HC8 – GPR
RUSLAND
INLEIDING
Deze samenvatting behandelt de ontwikkeling van de Russische staats- en rechtsstructuur van de tsaristische periode tot heden. Centraal staan:
Het autoritaire, persoonlijke bewind van de tsaren, zonder institutionele checks and balances.
De revoluties van 1917 en de Sovjet-grondwetten (1918, 1924, 1936, 1977) die een dictatuur van het proletariaat instelden.
De ontbinding van de USSR (1989-1991) en de Grondwet van 1993 voor de Russische Federatie, met een semi-presidentieel systeem.
Recente afwijkingen van het internationaal recht en grondwetswijzigingen (2008-2022).
Chronologisch overzicht
Periode | Tijdsvak | Kerninhoud |
|---|---|---|
1. Tsaristische periode | tot 1917 | Autocratie, gewoonterecht, Europese expansie, hervormingen |
2. Revoluties van 1917 | 1917 | Februari- en Oktoberrevolutie, val van de monarchie |
3. Sovjetunie | 1917–1989 | Grondwetten van 1918, 1924, 1936, 1977; dictatuur van het proletariaat |
4. Russische Federatie | 1993–heden | Grondwet van 1993, liberalisering, presidentieel systeem, recente hervormingen |
HOOFDSTUK 1 – DE TSARISTISCHE PERIODE (TOT 1917)
1.1 Gebied
Expansie door vorsten van Moskou:
Westen: Polen, Wit-Rusland, Oekraïne
Zuiden: Kaukasus, Krim
Oosten: Centraal-Azië, Alaska
Handel met Oost-Centraal Europa, Perzië, Ottomaanse Rijk, China, Japan – onder meer via de Zwarte en Baltische Zee.
Zeer uitgebreid maar dunbevolkt gebied, etnisch divers.
NUANCE: De expansie was niet enkel territoriaal, maar ook commercieel strategisch, gericht op handelsroutes naar Oost-Centraal-Europa, Perzië, het Ottomaanse Rijk, China en Japan.
1.2 Bewind
Zeer autoritair:
Tsaren hadden enorme macht.
Geen privébezit – de tsaar bezit alles.
Historisch startpunt: Ivan de Verschrikkelijke (oorspronkelijk relatief liberaal, maar uiteindelijk autocratisch). Opgevolgd door de Romanov-dynastie (die aanblijft tot het einde van de tsaristische periode).
Gebaseerd op persoonlijk favoritisme.
Afwezigheid van institutionele structuren.
Gevolgen:
Instabiliteit door confrontaties met bojaren (leidt soms tot afzetting en het op de troon zetten van een nieuwe bevriende tsaar).
Beloning voor diensten in plaats van formele benoemingen.
VERDIEPING – Sociale indicator: Russische bojaren – hoe hoger het hoofddeksel, hoe groter de status.
Voorbeeld: Tsaar Alexei Mikhailovich Romanov (1645–1676) liet zich omringen door adel en clerus.
1.3 Russisch Recht
Grotendeels gewoonterecht.
Individueel eigendomsrecht bestond niet (alles behoort toe aan de tsaar).
Recht werd geproduceerd door de tsaar en zijn administratie.
Recht was vooral bedoeld voor de administratie, niet voor de bevolking.
Geen systematische codificatie – het recht was reactief en administratief, niet normatief voor de samenleving (wel strafrecht).
NUANCE: Het tsaristische recht kende geen burgerlijke codificatie zoals in West-Europa; het bleef grotendeels ongecodificeerd gewoonterecht, aangevuld met tsaarlijke decreten.
1.4 Europese expansie
Peter de Grote (1672–1725)
Interne controle op de adel.
Erkenning als “Keizer van alle Ruslanden”.
Geopolitieke inmenging in Europa (gedreven door technische achterstand).
Maritieme toegang tot Europa via de Baltische Zee (handel via hanzesteden).
Oorlog tegen Zweden – Zweden verpletterd bij Poltova (1709).
Westerse oriëntatie: expertise uit buitenland (scheepvaart, architectuur, kunst) → Sint-Petersburg (1703) als “Russisch Versailles”.
Catharina de Grote
Erkenning Russische heerschappij door Zweden (blijvende toegang Baltische Zee).
Inmenging in buitenland: o.a. tijdens de Oostenrijkse successieoorlog in Polen om gebieden in te nemen.
Annexatie van de Krim (tweede helft 18e eeuw tegen Ottomaanse Rijk).
Intellectuele contacten met Franse denkers (Diderot, Voltaire) – liberale verlichtingswaarden sijpelen Rusland binnen.
