Moderne kijk op persoonlijkheid

Er zijn zeer veel eigenschappen die mensen kunnen gebruiken om zichzelf of anderen te beschrijven. De kunst is om al die eigenschappen in een overzichtelijk systeem bij elkaar te brengen. Dat maakt het namelijk mogelijk om vragenlijsten te ontwikkelen waarmee de belangrijkste persoonlijkheidseigen-schappen van mensen gemeten kunnen worden. Dit kan van belang zijn in het kader van bijvoorbeeld een beroepskeuzeonderzoek, een sollicitatie of een diagnostisch onderzoek dat voorafgaat aan een psychologische behandeling. In dit hoofdstuk wordt besproken wat volgens moderne modellen van persoonlijkheid de belangrijkste persoonlijkheidseigenschappen zijn. Deze modellen zijn gebaseerd op zogeheten psycholexicaal onderzoek. Omdat psycholexicaal onderzoek is gebaseerd op een analyse van taal, kunnen uitkomsten die zijn gevonden in het ene land niet zomaar gegeneraliseerd worden naar een ander land. Dat heeft gevolgen voor de vergelijkbaarheid van persoonlijkheidsmetin-gen en persoonlijkheidsbeschrijvingen in verschillende culturen, en voor het internationale gebruik van persoonlijkheidsvragenlijsten.

3.1 Jezelf beschrijven

Hoeveel manieren zijn er om jezelf psychologisch te beschrijven en te onderscheiden van anderen? Ben je openhartiger dan de meesten van je vrienden en kennissen? Ben je impulsiever dan zij bij het kopen van kleren? Ben je vastberaden in het nastreven van je doelen, vastberadener dan anderen? Ben je lichtgeraakt, misschien wat verlegen, ben je saai of rebels? Ruim je je slaapkamer doorgaans netjes op omdat je een ordelijk persoon bent, of doe je het alleen om een ordelijke indruk te maken? En als dat laatste het geval is, betekent dit dan dat je eigenlijk niet ordelijk bent? Hoe ga je met mensen om? Houd je je stipt aan afspraken, kom je vaak te laat of kom je juist altijd wat eerder? Ben je geïnteresseerd in wat anderen denken, willen of voelen, of laat dat je vaak koud? Houd je rekening met wat anderen van je vinden of ga je helemaal je eigen gang?Al deze vragen gaan over hoe je bent en hoe je je voordoet, over wat je beweegt en bezielt, over hoe jij jezelf ziet, hoe anderen jou zien en over hoe jij denkt dat anderen jou zien. Het gaat over wat jou karakteriseert als individu, over je persoonlijkheid en je sociale reputatie. Hoe je jezelf beschrijft, hangt namelijk mede af van het beeld dat je wilt dat anderen van je hebben, en is ook terug te vinden in de oorsprong van het woord 'persoonlijkheid' (zie verdiepingskader 3.1).

Wanneer iemand je vraagt om een beschrijving van jezelf te geven, zullen ant-woorden. op een aantal van de voorgaande vragen daarin waarschijnlijk een rol spelen. In dit soort beschrijvingen doen mensen er vaak echt moeite voor om door anderen gezien te worden als iemand met positieve eigenschappen.

Denk aan een beschrijving die je geeft van jezelf in het kader van een sollicitatiegesprek of op een datingwebsite. Maar hoever kun je daarin gaan? Uit een onderzoek van Tice, Butler, Muraven en Stillwell (1995) blijkt dat het tegen je kan werken als je daarin te ver gaat. Iemand die zeer veel aandacht besteedt aan het creëren van een zo gunstig mogelijk beeld van zichzelf valt heel gauw door de mand en wordt ongeloofwaardig. Er is sprake van een 'trade-off tussen gunstigheid en geloofwaardigheid. En de kans dat je door de mand valt is groter bij bekenden dan bij onbekenden. Er blijkt dan ook dat men tegenover bekenden terughoudender is in het scheppen van een gunstig beeld van zichzelf dan tegenover onbekenden.

3.2 De lexicale hypothese

Mensen praten vaak over andere mensen en hun gedrag: Wie doet wat met wie en waarom? Is dat goed of slecht? Wie is er populair en wie niet, en waarom? Hoe moet je omgaan met een moeilijk kind, een vervelende partner of een collega die nooit een deadline haalt? Alledaagse gesprekken op bijvoorbeeld het werk of thuis hebben voor het merendeel betrekking op gedrag en eigenschappen van jezelf of van anderen.

Wat betekent het wanneer iemand zegt dat die en die persoon een (echte) persoonlijkheid is of persoonlijkheid heeft? Meestal wordt daarmee bedoeld dat die persoon zich duidelijk en positief van anderen onderscheidt, dat hij een sterke wil heeft en dat die persoon karakter heeft. Karakter heeft tegenwoordig vooral te maken met het kenmerkende of typerende van een persoon. Het psychologische type is vaak ook een karikatuur: een opvallend kenmerk aan de persoon wordt uitvergroot op zo'n manier dat die persoon eigenlijk alleen nog dat kenmerk is. Dat kan grappig zijn, maar het is zeker ook eenzijdig en onrechtvaardig ten opzichte van de persoon. Niet voor niks is er vaak weerstand tegen mensen in hokjes plaatsen.

Het bespreken van personen, hun gedrag en hun eigenschappen is van alle tijden en van alle culturen. In die gesprekken wordt betekenis gegeven, worden verklaringen opgeworpen en wordt gezocht naar begrip van wat mensen beweegt. Daarbij worden allerlei woorden gebruikt om kenmerken van personen te beschrijven. Iemand is bijvoorbeeld lui, verlegen, ambitieus of behulp-zaam. Voor de meeste eigenschappen van mensen bestaan woorden om deze te beschrijven. Als eigenschappen maar vaak genoeg worden waargenomen en goed genoeg waarneembaar zijn, is de kans groot dat er op een gegeven moment woorden worden bedacht om die eigenschap mee aan te duiden. Dit wordt ook wel de lexicale hypothese genoemd: belangrijke individuele verschillen tussen mensen kunnen in taal worden uitgedrukt. Onderzoek dat zich baseert op deze hypothese wordt ook wel 'psycholexicaal onderzoek' genoemd.

De psycholexicale benadering in de persoonlijkheidspsychologie richt de aandacht dus op de woorden waarover een taal beschikt om iets over de persoonlijkheid van iemand te zeggen. Daar zijn er heel veel van. Omdat zulke woorden allemaal te vinden zijn in een woordenboek, is dat vaak het startpunt van psy-cholexicaal onderzoek. Als eerste stap worden lijsten gemaakt van woorden uit woordenboeken die kunnen worden gebruikt om eigenschappen van mensen mee te beschrijven. Dat zijn er vaak een heleboel (meestal vele duizenden, al is dit enigszins afhankelijk van welk woordenboek je gebruikt). Als je al die woorden hebt geselecteerd, heb je nog geen antwoord op de vraag welke persoon-lijkheidseigenschappen nu eigenlijk het belangrijkst zijn. Daarvoor zijn enkele vervolgstappen nodig, waar het in de volgende paragraaf over gaat.

3.3 Taxonomieën

Volgens schattingen door lexicografen (mensen die woordenboeken schrij-ven) telt het aantal Nederlandse woorden meer dan een miljoen. Misschien zijn er door de tijd heen wel bijna vijf miljoen gebruikt. Het aantal mogelijke woorden is haast onbeperkt, omdat je met de bestaande grondwoorden steeds nieuwe samenstellingen en afleidingen kunt maken. De Taaldatabank van het Nederlands-Vlaamse Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) in Leiden bevat daardoor al meer dan 60 miljoen woorden. De Grote Van Dale beschrijft ongeveer 240.000 woorden. Een volwassene gebruikt daarvan mogelijk ongeveer 50.000 woorden. Veel van die woorden hebben betrekking op beschrijvingen van jezelf of anderen. Dit is een veel te grote verzameling om mensen kort en bondig mee te beschrijven, zeker als je mensen onderling wilt vergelijken. Je zou bezig blijven! Je kunt zo'n grote hoeveelheid woorden proberen te ordenen door ze in groepen in te delen. Zo'n ordening heet een 'taxonomie. Hierbij is het van belang het kaf van het koren te scheiden: niet alles is nodig en niet alles is bruikbaar om de persoonlijkheid op een goede manier te beschrijven. Woordenboeken bevatten immers ook heel veel woorden die in gewone alledaagse gesprekken niet (meer) gebruikt worden of waarvan mensen de betekenis niet meer goed weten. Of ze bevatten woorden die mensen maar heel soms gebruiken om iemand te beschrijven. In de volgende paragrafen wordt een aantal taxonomieën van persoonlijkheidsbeschrijvende woorden beschreven. Er zijn er meer, maar dit zijn de bekendste en meest invloedrijke als het gaat om de beschrijving van de persoonlijkheid zoals we dat tegenwoordig doen.

