd dan nodig is om te overleven, waardoor de overschotten verhandeld kunnen worden.

Vraag 2

  • Ambachtslui: Personen die handwerk doen, bijvoorbeeld bakkers, leerlooiers, schoenmakers.
  • Handelaar: Iemand die verschillende waren opkoopt en ze vervolgens weer te koop aanbiedt.
  • Voedingsmiddelen: Alle soorten voedsel die door mensen kunnen worden genuttigd.
  • Grondstoffen: Onbewerkt, ruw materiaal (vaak natuurlijk) die de basis vormt voor een product.
  • Lokale markt: Handel binnen de stadsmuren.
  • Regionale markt: Handel tussen verschillende steden in elkaars nabijheid.
  • Langeafstandshandel: Handel over heel de wereld, vaak luxeproducten.
  • Verstedelijking: Proces waarin een groter deel van de bevolking in steden gaat wonen.

Vraag 3

  • Jaarmarkten: Een, vaak uit de middeleeuwen daterende, jaarlijks terugkerende markt; oorspronkelijk bedoeld voor de verhandeling van vee, grondstoffen en goederen.
  • Luxeproducten: Producten die je niet nodig hebt om te kunnen (over)leven.
  • Handelsknooppunt: Geografische plaats waar heel veel handel gedreven wordt.
  • Maritieme handel: Handel over zee / via zeeroutes.
  • Geldeconomie: Een vorm van economie, waarin de meeste transacties met geld / munten worden betaald.

Hoofdstuk 8

Vraag 1

  • Sociale ongelijkheid: Mensen nemen in de samenleving ongelijke posities in, er is sprake van een sociale rangorde.
  • Standen: (Vaak ongelijke) groepen in de maatschappij met een eigen functie.
  • Clerus: Geestelijken.
  • Adel: Stand der edelen, mensen die door hun afkomst behoren tot een groep invloedrijke (en vaak rijke) mensen in de maatschappij.
  • Derde stand: Derde en laagste stand in de middeleeuwen, oorspronkelijk vooral boeren en horigen.
  • Standenmaatschappij: Samenleving waarin de bevolking in verschillende groepen of standen is opgedeeld die elk hun eigen rechten en plichten hebben.
  • Patriciërs: Elite van kooplui en ondernemers die de productie en handel beheersten, en veel grond bezaten.
  • Ambachtslui: Personen die zich bezighouden met handvaardige of artistieke vaardigheden.
  • Solidariteit: Gevoel van één zijn met de anderen, idee van samenhorigheid.
  • Dagloners: Arbeiders die per dag werd aangesteld en betaald.
  • Marginalen: Mensen die door ziekte of andere tegenslag moesten bedelen om in leven te kunnen blijven.

Vraag 2

  • (Religieuze) Minderheden: (Religieuze) Groepen die kleiner zijn dan de rest van de bevolking.
  • Onverdraagzaamheid: Intolerantie, afwijkende ideeën of gewoontes weigeren te accepteren, afkeer van bepaalde kenmerken.
  • Religieuze onverdraagzaamheid: Niet tolereren of accepteren van (mensen met) een bepaalde religie.
  • Medische onverdraagzaamheid: Niet tolereren of accepteren van mensen met bepaalde ziektes.
  • Seksuele onverdraagzaamheid: Niet tolereren of accepteren van mensen met bepaalde seksuele voorkeuren.

Hoofdstuk 9

Vraag 1

  • Processies: Godsdienstige plechtigheid in de vorm van een optocht, waarbij gelovigen hun geloof openbaar belijden.
  • Prediken: De inhoud van een godsdienst openlijk verkondigen.
  • Sacramenten: Een symbolische handeling (vaak in overgangsfase) waarbij de gelovige in contact komt staan met God door middel van een priester.
  • Priester: Katholieke geestelijke die bemiddelt tussen de mens en God.
  • Bedevaarten: Reis naar een plaats met een bijzondere, religieuze betekenis.

Vraag 2

  • Gothisch: De stijlperiode in de Europese kunst van ongeveer de 12e tot eind de 15e eeuw.
  • Romaans: De stijlperiode in de Europese kunst van ongeveer de 11e tot de 12e eeuw.

Vraag 3

  • Geestelijke: Iemand die in dienst is van de kerk en dus religieuze taken en diensten uitvoert.
  • Kathedraalschool: Scholen die ontstonden in het middeleeuwse Europa en werden geleid door kathedrale geestelijken met als oorspronkelijk doel het opleiden van priesters (later doel: lesgeven aan jongens uit adel om posities in kerk of politiek in te nemen).
  • Kritische benadering: Iets streng beoordelen / onderzoekend analyseren (tegenovergestelde van klakkeloos overnemen/aanvaarden).

Hoofdstuk 10

Vraag 1

  • Feodaal koninkrijk: Gebied met een koning aan het hoofd die zijn land verdeelt onder leenmannen die dat stuk land mogen besturen in ruil voor trouw, raad en militaire hulp aan de koning.
  • Leenheer: De persoon die een stuk grond in leen geeft.
  • Leenman: De persoon die een stuk grond in leen krijgt.
  • Sacraal koningschap: De koning krijgt een heilig karakter, wordt gezien als een plaatsvervanger van God op aarde.
  • Erfopvolging: Bestuursregeling waarbij de erfgenaam/erfgenamen de traan of positie overneemt/ overnemen van de overleden of afgetreden bestuurder.
  • Huwelijkspolitiek: Een veelgebruikt middel om de macht van een familie te behouden of uit te breiden, meestal onder de vorm van het uithuwelijken van een familielid.
  • Militaire macht: Groep militairen die vecht voor een land/gebied (synoniem: krijgsmacht).
  • Territoriaal koninkrijk: Gebied met een koning aan het hoofd die in zijn hele rijk (of in grote delen van zijn rijk) directe controle heeft.
  • Ambtenaren: Een persoon die werkt voor de overheid (vandaag) of voor de koning (2de Midd).
  • Belastingen: Een bedrag dat je aan de overheid moet betalen.
  • Rechtspraak: Justitie, orgaan dat controleert of de wetten en regels correct worden nageleefd en sancties opleggen bij overtredingen.
  • Geldeconomie: Zie les 7.
  • Parlement: Door de bevolking gekozen vertegenwoordigers die met de regering een staat besturen.

Vraag 2

  • Sacraal koningschap: Zie vraag 1.
  • Paus: Leider van de katholieke kerk.
  • Universele leider: Leider van iedereen.
  • Ambities: Doelstellingen, streven naar iets.