Nakaz (1769): poging tot codificatie via een wetgevende commissie die alle maatschappelijke klassen zou vertegenwoordigen, maar vroegtijdig ontbonden door een opstand.
Gevolg: recht blijft steunen op gewoonterecht (en strafrecht).
1.5 Rusland in de 19e eeuw
Alexander I (1801–1825)
Deelname aan Europese oorlogen en diplomatie (Congres van Wenen 1815).
Geloof in ordehandhaving door christelijke mogendheden – stichting van de Heilige Aliantie.
Verzet tegen Napoleons ‘Continentaal stelsel’ (handelsembargo tegen Groot-Brittannië).
Mislukte invasie van Rusland door Napoleon (1812).
Russische troepen in Parijs in 1814.
Nicolaas I (1825–1855)
Zelfde autoritaire lijn als Alexander I.
Hulp tegen liberale revoluties:
Belgische Revolutie (1830) – Russische troepen komen niet aan wegens de Poolse Revolutie.
Poolse Revolutie (1830).
Hongaarse Revolutie (1849).
Krimoorlog (1853–1856):
Rusland valt Ottomaanse Rijk aan (toegang tot Middellandse Zee via Zwarte Zee + handel Constantinopel).
Groot-Brittannië en Frankrijk steunen Ottomanen.
Rusland verslagen → verlies toegang tot Zwarte Zee en Middellandse Zee.
Alexander II (1855–1881)
Bereidheid tot hervorming (toegevingen):
Afschaffing van de horigheid (1861) via het Emancipatiemanifest.
Horigheid: boeren verbonden aan grond, lijfstraffen, uitbuiting.
Adel gebruikt inkomsten voor zichzelf – hindert technologische ontwikkeling.
Tegen vergoeding aan grondeigenaars → weinig reële verandering.
Regionale vertegenwoordiging ingevoerd.
Nederlaag Krimoorlog → extra druk voor hervormingen.
Vermoord in 1881 door verdeeldheid en liberale opvattingen in Europa.
Alexander III (1881–1894)
Reactionair en repressief bewind:
Autonomie van regionale regeringen beperkt.
Zuivering van liberale ministers.
Verscherpt staatstoezicht op onderwijs.
Godsdienstige intolerantie.
Verbanningen naar strafkampen in Siberië.
Nicolaas II (1894–1917) – laatste tsaar
Gelovig autocraat.
Verlies oorlog tegen Japan (1904–1905) – Japan was sterk militair ontwikkeld.
Onder liberale druk → gedwongen tot Grondwet 1905.
Grondwet 1905: constitutionele monarchie met tweekamerig wetgevend systeem:
Staatsraad (Eerste Kamer): adviesorgaan, benoemd door tsaar.
Doema (Tweede Kamer): verkozen volksvertegenwoordigers, budgetrecht.
NUANCE: De tsaar roept de Doema zelf bijeen.
Aanhoudende kritiek en protesten → oprichting van sovjets (arbeidersraden als alternatieve vertegenwoordiging).
Intrekking van de wetgevende macht van de Doema → bevestiging van de vorstelijke soevereiniteit + repressie (manifestaties neergeslagen, deportaties).
Bloedige Zondag (22 januari 1905): beschieting van arbeiders nabij het Winterpaleis.
Oprichting van oppositiepartij RSDAP (1898), gebaseerd op marxisme:
Twee fracties:
Mensjewiki (gematigd): hervorming binnen bestaande structuur (liberalen).
Bolsjewiki (radicaal): dictatuur van het proletariaat (communisten).
Rusland heeft een grote groep arme boeren en arbeiders → groter potentieel voor revolutie dan in West-Europa.
HOOFDSTUK 2 – DE FEBRUARI- EN OKTOBERREVOLUTIES (1917)
2.1 Eerste Wereldoorlog en de Februarirevolutie
Slechte leef- en werkomstandigheden, hongersnood.
WO I: inflatie; soldaten (vooral boeren) worden als kanonnenvlees gebruikt.
Militaire tegenslagen (technologische achterstand) – Duitse leger staat aan de poorten van Sint-Petersburg.
Tijdelijke Doema weigert uiteen te gaan → oprichting van nieuwe sovjets (eerst gematigd).
Muiterij en bestorming van het Winterpaleis (27 februari 1917).
Oprichting van het Voorlopig Comité ( = voorlopig bewind):
Opgericht door parlementairen en sovjetleden.
Doel: constitutionele parlementaire republiek met liberale grondwet en grondrechtencatalogus.
Geen hervormingen omdat WO I blijft aanslepen → radicalisering in de sovjets.