3.3.1 De taxonomie van Cattell

In de jaren dertig van de twintigste eeuw kamden Allport en Odbert (1936) heel nauwkeurig een groot Amerikaans woordenboek (de onverkorte Webster) uit om alle woorden te vinden die gebruikt konden worden voor de beschrijving van persoonlijkheid. Ze vonden bijna 18.000 woorden. Dat was het werkelijk complete arsenaal aan begrippen waarmee je de zeer uiteenlopende facetten van persoonlijkheid kon beschrijven. Allport en Odbert (1936) deelden die 18.000 woorden in vier groepen in. De eerste groep (4.505 woorden) omvat de 'echte' eigenschappen; het zijn tendensen of geneigdheden, consistente manieren van reageren op een situatie. Voorbeelden zijn agressief, introvert en beheerst. De tweede groep (4.541 woorden) omvat tijdelijke gemoedstoestanden of activiteiten. Hiervan zijn voorbeelden: verveeld, beschaamd en onbe-wust. Een derde groep (5.226) omvat woorden waarin het evaluatieve element op de voorgrond staat (woorden die je vooral gebruikt om iets of iemand te cva-lueren). Voorbeelden zijn waardevol, effectief en interessant. De vierde groep (3.682) omvat woorden die niet goed te plaatsen zijn in de eerste drie groepen, die dubbelzinnig zijn, of vaag. Voorbeelden zijn kannibalistisch, emigrerend en encyclopedisch. De woorden in de eerste groep lijken de 'echte' persoon-lijkheidseigenschappen te zijn: het betreft hier stabiele individuele verschil-len. Over de andere woorden en categorieën valt te discussiëren. Tijdelijke gemoedstoestanden (categorie 2) kunnen bijvoorbeeld ook gezien worden als echte eigenschappen. Boos is meestal een tijdelijke gemoedstoestand, maar als iemand heel vaak en bij het minste of geringste boos wordt, dan kan het ook worden gezien als een meer stabiele eigenschap van de persoon.

De eerste categorie wöorden van Allport en Odbert (aangevuld met onder meer een aantal woorden uit de tweede categorie) dikte Cattell (1943a, 1943b) in tot een lijst van 171 eigenschappen. Die 171 eigenschappen werden door Cattell beschouwd als een goede weergave van het complete persoonlijkheidsdomein.

Hij liet vervolgens honderd volwassenen beoordelen door goede bekenden aan de hand van deze lijst van 171 eigenschappen. Op basis van de resultaten reduceerde hij de lijst met behulp van statistische analyses nog verder, tot 35 eigenschappen. Verder onderzoek met deze 35 eigenschappen toonde aan dat die weer konden worden ingedeeld in 12 factoren (12 clusters van persoon-lijkheidseigenschappen, als het ware). Cattell was daarmee zelf niet tevreden en voegde nog een viertal begrippen toe. Dit resulteerde in een persoonlijkheids-vragenlijst, waarin vragen gesteld werden die betrekking hadden op een totaal van 16 factoren, de zogeheten Sixteen-Personality-Factors-vragenlijst (16PF; zie verdiepingskader 3.4).

De 16PF bevat de volgende 16 persoonlijkheidsfactoren (clusters van persoonlijkheids-eigenschappen):

  1. Emotionele betrokkenheid: de mate waarin je behoefte hebt aan intieme relaties met anderen.

  2. Emotionele stabiliteit: de mate waarin je met stress reageert op uitdagingen of gebeurtenissen.

  3. Levendigheid: de mate waarin je je vrij voelt en spontaan bent.

  4. Sociale zelfverzekerdheid: de mate waarin je je op je gemak voelt in sociale situaties.

  5. Waakzaamheid: de mate waarin je voorzichtig bent in het contact met anderen.

  6. Geslotenheid: de mate waarin je persoonlijke informatie privé wenst te houden.

  7. Openheid voor verandering: de mate waarin je geniet van nieuwe situaties en erva-ringen.

  8. Perfectionistisch: de mate waarin je behoefte hebt aan structuur in plaats van de dingen aan het toeval over te laten.

  9. Redenerend vermogen: de mate waarin je numerieke en verbale problemen kunt oplossen.

  10. Dominantie: je neiging om invloed te hebben en/of anderen te beheersen.

  11. Regelbewust: de waarde die je hecht aan van buitenaf opgelegde regels.

  12. Gevoeligheid: de mate waarin emoties en gevoelens je verwachtingen en oordeel beinvloeden.

  13. Abstractheid: de hoeveelheid aandacht die je geeft aan abstracte in plaats van concrete observaties.

  14. Onzekerheid: je neiging tot zelfkritiek.

  15. Zelfstandigheid: de mate waarin je je eigen oordeel vertrouwt en kiest voor solistisch werken.

  16. Gespannenheid: het gemak waarmee je gefrustreerd kunt raken door situaties.

3.3.2 Het Big-Five-model van persoonlijkheidseigenschappen

Het vinden van 'clusters' persoonlijkheidseigenschappen in een grote verzameling persoonlijkheidseigenschappen gebeurt doorgaans met een statistische techniek die 'factoranalyse' heet (zie verdiepingskader 3.5). De uitkomsten van factoranalyses zijn niet altijd voor een uitleg vatbaar. Andere onderzoekers dan Cattell vonden bijvoorbeeld met dezelfde datasets geen twaalf (of zestien), maar 'slechts' vijf factoren. Fiske (1949) was de eerste 'ontdekker' van een structuur met vijf factoren, een structuur die een decennium later in nieuwe gegevens werd bevestigd door Tupes en Christal (1961), en door Norman (1963). Deze vijf factoren werden daarna meestal de Norman-5' genoemd. De Norman-5 staan vermeld in afbeelding 3.3, met de factornamen en de variabelen waarop ze zijn gebaseerd. Dat zijn in dit geval 20 van de 35 variabelen van Cattell.

Factoranalyse

Factoranalyse is een statistische techniek die wordt gebruikt om te onderzoeken of er onderliggende factoren (clusters) zijn te vinden in een set variabelen (hier zijn die variabelen persoonlijkheidseigenschappen). Persoonlijkheidseigenschappen die iets gemeenschappelijk hebben, worden dan met behulp van deze statistische techniek onder dezelfde factor geschaard. Het kan daarbij gaan om zowel eigenschappen die op elkaar lijken (bijvoorbeeld aardig en behulpzaam) als eigenschappen die elkaars tegenpolen zijn (zoals lief en gemeen). Zo hebben de termen spraakzaam en spontaan, maar ook stil en teruggetrokken allemaal te maken met dezelfde persoonlijkheidsfactor (Extraversie).

Om een factoranalyse uit te kunnen voeren, moet je eerst gegevens verzamelen. In het kader van psycholexicaal onderzoek vullen bijvoorbeeld eerst een heleboel mensen (honderden) een lange persoonlijkheidsvragenlijst in, met daarin vragen die zijn gebaseerd op de termen die uit het woordenboek zijn gekozen. Op al die gegevens kun je een factoranalyse toepassen. Je zult dan zien dat eigenschappen die iets met elkaar te maken hebben, in positieve of negatieve zin, onder dezelfde factor vallen. Je kunt het een beetje vergelijken met het sorteren van m&m's (of andere snoepjes) op kleur. De m&m's die iets gemeenschappelijk hebben (dezelfde kleur) kun je dan in groepjes bij elkaar leggen.

Een factoranalyse doet iets vergelijkbaars. Eigenschappen die veel gemeenschappelijk hebben, hangen sterk met elkaar samen. Dit wordt uitgedrukt in correlaties. Op basis van de correlaties tussen variabelen worden die in een factoranalyse bij elkaar geplaatst. Variabelen die relatief sterk met elkaar correleren, komen in principe samen in een factor terecht, ongeacht of deze correlaties sterk positief of sterk negatief zijn.

In principe kunnen in een factoranalyse net zoveel factoren worden gevonden als er variabelen zijn. Daar schieten we echter niet veel mee op. Meestal beperken we ons tot een relatief klein aantal factoren. Er zijn verschillende manieren om te bepalen hoeveel factoren er nodig zijn om de variabelen goed samen te vatten. In psycholexicaal onderzoek gebeurt dat op basis van de betekenis van de factoren. Bij de meest gebruikte variant van factoranalyse in lexicaal onderzoek (hoofdcomponentenanalyse) staan de factoren in volgorde van groot naar klein. Je kijkt eerst of je de eerste (en dus grootste) factor kunt interpreteren. Wat is het gemeenschappelijke kenmerk van de eigenschappen die in de eerste factor terecht zijn gekomen? Als het mogelijk is om de betekenis van die eerste factor te bepalen, ga je kijken naar wat het gemeenschappelijke kenmerk is van de eigenschappen in de tweede factor. Als je ook van die tweede factor kunt bepalen wat de betekenis is, ga je verder met de derde factor. Je gaat zo net zo lang door tot je een factor tegenkomt die niet meer te interpreteren valt. In het geval van het in dit hoofdstuk besproken Big-Five-model is er sprake van vijf interpreteerbare factoren.

Het was Goldberg (1981) die later de naam 'Big Five' opwierp om deze vijf factoren te beschrijven, en dat is tot op heden de naam gebleven. Het idee is dat alles wat je over de persoonlijkheid van jezelf of van een ander kunt zeggen (dus alle woorden die voor persoonlijkheid bestaan) in het Big-Five-model moeten kunnen worden uitgedrukt. Ook later psycholexicaal onderzoek van Goldberg leidde tot een duidelijke bevestiging van het Big-Five-model in het Engels, met als factoren Extraversie, Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid, Emotionele Stabiliteit en Intellect.

Min of meer parallel aan het onderzoek van Goldberg werkten Costa en McCrae

(1976) met de vragenlijst van Cattell, de 16PF. Zij probeerden de zestien factoren van persoonlijkheidseigenschappen uit die vragenlijst verder te clusteren tot een nog kleinere groep onderliggende factoren. Costa en McCrae, die bij een gerontologisch instituut in Baltimore werkten, wilden namelijk een per-soonlijkheidsvragenlijst ontwikkelen voor de beoordeling van persoonlijkheid op verschillende leeftijden. Ze verzamelden vragenlijstscores op de 16PF van drie groepen mensen van gemiddeld 32, 44 en 60 jaar oud. Zij vonden dat de 16 eigenschappen konden worden ingedeeld in drie factoren, namelijk Neuroti-cisme (het tegengestelde van Emotionele Stabiliteit), Extraversie en Openstaan voor Ervaringen. Deze laatste factor bestond uit eigenschappen die enigszins overeenkomen met eigenschappen die vallen onder de Big-Five-factor Intellect (zie afbeelding 3.3). Op basis van hun bevindingen ontwikkelden Costa en McCrae een nieuwe persoonlijkheidsvragenlijst waarmee Neuroticisme, Extraversie en Openstaan voor Ervaringen werden gemeten (Costa & McCrae,

1985). Het duurde echter niet lang voor Costa en McCrae op de hoogte raakten van het Big-Five-model. Ze constateerden dat hoewel hun drie factoren decls overeenkwamen met een paar factoren uit het Big-Five-model, er ook een paar persoonlijkheidsfactoren waren die niet in hun vragenlijst voorkwamen. Ze besloten toen om hun vragenlijst aan te passen en er vragen voor het meten van de Big-Five-factoren Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid toe te voegen. Zo ontstond de NEO-PI-R (Costa & McCrae, 1989), de persoonlijkheidsvragen-lijst die tegenwoordig wereldwijd het meest wordt gebruikt om de persoonlijkheid van mensen te meten, bijvoorbeeld in het kader van personeelsselectie.

(Er is inmiddels een licht geüpdatete variant, de NEO-PI-3, waarmee dezelfde factoren worden gemeten.) De NEO-PI-R heeft dus een andere ontstaansgeschiedenis dan het Big-Five-model. De NEO-PI-R is niet gebaseerd op lexicaal onderzoek, maar op een vragenlijst (de 16PF), op basis waarvan eerst drie factoren werden gevonden en waaraan later nog twee factoren zijn toegevoegd Verder wordt de factor Openstaan voor Ervaringen doorgaans niet gevonden in psycholexicaal onderzoek. Daarom wordt de NEO-PI-R door Costa en McCrae een vragenlijst genoemd voor het meten van het Five-Factor-model (FFM) van persoonlijkheid. Hoewel het Big-Five-model en het Five-Factor-model uit ongeveer dezelfde factoren bestaan, hebben ze een andere ontstaansgeschiedenis en zijn ze ook niet precies hetzelfde.

Het Big-Five-model is het meest geaccepteerde model van persoonlijkheid in de psychologie (zie bijvoorbeeld: De Raad & Barelds, 2020). Maar hoe serieus moet dit Big-Five-model nu worden genomen, wetenschappelijk en professioneel gesproken? Wetenschappelijk gezien is het van belang om te weten of het model juist is, of het volledig is, of het alle belangrijke eigenschappen dekt en of het genuanceerd genoeg is. Professioneel gezien is het van belang om te weten of je met een gerust hart met behulp van dit model de persoonlijkheid van iemand vast kunt stellen, zodat je op grond van die beoordeling beslissingen over die persoon kunt nemen of durft te nemen. Op deze punten wordt hierna verder ingegaan.

3.4 Cultuurverschillen in persoonlijkheid

De vijf factoren van het Big-Five-model zijn gevonden op basis van psycholexi-caal onderzoek. Opvattingen over persoonlijkheid zijn echter niet overal het-zelfde. Vragenlijstvragen (items) die ontwikkeld zijn voor de ene taal, spreken soms minder goed aan in een andere taal. Ze kunnen soms ook niet perfect vertaald worden. Als je rekening wilt houden met opvattingen over persoonlijkheid die cultuureigen zijn, is het beter om een vragenlijst van de grond af op te bouwen binnen de betreffende cultuur en de bijbehorende taal. De psy-cholexicale benadering is bij uitstek een methode die dat doet (een zogeheten emic benadering; zie verdiepingskader 3.7): woorden worden niet geleend uit een andere taal, maar er wordt begonnen met het in kaart brengen van per-soonlijkheidsbeschrijvende woorden in de betreffende taal, door mensen die deze taal spreken.

3.4.1 Culturele verschillen met betrekking tot de Big Five

Ongeveer veertig jaar na het werk van Cattell verdiepten ook Europese wetenschappers zich in de psycholexicale methode: eerst wetenschappers in Nederland en Duitsland, later ook in andere landen. Het psycholexicale onderzoek in het Nederlands werd als eerste uitgevoerd door Brokken (1978), dat in het Duits door Ostendorf (1990). De resultaten van deze onderzoeken werden vergeleken met de Big Five in het Amerikaans-Engels (Goldberg, 1990, 1993). De Nederlandse Big Five (De Raad, Hendriks, & Hofstee, 1992) bleek redelijk overeen te komen met de Amerikaanse, met een verschil in vooral de vijfde factor. In het Amerikaans werd deze factor als een Intellect-factor beschreven, met eigenschappen als creatief, artistiek, inventief en intelligent. In het Nederlands bevat de vijfde factor, naast eigenschappen die creativiteit en originaliteit beschrijven, ook eigenschappen die progressiviteit en rebelsheid beschrijven, zoals kritisch, progressief en rebels. De eerste vier factoren van de Duitse Big Five (Ostendorf,

1990) lijken op die van de Amerikaanse en Nederlandse Big-Five-factoren. De vijfde Duitse factor is een typische Intellect-factor (zoals de Amerikaanse dat is), maar met een sterker accent op intellectuele vermogens en talenten, en minder op creativiteit en originaliteit. Toen de drie Big-Five-structuren (de Ame-rikaans-Engelse, Nederlandse en Duitse) naast elkaar werden gelegd (Hofstee, Kiers, De Raad, Goldberg, & Ostendorf, 1997), bleek dat in deze drie talen de eerste drie factoren (Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid) als gelijk kunnen worden beschouwd, dat de vierde factor (Emotionele Stabiliteit) als nagenoeg gelijk kan worden beschouwd, en dat de vijfde factor (Intellect) niet als gelijk kan worden beschouwd. Dit betekent dat de Big-Five-factoren niet per se de meest optimale samenvatting van persoonlijkheid geven in Nederland en Duitsland, hoewel de eerste vier factoren wel redelijk tot goed vergelijkbaar zijn.

Na deze vergelijking in drie Germaanse talen, waar de Big Five niet geheel ongeschonden uitkwam, kan men zich afvragen hoe het is gesteld met factoren van eigenschappen in andere talen (bijvoorbeeld Slavische of Romaanse talen). Psy-cholexicale onderzoeken in het Pools, Kroatisch en Tsjechisch (Szarota, 1996;

Mlacié & Ostendorf, 2005; Hrebicková, 2007) vonden grotendeels bevestiging voor de Amerikaans-Engelse Big-Five-structuur, maar vooral het Tsjechische onderzoek week af. Opnieuw was het de vijfde factor die anders was: in dit geval beschreef deze factor vermogens en vaardigheden, in plaats van intellect.

In het Italiaans zijn er twee onafhankelijke psycholexicale onderzoeken uitge-voerd, een in Rome (Caprara & Perugini, 1994) en een in Triëst (Di Blas & Forzi, 1998). Die in Rome bleek een structuur op te leveren die nagenoeg gelijk was aan de Nederlandse, met een wat progressieve en rebelse invulling van de vijfde (Intellect) factor. In het onderzoek uit Triëst waren de eerste vier factoren ongeveer dezelfde als de Amerikaans-Engelse Big-Five-factoren, maar de vijfde factor was weer anders; deze bevatte eigenschappen als betrouwbaar en gevoe lig, tegenover onbetrouwbaar en ongevoelig.

Het lijkt erop dat de verschillen tussen de hiervoor genoemde persoonlijkheids-factoren niet zoveel te maken hebben met verschillen in taalfamilie: Germaans, Slavisch of Romaans. De typisch Nederlandse 'rebelse' factor vijf is bijvoorbeeld ook in het Italiaans te vinden. Het is tijd om de vergelijkingen breder te trek ken en psycholexicale persoonlijkheidsfactoren uit nog weer andere talen bij de vergelijking te betrekken. Dat is mogelijk. Germaans, Slavisch en Romaans behoren alle drie tot de Indo-Germaanse talen. Daartoe behoren bijvoorbeeld ook nog Gricks en Hindi: de eerste is cen Europese taal en de tweede een Aziatische taal. In deze beide talen is psycholexicaal onderzoek gedaan. De Griekse vijffactorstructuur (Saucier, Georgiades, Tsaousis, & Goldberg, 2005) kent versies van vier factoren van de Big Five, maar de meest opvallende afwijkende factor is een factor genaamd Negatieve Valentie (gekenmerkt door termen als barbaars, corrupt, pervers en onaangenaam). De factoren die worden gevonden in het Hindi (Singh, Misra, & De Raad, 2013) lijken echter amper op de Big-Five-factoren. De drie eerste en sterkste factoren in het Hindi hebben alle drie kenmerken van een oud filosofisch-psychologisch systeem in India, de Triguna, bestaande uit de factoren Sattvic (onpartijdig, competent, begrijpend, deugd-zaam), Tamasic (rusteloos, arrogant, egoistisch, intolerant) en Rajasic (hypo-criet, bedrieglijk, bemoeial, ongevoelig, wreed). Gezien deze grote verschillen tussen de factoren die zijn gevonden in het Hindi en de originele Amerikaanse Big Five lijkt het erop dat het verschil met die Amerikaanse Big-Five-factoren steeds groter wordt naarmate de geografische en culturele afstand toeneemt.

Om de laatste suggestie verder te onderzoeken hebben we nog de beschikking over psycholexicale onderzoeken in het Hongaars (Szirmák & De Raad, 1994), Turks (Somer & Goldberg, 1999; Goldberg & Somer, 2000), Filipijns (eigenlijk is de naam van de taal Tagalog; Church, Reyes, Katigbak, & Grimm, 1997), Koreaans (Hahn, Lee, & Ashton, 1999) en Chinees (Yu et al., 2009; Zhou, Saucier, Gao, & Lin, 2009). Het Hongaars, met een oorsprong in de Oeral, is een geisoleerde taal te midden van Germaanse en Slavische talen. Het behoort tot de zogenoemde Fins-Oegrische taalfamilie, waartoe ook het Fins, het Laps en het Ests behoren. De vijffactorstructuur in het Hongaars heeft duidelijk vier van de Big-Five-factoren, maar Intellect heeft plaatsgemaakt voor Integriteit (waar-heidlievend, rechtvaardig, discreet tegenover verwaand, hypocriet, hebzuchtig).

In een structuur met zes factoren was Intellect overigens ook weer van de partij.

De factoren die worden gevonden in het Turks vormen opnieuw een redelijk goede bevestiging van het Big-Five-model. Toch is het weer de vijfde factor die weliswaar Intellect-kenmerken heeft, maar ook het onderscheid modern, progressief tegenover traditioneel draagt. Turkije is een land met een overwegend islamitisch cultureel erfgoed, maar het is ook westers, wat misschien het bijzondere karakter van de Turkse factor vijf verklaart. Overigens was een soortgelijk onderscheid 'progressief tegenover conservatief' ook al waargenomen in het Nederlands en het Italiaans.

Met het analyseren van de Koreaanse, Filipijnse en Chinese structuren bevinden we ons op grote afstand van Europa (namelijk in Oost-Aziē). Van de Koreaanse vijffactorstructuur zijn de cerste twee factoren duidelijk te identifice ren als Extraversie en Vriendelijkheid. Zorgvuldigheid kent een sterke nadruk op betrouwbaarheid, Emotionele Stabiliteit is gekleurd door de tegenstelling masculien-feminien (mannelijk-vrouwelijk) en de Intellect-factor heeft ook kenmerken van Zorgvuldigheid. De Big-Five-factoren zijn weliswaar herkenbaar in het Koreaans, maar de afwijkingen zijn eveneens zeer zichtbaar.

De Filipijnse vijffactorstructuur is weer anders. Vier van de vijf factoren lijken op de Big Five, maar dan wel met verschillen. Extraversie staat bijvoorbeeld tegenover Beheersing (beheersing heeft in de Amerikaans-Engelse Big Five te maken met Zorgvuldigheid en niet met Extraversie) en de nadruk bij Vriendelijkheid ligt op zorg voor anderen tegenover egoïsme. De factoren Zorgvuldigheid en Intellect werden in het Filipijnse psycholexicale onderzoek niet gevonden.

Een eerste studie in het Chinees (Yu et al., 2009) ten slotte vormde niet meer dan een gedeeltelijke bevestiging van de Amerikaans-Engelse Big-Five-factoren. Opvallend was vooral de afwezigheid van een duidelijke Extraversie-factor, terwijl Extraversie toch vaak behoort tot een van de eerste factoren die wordt gevonden in psycholexicale onderzoeken. In een tweede studie in het Chinees (Zhou et al., 2009) waren Extraversie en een versie van Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid van de partij, evenals een factor genaamd Negatieve Valentie (waarin woorden zitten als beestachtig, inhumaan, wreed, obsceen) en een vijfde factor die leek op een versie van Intellect. Dit laatste was alleen het geval wanneer gebruik werd gemaakt van zelfbeoordelingen (mensen vullen de vragen over zichzelf in). Wanneer naar beoordelingen van andere personen werd gekeken, beschreef de vijfde factor zoiets als Emotionele Wispelturigheid.

Concluderend kan worden gesteld dat de Big-Five-factoren niet noodzakelijkerwijs in alle talen en culturen worden teruggevonden. Met name de vijfde factor uit het Big-Five-model laat het vaak afweten. Het lijkt er daarom op dat de Big-Five-factoren niet geheel universeel zijn. In de literatuur worden ook enkele alternatieve modellen voorgesteld, die eveneens op psycholexicaal onderzoek zijn gebaseerd. De belangrijkste daarvan worden hierna besproken.

3.4.2 De Big Seven

Er is een aantal psycholexicale onderzoeken gedaan volgens de zogeheten Tellegen-Waller-methode, namelijk in het Engels (Tellegen & Waller, 1987), het Hebreeuws (Almagor, Tellegen, & Waller, 1995) en het Spaans (Benet-Martinez & Waller, 1997). Er zijn enkele verschillen tussen de gangbare manier van psy-cholexicaal onderzoek doen en deze methode. Aan de ene kant is de methode van selectie van woorden die persoonlijkheid beschrijven wat ruimer. Echte evaluatieve woorden (bijvoorbeeld goed en slecht) worden in psycholexicaal onderzoek doorgaans buiten beschouwing gelaten. In deze methode echter niet. Aan de andere kant is deze methode juist beperkend: in plaats van alle geschikte woorden uit een woordenboek te selecteren, wordt alleen van elke vierde pagina uit hèt woordenboek het eerste bruikbare woord geselecteerd.

Daardoor kun je bepaalde eigenschappen gewoon missen, wat tegen de geest is van het lexicaal-taxonomisch denken. Wat eventueel gemist wordt, kan bovendien weer verschillend zijn voor de diverse talen en zelfs verschillen per woordenboek (in dezelfde taal).

Het volgen van de Tellegen-Waller-methode heeft duidelijke effecten op de factoren die worden gevonden. Tellegen en Waller (1987) rapporteerden zeven factoren: vijf factoren die min of meer overeenkwamen met de Big-Five-factoren, maar ook nog een tweetal evaluatiefactoren, namelijk Positieve Valentie (gekenmerkt door eigenschappen als uitstekend tegenover gewoon en alledaags) en Negatieve Valentie (gekenmerkt door eigenschappen als slecht tegenover fatsoenlijk). Almagor en collega's (1995) publiceerden eveneens een zevenfactorstructuur in het Hebreeuws, met enkele aan de Big Five gerelateerde factoren (waarvan twee verschillende Extraversie-factoren) en een duidelijke Negatieve-Valentie-factor (gekenmerkt door eigenschappen als jaloers, corrupt, duivels tegenover eerlijk en betrouwbaar). Ten slotte rapporteerden ze een als zodanig benoemde Positieve-Valentie-factor, maar deze had ook duidelijke Intellect-kenmerken door eigenschappen als gearticuleerd, origineel en wijs.

De Spaanse structuur ten slotte (Benet-Martinez & Waller, 1997) gaf duidelijke Positieve-Valentie- en Negatieve-Valentie-factoren, een factor met aanwijsbare Extraversie-elementen, een factor die Vurigheid en Intensiteit beschrijft (wat kan worden beschreven als een soort temperamentfactor), een factor die enigszins lijkt op Zorgvuldigheid, een Vriendelijkheid-factor en een factor met kenmerken van Intellect.

Church, Katigbak en Reyes (1998) hebben het Big-Seven-model onderzocht in het Filipijns, overigens zonder de inperkende procedure van het steekproef trekken van bladzijden. Er werden redelijk duidelijke factoren Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid gevonden, een tweetal factoren die een mix vormen van Big-Five-factoren maar die beide gerelateerd zijn aan Emotionele Stabiliteit of Neuroticisme, een factor Intellect of Openstaan voor Ervaringen, en een factor Negatieve Valentie. Bij elkaar was dit een gedeeltelijke bevestiging van het Big-Seven-model.

Als het gaat om de Big-Five-factoren, zijn er terugkerende factoren in verschillende culturen (vooral Extraversie, Vriendelijkheid en Zorgvuldigheid komen vaak voor), maar worden vooral verschillen gevonden voor de vierde en de vijfde factor, die groter worden naarmate de talen of culturen van een bepaalde structuur verder weg liggen van het Westen (Europa/Amerika). In het geval van het Big-Seven-model worden die verschillen niet kleiner, integendeel. Verder zijn versies van de Big Five tot op zekere hoogte identificeerbaar in dit Big-Seven-model. Negatieve Valentie lijkt inderdaad een terugkerende factor in het zevenfactorenmodel. Positieve Valentie vertoont een minder stabiel patroon, en deze factor lijkt soms ook vermengd met Intellect-eigenschappen.

3.4.3 De Big Six

We zijn soepel overgestapt van het Big-Five-model naar het Big-Seven-model, maar er is ook een Big-Six-model. Het Big-Seven-model is gebaseerd op een iets andere methode van het uitvoeren van psycholexicaal onderzoek. Dat geldt echter niet voor het Big-Six-model. De meeste psycholexicale onderzoeken gingen uit van de mogelijkheid van het vinden van de factoren uit het Big-Five-model: de 'Norman-5-factoren' vormden de hypothese en de eerste psycholexicale onderzoeken die na Norman werden uitgevoerd hadden dat model in gedach-ten. Zodra de eerste vijf factoren een bevestiging vormden van de Norman-5, was het een geslaagd project, zo was de algemene opvatting

In het Hongaars (Szirmák & De Raad, 1994; De Raad & Szirmák, 1994) bijvoorbeeld werden vijf factoren gevonden, met Integriteit als vijfde factor in plaats van Intellect. Dit werd enigszins teleurstellend gevonden en toegeschreven aan het sociaal-politieke klimaat in Hongarije. Niet lang daarna werd echter een factor met ongeveer dezelfde betekenis als de Hongaarse Integriteit-factor gevonden in het Italiaans (Di Blas & Forzi, 1999), in het Koreaans (Hahn et al.,

1999) en in het Frans (Boies, Lee, Ashton, Pascal, & Nicol, 2001). Dit was voldoende reden voor Ashton en collega's (2004) om een aantal bestaande datasets (uit al eerder uitgevoerde psycholexicale onderzoeken) systematisch te onderzoeken op de aanwezigheid van een extra factor in aanvulling op de Big-Five-factoren. De zesfactorstructuren werden onderzocht in het Nederlands, Frans, Duits, Hongaars, Italiaans (2x), Koreaans en Pools. Conclusie: bij nader inzien kon in deze acht taxonomieën (gebaseerd op zeven talen) naast de Big-Five-factoren nog een aanvullende factor worden gevonden, genaamd Eerlijkheid-Bescheidenheid (Honesty-Humility).

Dit had wel consequenties. Doordat de persoonlijkheidsbeschrijvende termen in de betreffende onderzoeken nu werden verdeeld over zes in plaats van vijf factoren, werd deels ook de informatie van de eerder gevonden vijf factoren wat anders verdeeld: bepaalde termen werden verschoven van de ene naar de andere factor. Extraversie, Zorgvuldigheid en Intellect bleven wat betreft betekenis gelijk, maar Vriendelijkheid verloor termen die te maken hadden met Eerlijk-heid-Bescheidenheid aan de nieuwe factor. Hierdoor werd de betekenis van de factor Vriendelijkheid ingeperkt (vriendelijk-geduldig tegenover ruzieachtig, koppig). De factor Emotionele Stabiliteit verloor juist termen die te maken hebben met Humeurigheid aan de nieuwe Vriendelijkheid-factor. In het algemeen zul je met meer factoren wat minder persoonlijkheidsbeschrijvende termen per factor overhouden. De factoren worden daarmee mogelijk wat smaller wat betreft betekenis. Een vraag bij dit alles is dan ook of het zin heeft om zulke verdere onderscheidingen te maken en ook of de zesfactorstructuur wel houdbaar is in verschillende talen en culturen. Voor de Big Five was dat al moeilijk genoeg of zelfs niet (helemaal) mogelijk, dus waarom zou dat voor de Big Six wel mogelijk zijn?

3.4.4 Gebruik van alle taal- en cultuurgerelateerde aspecten om persoonlijkheid te beschrijven

Om een bepaald persoonlijkheidsmodel te ontwikkelen is het veilig om binnen de grenzen van een taalgebied of cultuurgebied te blijven. Zodra we met een eenmaal ontwikkeld model de grens overgaan en op grotere afstand komen van het gebied van ontwikkeling, lijken de complicaties toe te nemen. Hoewel er verrassend grote overeenkomsten zijn gevonden in psycholexicale onderzoeken in verschillende talen en culturen wat betreft de Big-Five-factoren, zijn er ook duidelijke verschillen. In het Hindi lljkt er een sterke cultuurhistorische invloed te zijn op de gevonden persoonlijkheidsfactoren. In het Filipijns is er mogelijk een invloed van de - vergeleken met westerse landen - meer collectivistische oriëntatie, waardoor er meer nuances bestaan in het beschrijven van groepsgerelateerde eigenschappen. Maar ook verschil in visie omtrent wat wel en wat niet als een eigenschap dient te worden beschouwd, heeft invloed op de uiteindelijke structuur (zie de Big Seven, zoals hiervoor besproken). Bovendien is het soms mogelijk om meer dan vijf factoren te onderscheiden, die dan ook nog eens in meerdere talen te identificeren zijn (Big Six).

Ook het gebruik van bepaalde woordsoorten kan een effect hebben op de factoren die worden gevonden in psycholexicaal onderzoek. In de psycholexicale onderzoeken die tot nu zijn besproken, werden steeds adjectieven gebruikt (bij-voeglijke naamwoorden: woorden die iets zeggen over objecten en personen, zoals groot of eigenwijs). De reden hiervoor is dat enerzijds dergelijke adjectieven worden gezien als woorden die bij uitstek geschikt zijn om de persoonlijkheid te beschrijven en anderszijds dat het praktisch is om je te beperken tot uitsluitend adjectieven (dat zijn er al heel veel). Maar zou je ook niet andere woordsoorten kunnen gebruiken om iets over de persoonlijkheid te zeggen?

Zelfstandige naamwoorden liggen voor de hand. Die zijn in het verleden inderdaad gebruikt: denk aan karakterbeschrijvingen weergegeven door zelfstandige naamwoorden, zoals moed, dapperheid, klaploper of agressieveling. Vaak hebben zelfstandige naamwoorden en adjectieven dezelfde kern (zoals moedig/ moed, dapper/dapperheid, agressief/agressieveling) en dan voegt het gebruik van zelfstandige naamwoorden weinig of niets toe. Maar niet elk zelfstandig naamwoord heeft een bijpassend adjectief, zoals bij komediant, flapuit of dren-telaar. En zou je ook niet werkwoorden kunnen gebruiken voor de beschrijving van persoonlijkheid (bijvoorbeeld iemand tegenspreken, ergens voor terugdein-zen, voor iemand klaarstaan)? En waarom geen bijwoorden (dat zijn woorden die iets toevoegen aan werkwoorden, zoals in: denigrerend over iemand spre-ken, handelend optreden, onlogisch redeneren)?

In de volgende paragrafen bespreken we eerst het gebruik van verschillende woordsoorten voor de beschrijving van persoonlijkheid en vervolgens gaan we veel uitvoeriger in op het crossculturele aspect bij het meten van persoon-lijkheid. Het is duidelijk dat taalkundig gezien adjectieven eigenschappen van mensen en dingen beschrijven. Het adjectief is dan ook de kernwoordsoort waarmee persoonlijkheidseigenschappen kunnen worden beschreven. Als andere woordsoorten diezelfde rol krijgen, moeten ze ook als zodanig functio-neren, ze moeten 'adjectivisch' zijn, de rol van adjectief spelen. Van zelfstandige naamwoorden is dat gemakkelijk in te zien. Als je zegt: 'Hij is een komediant', is 'komediant zijn' een eigenschap die wordt toegekend aan een persoon. Bij werkwoorden, zoals tegenspreken of terugdeinzen, moet wel duidelijk zijn dat het om gedrag gaat dat herhaaldelijk optreedt: iemand die eens een keer voor iets terugdeinst is nog geen 'terugdeinzend persoon'. Dat is alleen zo indien dit vaak gebeurt. Dat geldt ook voor bijwoorden: alleen als iemand vaker dan anderen zich denigrerend over mensen uitlaat, kun je zeggen dat die persoon een 'denigrerend iemand' is.

De Raad, Mulder, Kloosterman en Hofstee (1988) hebben als eersten psycholexi-caal onderzoek met persoonlijkheidsbeschrijvende werkwoorden uitgevoerd (dus niet met adjectieven). Ook is er al psycholexicaal onderzoek gedaan met uitsluitend zelfstandige naamwoorden (type nouns, dus telbare zelfstandige naamwoorden; De Raad & Hoskens, 1990). Het gebruik van werkwoorden of zelfstandige naamwoorden blijkt niet zozeer te leiden tot hele nieuwe factoren, maar brengt vooral nieuwe nuances aan met betrekking tot de betekenis van de factoren.

3.4.5 De Big Eight

In een volledig nieuw opgezet psycholexicaal onderzoek in het Nederlands hebben De Raad en Barelds (2008) het woordenboek van de Nederlandse taal eens anders benaderd. Uit een elektronisch bestand met in totaal meer dan 124.000 woorden selecteerden ze woorden uit alle woordklassen (dus niet alleen adjectieven). Vervolgens probeerden ze zo min mogelijk beperkingen aan de selectie van termen uit deze lijst op te leggen (evaluatieve termen bijvoorbeeld konden ook worden geselecteerd, net als in de procedure die leidde tot de Big Seven). Uiteindelijk bleven na reductie 2.365 woorden uit het woordenboek over. Hiervan werden korte items gemaakt waarop mensen zichzelf of iemand anders konden beoordelen. Het woord wijsmaken wordt dan bijvoorbeeld: is iemand die mensen graag wat wijsmaakt; vastberaden wordt: is vastberaden; achtergrond wordt: houdt zich graag op de achtergrond; machteloos wordt: voelt zich gauw machteloos. Factoranalyse op de gegevens die bij een grote groep mensen waren verzameld, leidde tot acht interpreteerbare factoren, namelijk:

  1. Deugdzaamheid (vriendelijk, betrouwbaar, oprecht tegenover onsympathiek, onbetrouwbaar, oneerlijk)

  2. Competentie (lost problemen op, vastberaden tegenover vermijdt moeilijk-heden)

  3. Extraversie (spontaan, spraakzaam tegenover individualistisch)

  4. Mildheid (bescheiden, geduldig tegenover veeleisend)

  5. Zorgvuldigheid (ijverig, voorzichtig tegenover gemakzuchtig)

  6. Neuroticisme (teder, lichtgeraakt, paniekerig tegenover zeker, beheerst)

  7. Hedonisme (sensatiezoekend, feestbeest tegenover sober, huismus)

  8. Volgzaamheid (maakt veilige keuze, gehoorzaam tegenover creatief, rebel, complex

De Big-Five-factoren zijn gemakkelijk te identificeren in dit achtfactorenmodel.

De factoren Extraversie, Zorgvuldigheid en Neuroticisme zijn alle drie aanwezig. Mildheid komt overeen met Vriendelijkheid in de Big Five, en Volgzaamheid lijkt ten dele op (de negatieve kant van) Intellect. Voor een groter deel maken de typische Intellect-eigenschappen uit de Big Five nu deel uit van de factor Competen-tie, een nieuwe factor, waar ook elementen van Extraversie in zitten. Hedonisme lijkt een volledig nieuwe factor te zijn, die niets met de Big Five te maken heeft De cerste factor. Deugdzaamheid, komt overeen met zowel de eerdergenoemde Negatieve Valentie uit de Big Seven (de negatieve kant) als de eerdergenoemde factor Eerlijkheid-Bescheidenheid uit de Big Six. De tweede factor, Competen-tie, komt overeen met de eerdergenoemde Positieve Valentie (Big Seven). Bij het beschrijven van die Big Seven is al opgemerkt dat Positieve Valentie duidelijk Intellect-kenmerken heeft, net zoals hier het geval is met de Competentic-factor.

Het lijkt er sterk op dat dit zeer omvattende achtfactorenmodel alle eerdergenoemde modellen in zich bergt, zowel de Big Five, de Big Six als de Big Seven. Bovendien is er nog een nieuwe factor, Hedonisme, gevonden. Deze laatste factor raakt aan een gebied in de persoonlijkheidspsychologie waarover veel gepubliceerd is, vooral door Zuckerman (1984), namelijk de Sensatiezucht (Sensation Seeking).

3.4.6 Met psycholexicale persoonlijkheidsmodellen de grens over

We hebben hiervoor al melding gemaakt van verschillende persoonlijkheids-modellen in uiteenlopende talen en daarbij opgemerkt dat wanneer de afstand groter wordt tussen de talen, de verschillen lijken toe te nemen. Toch mag het een waar mirakel genoemd worden dat in al die talen onafhankelijk van elkaar toch vaak factoren worden gevonden die enige verwantschap hebben met de Big Five. Daarbij is het wel belangrijk om te beseffen dat dergelijke overeenkomsten voor een belangrijk deel het gevolg zijn van interpretatie. Factoren uit verschillende talen worden al gauw als gelijk geinterpreteerd indien er een aantal overeenkomstige eigenschappen onder valt. Als je in een factor eigenschappen aantreft die in eerder onderzoek deel uitmaakten van een factor Extraversie, is er een goede kans dat je die factor ook als Extraversie interpreteert. Maar het kan best zijn er dat er toch grote verschillen bestaan tussen die factoren.

Behalve op basis van interpretatie, kun je ook statistisch onderzoeken of factoren in verschillende talen en culturen hetzelfde zijn. Als je dat doet, blijken er minder factoren te zijn die in meerdere talen en culturen hetzelfde zijn. Dergelijk onderzoek is verschillende keren uitgevoerd door onderzoekers uit Gronin-gen. Voor het statistisch vaststellen van overeenkomsten tussen factoren wordt gebruikgemaakt van de zogenoemde congruentiecoëfficient, die lijkt op de correlatiecoëfficient. De waarden die de congruentiecoëfficient kan aannemen, lopen van 1 tot +1, waarbij een coëfficient van 0,90 of hoger doorgaans wordt gezien als bewijs dat twee factoren hetzelfde zijn.

De Raad en collega's (2010) onderzochten de overeenkomsten tussen veertien psycholexicale onderzoeken. Daarvoor werden eerst alle gebruikte termen vertaald in het Engels, omdat anders niet duidelijk was welke termen uit al die talen hetzelfde zijn. Vervolgens werd statistisch onderzocht in hoeverre de factoren tussen de verschillende onderzoeken met elkaar overeenkwa-men. De veertien gebruikte psycholexicale onderzoeken zijn die in het Engels (twee verschillende onderzoeken), Nederlands, Duits, Italiaans (twee verschillende onderzoeken), Hongaars, Pools, Tsjechisch, Filipijns, Grieks, Kroatisch, Koreaans en Frans. Gemiddeld waren er 420 persoonlijkheidsbeschrijvende woorden per taal waarvoor gegevens waren verzameld. Vervolgens werden per paar van onderzoeken de factoren vergeleken (bijvoorbeeld de Nederlandse en de Duitse factoren). Dit werd voor alle combinaties van twee onderzoeken gedaan. Bovendien werd dit gedaan voor oplossingen met twee tot en met tien factoren (er werden bijvoorbeeld in het Nederlands vier factoren bepaald en in het Duits ook, en die vier factoren werden dan met elkaar vergeleken; je kunt in een factoranalyse aangeven hoeveel factoren je graag wilt hebben). Gemiddeld genomen bleek telkens dat er drie factoren waren die in vergelijkbare vorm in de verschillende onderzoeken terug te vinden waren. De drie factoren die in alle veertien onderzochte talen en culturen goed te identificeren waren, zijn Affiliatie (Gemeenschap/gezelschap), Dynamiek en Orde. Belangrijke eigenschappen van Dynamiek zijn die van de Big-Five-factor Extraversie, tot die van Affiliatie behoren eigenschappen van de Big-Five-factor Vriendelijkheid, en tot die van Orde behoren eigenschappen van de Big-Five-factor Zorgvuldigheid Het lijkt er dus op dat deze drie factoren, Affiliatie, Dynamiek en Orde, drie echt universele persoonlijkheidsfactoren zijn (De Raad et al., 2014). Overigens was in verschillende eerdere publicaties al gesuggereerd dat drie factoren met de hiervoor genoemde betekenis de grootste kans maakten om in verschillende talen en culturen te worden gevonden (bijvoorbeeld: Di Blas & Forzi, 1998; Peabody & De Raad, 2002; Saucier, Hampson, & Goldberg, 2000). Deze drie factoren worden hierna verder toegelicht. Opvallend is dat Neuroticisme, een van de meest bestudeerde persoonlijkheidseigenschappen en onderdeel van de meeste persoonlijkheidsmodellen, niet bij deze drie factoren zit. Dit betekent niet dat Neuroticisme geen relevante factor van persoonlijkheid is, maar mogelijk betekent het dat Neuroticisme in verschillende landen op een verschillende manier tot uitdrukking komt.

Het panculturele driefactorenmodel

  • Dynamiek (Tanaka & Osgood, 1965) gaat over het competente individu, en manifesteert zich in gerichte actie, veelzijdigheid, effectieve communicatie en ondernemerschap. De inhoud van deze factor komt terug in eigenschappen als dynamisch, ondernemend, extravert, actief tegenover teruggetrok-ken, timide, introvert. Dynamiek komen we ook tegen als component van individualisme, liberalisme en zelfactualisatie.

  • Affliatie (Leary, 1957) gaat over het gegeven dat men deel uitmaakt van een grotere sociale eenheid of groep en manifesteert zich in het streven naar intimiteit, vereniging en binding binnen dat grotere geheel. De inhoud van deze factor komt tot uiting in eigenschappen als vriendelijk, behulpzaam, sympathiek, vredelievend en mededogend tegenover egoïstisch, ruzieachtig, dominant en agressief. Affiliatie komen we ook tegen als component van collectivisme, socialisme en solidariteit.

  • Orde (Lorand, 2000) gaat over het helder krijgen van geest en omgeving, en manifesteert zich in het streven naar orde, stabiliteit, regulering en precisie.
    De inhoud van deze factor komt tot uiting in eigenschappen als grondig, gestructureerd, consistent, georganiseerd tegenover onsystematisch, rebels, lui, onlogisch en chaotisch. Orde komen we tegen in veel aspecten van het dagelijks leven. Mensen neigen ertoe orde te zien dan wel aan te brengen in hun ideeën, doelen en waarden.

Het panculturele (weefactorenmodel

Als je nu in plaats van drie factoren in elke taal twee factoren neemt, blijken die ook in alle talen en culturen (tenminste in degene die onderzocht zijn) hetzelfde te zijn. De naamgeving van die twee factoren komt dan overeen met de eerste twee van het driefactorenmodel: Dynamiek en Affiliatie. Ook deze twee factoren zijn geen vreemden in de recente geschiedenis van de psychologie Digman (1997) onderzocht de onderliggende factoren (zogeheten tweedeorde factoren) van de Big-Five-factoren. Hierbij wordt een factoranalyse gedaan op de Big-Five-factoren (in plaats van op alle items). In veertien bestanden met gegevens bleken de factoren Extraversie en Intellect samen te hangen met een tweedeordefactor die ß werd genoemd en op te vatten is als 'persoonlijke groei', en de factoren Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid en Emotionele Stabiliteit met een tweedeordefactor die a werd genoemd en op te vatten is als 'socialisatie.

Ook DeYoung (2006) en Saucier en collega's (2005) vonden steun voor deze twee tweedeordefactoren. Eerder nog was door Bakan (1966) het onderscheid gemaakt tussen Agency en Communion, een onderscheid dat grote overeenkomst vertoont met de hiervoor besproken Dynamiek en Affiliatie, en waarvoor bovendien in de sociale psychologische literatuur een grote belangstelling lijkt te bestaan (zie bijvoorbeeld: Fiske, Cuddy, & Glick, 2007).

3.5 Hierarchie van structuren

Hiervoor zijn allerlei verschillende modellen en factoren besproken die zijn gebaseerd op psycholexicaal onderzoek. Het meest populaire model is het Big-Five-model en statistisch gezien is er vooral veel steun voor de cross-culturele universaliteit van modellen met twee of drie factoren. Een tot nu toe nog niet besproken aspect van deze modellen is het aspect van hiërarchie. Het Big-Five-model bijvoorbeeld is hierarchisch omdat het onderscheid maakt tussen de factoren en de daaronder vallende eigenschappen: de factoren zijn van een abstracter niveau dan de eigenschappen.

Hierarchie van begrippen

Het is gemakkelijk in te zien wat hierarchie is, wanneer het gaat om concrete voorwer-pen. Woorden als appel, peer en banaan zijn te vangen onder de verzamelnaam 'fruit. Het begrip fruit is dan het meer abstracte begrip, waaronder de meer concrete soorten fruit hierarchisch op een lager niveau te plaatsen zijn. Maar omdat er ook weer verschillende soorten appels en verschillende soorten peren zijn, is verdere specificatie mogelijk.

Op dezelfde manier is een gitaar een soort muziekinstrument, wat ook geldt voor een piano, een klarinet, een fluit, enzovoort. Verdere groeperingen en onderverdelingen zijn mogelijk door bijvoorbeeld snaarinstrumenten en blaasinstrumenten te onderscheiden, en van de snaarinstrumenten bijvoorbeeld de gitaren te verdelen in akoestisch en elek-trisch, enzovoort. De manier om vast te stellen of objecten of begrippen hierarchisch zijn te ordenen is door twee vragen te stellen, namelijk (1) of X een soort Y is, en (2) of Y een soort X is (waarbij bijvoorbeeld X een appel is en Y fruit). Het heeft zin om te zeggen: 'Een appelis een soort fruit', maar het is een beetje raar om te zeggen: 'Fruit is een soort appel.' Op dezelfde manier zou je ook te werk kunnen gaan bij eigenschappen. Spraakzaam is een vorm van extraversie, maar extraversie is niet een vorm van spraakzaamheid (zie verder onder andere: Hampson, John, & Goldberg, 1986).

Eysencks PEN-model

Een persoonlijkheidsmodel dat lang populair is geweest in de persoonlijkheids-psychologie is het PEN-model van Hans Eysenck (Eysenck, 1970; Eysenck & Eysenck,

1985). Dit is een hierarchisch persoonlijkheidsmodel dat de persoonlijkheid onderverdeelt in drie 'supereigenschappen', waaronder dan weer andere eigenschappen vallen.

De drie supereigenschappen zijn: Psychoticisme (P), Extraversie (E) en Neuroticisme (N).

Het PEN-model veronderstelt dat deze drie eigenschappen erfelijk zijn en gebaseerd zijn op biologische processen. Extraversie is volgens Eysenck bijvoorbeeld gelinkt aan corticale arousal (activatie van het zenuwstelsel), die onder meer gemeten kan worden aan de hand van huidgeleiding, hersengolven of de mate waarin iemand zweet. Volgens Eysencks theorie is het zenuwstelsel van introverten chronisch overprikkeld (hoge acti-vatie) en dat van extraverten chronisch onderprikkeld (lage activatie). Zowel introverten als extraverten zouden een optimaal niveau van prikkeling hebben waarbij ze het beste functioneren. Omdat het zenuwstelsel van introverten al zo overprikkeld is, hebben zij minder behoefte aan externe prikkels, zoals allerlel avontuurlijke activiteiten en andere

Neuroticisme heeft volgens Eysenck te maken met de activeringsdrempel van het sympathische zenuwstelsel of het limbisch systeem. Dit is het gedeelte van de hersenen dat met de fight-or-flight-respons te maken heeft op het moment dat mensen met gevaar worden geconfronteerd. Neurotische personen hebben een lage activeringsdrempel, waardoor ze snel negatieve emoties ervaren (fight or flight), ook bij relatief kleine stres-soren. Met andere woorden: ze zijn snel van slag. Personen die emotioneel stabiel zijn, hebben daarentegen een hoge activeringsdrempel, waardoor ze alleen maar negatieve emoties ervaren als ze met ernstige stressoren worden geconfronteerd. Deze personen zijn met andere woorden stressbestendig.

Volgens Eysenck lag de basis voor Psychoticisme, dat te maken heeft met een verlies van realiteitszin en agressiviteit, in een verhoogd testosteronniveau. Hoe hoger het niveau van testosteron, hoe groter de kans dat mensen agressief zouden zijn en een gebrek aan realiteitszin zouden ervaren. Dat testosteron samenhangt met agressie is vele keren aangetoond in wetenschappelijk onderzoek (zie bijvoorbeeld: Platje et al., 2015).

Onder de drie supereigenschappen bevinden zich andere eigenschappen (van een lagere orde), zoals sociabel en assertief (onderdelen van Extraversie). Onder deze eigenschappen vallen weer gewoontegedragingen, zoals vaak met andere mensen bellen (onder-deel van sociabiliteit). Onder die gewoontegedragingen ten slotte vallen weer concrete gedragingen, zoals om tien uur een halfuur met je beste vriend bellen. Zo ontstaat een hierarchisch model met vier lagen (zie ook afbeelding 3.6).

Toen het Big-Five-model aan populariteit begon te winnen, ontstond een verhitte discussie tussen Eysenck en Big-Five-onderzoekers. Volgens Eysenck is het Big-Five-model een allegaartje van supereigenschappen en lagere-orde-eigenschappen (eigenschap-pen die in het model van Eysenck lager in de hlërarchie staan). Zo stelt hij dat Vriendelijkheid (Agreeableness) en Zorgvuldigheid/Consciëntieusheid eigenlijk onder de supereigenschap Psychoticisme vallen (mensen die hoog scoren op Psychoticisme, zouden onvriendelijk en niet zorgvuldig/conscientieus zijn). De eigenschap Intellect uit het Big-Five-model zou volgens Eysenck niet veel meer zijn dan een slechte poging om Intelligentie te meten. De discussie tussen Eysenck en lexicale onderzoekers spitste zich verder in belangrijke mate toe op het feit dat het Big-Five-model atheoretisch is. Volgens Eysenck is het ontbreken van een theoretisch kader een belangrijke tekortkoming van het Big-Five-model (en het daarop lijkende Five-Factor-model). Het PEN-model is daar entegen gebaseerd op theoretische aannamen over de link tussen eigenschappen en biologische processen.

We bespreken hierna ter afsluiting een tweetal (soorten) hierarchieën, de een meer klassiek en van wat oudere datum, de ander van recentere datum. Van de eerste soort geven we een deel uit het veel geciteerde model van Eysenck (1970; zie verdiepingskader 3.13), beperkt tot het begrip Extraversie (afbeelding 3.6). Links in de afbeelding staat aangegeven om welk niveau het gaat. In dit model staan specifieke gedragingen onderaan; die op een hoger abstractieniveau zijn gegroepeerd in een soort gewoontegedragingen (habituele reacties). Vermaken van vreemden en lachen tegen mensen komen weer samen in de eigenschap sociabiliteit. Ten slotte staat op het meest abstracte niveau Extraversie, waarin zowel sociabiliteit als impulsiviteit samenkomen.

Een meer recente hierarchische vormgeving is te vinden in bijvoorbeeld De Raad en collega's (2014), waarin factoroplossingen met verschillende aantallen factoren zijn verbonden. Zo is er een structuur met niet meer dan een factor, een structuur met twee factoren, een met drie, met vier, enzovoort. De factoren van boven en onder gelegen oplossingen zijn verbonden door de correlaties tussen die factoren te berekenen. Afbeelding 3.7 geeft een deel van zơn hiêrarchische structuur weer met twee, drie en vijf factoren. De verticale lijnen tussen de factorblokjes representeren hoge correlaties. De hierarchisch hoogste factoren (Agency en Communion) zijn ook de meest abstracte. Het verschil in naamgeving (Agency, Dynamiek en Extraversie) is ook bedoeld om verschillen in abstractie weer te geven. De factoren in afbeelding 3.7 geven weer hoe de verschillende modellen (met twee, drie of vijf factoren) met elkaar verbonden zijn. Dingen die met Extraversie te maken hebben, komen bijvoorbeeld voor in zowel het model met twee factoren (Agency), het model met drie factoren (Dynamiek) als het model met vijf factoren (Extraversie). Als er geen lijnen staan tussen de lagen in afbeelding 3.7, betekent dit dat die factoren nieuw zijn (dus niet met de bovenliggende factoren te maken hebben).

Gray's biopsychologische persoonlijkheidstheorie

Jeffrey Gray was het niet eens met de verklaring van Eysenck over de systemen in de hersenen die verantwoordelijk zouden zijn voor gedrag. Volgens Eysenck had het Ascen-ding Reticular Activating System (ARAS) in de hersenen te maken met corticale arousal (activatie van het zenuwstelsel; zie verdiepingskader 3.13). Volgens Gray's biopsychologi-sche persoonlijkheidstheorie (Gray, 1970, 1981) zijn er twee andere systemen in de hersenen die gedrag van mensen verklaren: het Behavioral Activation System (BAS) en het Behavioral Inhibition System (BIS). Het BIS zorgt ervoor dat mensen zich 'terugtrekken': ze gaan problemen en enge situaties uit de weg. Het BAS daarentegen zorgt ervoor dat mensen juist actief worden en uitdagingen aangaan. BIS en BAS zijn in dat opzicht dus tegengestelde neigingen. Mensen met een reactief BAS zijn gevoelig voor beloning en hebben een zogeheten approach-motivatie (zie ook hoofdstuk 5). Dit betekent dat ze vooral gericht zijn op het aangaan van uitdagingen, op het bereiken van doelen en op ‘doen'. Mensen met een reactief BIS zijn gevoelig voor straf en hebben een zogeheten avoidance-motivatie (zie ook hoofdstuk 5). Ze spelen liever op 'safe' en proberen negatieve ervaringen zo veel mogelijk te vermijden. Dit vertaalt zich volgens de theorie van Gray in de eigenschappen impulsiviteit (voor mensen met een reactief BAS) en angst (voor mensen met een reactief BIS).

Hoewel Gray het niet geheel met Eysenck eens was, zijn er duidelljke overeenkomsten tussen het model van Gray en het model van Eysenck. Deze kunnen goed worden geillustreerd aan de hand van een zogeheten circumplex. Een circumplex is een methode waarbij twee factoren tegen elkaar worden uitgezet en eigenschappen op de zo ontstane cirkel worden geplaatst (zie afbeelding 3.8). Op die manier is te zien welke onderliggende eigenschappen puur bij een bepaalde persoonlijkheidsfactor horen en welke eigenschappen een combinatie van persoonlijkheidsfactoren zijn. Wanneer de super-eigenschappen E en N uit Eysencks PEN-model in zo'n circumplex worden gezet met de bijbehorende eigenschappen, valt bijvoorbeeld te zien dat somber en gevoelig typisch Neuroticisme-eigenschappen zijn, en stil en passief typisch Introvert-eigenschappen.

Andere eigenschappen zijn meer een combinatie van de twee supereigenschappen, zoals gemoedelijk (combinatie van Extravert en Emotioneel Stabiel).

Wanneer nu de twee meest kenmerkende eigenschappen uit het model van Gray worden opgezocht in dit circumplex, blijkt dat angstig*een combinatie is van Neuroticisme en Introversie, en impulsief een combinatie van Extraversie en Neuroticisme. De modellen van Gray en Eysenck lijken daarmee vrij sterk op elkaar (als het om E en N gaat), waarbij op het gebied van eigenschappen het model van Gray feitelijk een rotatie is van het model van Eysenck: de twee assen in het circumplexmodel zijn iets tegen de klok in gedraaid.

3.6 Samenvatting

Er zijn zeer veel persoonlijkheidsbeschrijvende termen die mensen kunnen gebruiken om eigenschappen van zichzelf of anderen te beschrijven. De kunst is om al die betreffende eigenschappen in een overzichtelijk systeem bij elkaar te brengen. Dat maakt het namelijk mogelijk om vragenlijsten te ontwikkelen waarmee de belangrijkste persoonlijkheidseigenschappen van mensen gemeten kunnen worden. Dit kan van belang zijn in bijvoorbeeld het kader van beroeps-keuzeonderzoek, een sollicitatie of een diagnostisch onderzoek dat voorafgaat aan psychologische behandeling (zie verder hoofdstuk 4). In dit hoofdstuk is besproken hoe achterhaald kan worden welke eigenschappen er zoal zijn om mensen te beschrijven, hoe die kunnen worden geordend en hoe dat gebeurt, namelijk middels zogeheten psycholexicaal onderzoek. De lexicale hypothese stelt dat hoe vaker men een eigenschap in het gedrag van mensen aantreft, hoe groter de kans dat die eigenschap een naam krijgt, oftewel dat er een woord voor wordt bedacht. Die woorden komen uiteindelijk terecht in een lexicon (woordenboek). Door persoonlijkheidsbeschrijvende termen uit het lexicon te selecteren, mensen zichzelf of iemand anders daarop te laten beoordelen en vervolgens een factoranalyse uit te voeren op de verzamelde data, kan men bepalen welke overkoepelende persoonlijkheidseigenschappen (factoren) het meest relevant zijn. Op basis van psycholexicaal onderzoek kwam Cattell tot twaalf factoren, waaraan hij er zelf vier toevoegde. Anderen kwamen tot vijf factoren, de zogenoemde Norman-5, die later door Goldberg de Big Five werd genoemd:

Extraversie, Vriendelijkheid, Zorgvuldigheid, Emotionele Stabiliteit en Intel-lect. Daarnaast zijn er ook onderzoekers die een Big Six, Big Seven en Big Eight hebben gevonden. De Big Five is doorgaans terug te vinden in deze alternatieve modellen. In de praktijk is het Big-Five-model het meest populair en wordt het het meest gebruikt als basis voor de constructie van vragenlijsten. De Big-Five-factoren zijn echter niet geheel universeel. Met name de vijfde factor uit het Big-Five-model (Intellect) is niet in alle culturen en talen terug te vinden. Als er gezocht wordt naar dimensies van eigenschappen die wel in nagenoeg elke taal of cultuur voorkomen, lijken dat er drie te zijn: Dynamiek, Affiliatie en Orde. Deze basisstructuur kan per taalgebied, geografische eenheid of continent worden aangevuld met specifieke dimensies. Voor Europa en Amerika zijn dat waarschijnlijk de dimensies Neuroticisme en Intellect, hoewel daarop ook variaties bestaan.