Verplichte troonsafstand van tsaar Nicolaas II (2 maart 1917).
2.2 Vladimir Lenin en de Oktoberrevolutie
Lenin na mislukte revolutiepoging naar Finland (zomer 1917), keert terug naar Sint-Petersburg (oktober 1917).
Machtsgreep met Leon Trotski.
Bolsjewiki nemen macht over van de Voorlopige Regering (niet van de tsaar).
NUANCE: De latere bolsjewistische mythe stelt dat het een ‘coup tegen de tsaar’ was, maar feitelijk was de tsaar al afgetreden. De coup richtte zich tegen de Voorlopige Regering.
Revolutionaire maatregelen van Lenin
Pan-Russisch Congres van Sovjets opgericht (afgevaardigden van de sovjets).
Pan-Russisch Centraal Uitvoerend Comité (uitvoerende macht; permanent orgaan met vertegenwoordigers voor efficiënt bestuur).
Sovnarkom (Raad van Volkscommissarissen) – nog kleiner orgaan, geleid door Lenin.
Vergelijkbaar met het Franse Revolutionaire Comité du Salut Public.
Decreet over de Bodem:
Afschaffing van privé-eigendom van onroerende goederen.
Onteigeningen.
Collectief beheer van productiemiddelen door de staat.
Volkssoevereiniteit wordt gehuldigd.
Tsaristisch recht verboden; recht volgt beslissingen van de Sovjetregering en het ‘socialistisch bewustzijn’.
HOOFDSTUK 3 – DE SOVJETUNIE EN DE SOVJETGRONDWETTEN (1917-1989)
3.1 De Grondwetgevende Vergadering
Verkiezingen in november 1917 – democratische voorwaarden (evenredige vertegenwoordiging, inclusief vrouwen).
Tegenvallend resultaat voor de Bolsjewiki (gematigden en radicalen).
Ontbinding begin 1918 met motivering: “het volk is gebrainwasht” (cfr. Franse Revolutie) → nood aan een ‘revolutionaire voorhoede’ (korte dictatuur om de staat naar het communisme te leiden).
Interne burgeroorlog (1917–1922): ‘Roden’ (Bolsjewiki) vs. ‘Witten’ (conservatieven, mensjewieken).
Hongersnood 1921–1922: vijf miljoen doden – leidt zelfs tot kannibalisme.
3.2 De Grondwet van 10 juli 1918
Verklaring van de rechten van het werkende en uitgebuite volk (januari 1918)
Programmatorisch: vestiging van een socialistische samenleving (politieke & economische ordening).
Nationaal:
Afschaffing van klassen en privé-eigendom.
Onteigening en nationalisering van banken, fabrieken, mijnen, transport, productie, natuurlijke rijkdommen.
Gestuurde economie: oprichting van de Opperste Sovjet voor de Nationale Economie.
Universele arbeidsplicht (“om parasiterende lagen van de samenleving uit te roeien”).
Internationaal:
Zelfbeschikkingsrecht van volkeren, verbroedering van arbeiders en boeren = algemene oproep om zich aan te sluiten bij de revolutie en bij Rusland.
Opzegging van internationale regelingen (bv. banktransacties van de tsaar en adel) – internationale verdragen worden gezien als onderdrukking afgesloten met de tsaar en moeten verdwijnen.
Integratie van de Vrede van Brest-Litovsk (3 maart 1918) – afgesloten door Lenin en de Centrale Mogendheden:
Rusland trekt zich terug uit de Baltische Staten, Oekraïne en Polen.
Rusland verliest 1 miljoen km² (26% van zijn grondgebied) → onvrede.
Fundamentele Wet van de Russische Socialistische Federatieve Republiek (juli 1918)
Richt een dictatuur van het proletariaat in, gericht op de belangen van de arbeidersklasse.
Formeel: waarborgen van liberale rechten, maar voorwaardelijk.
Absolute gelijkheid: privileges afgeschaft.
Vrijheid van godsdienst (religie = “opium van het volk”) → proletariërs “ontketenen”.
Gratis politieke opvoeding van boeren door de staat.
Werken (direct of indirect productie mogelijk maken) = recht én plicht.
Wie werkt → recht op eten, stemrecht, enz.
Wie niet werkt (bankiers, renteniers, clerus, enz.) → uitgesloten van deze rechten (geen sociale zekerheid).
Verboden om rechten te gebruiken tegen de collectiviteit en tegen de Socialistische Revolutie.
Machtsstructuur: concentrische cirkels van macht – geen scheiding der machten
Orgaan | Kenmerken |
|---|---|
Pan-Russisch Congres van Sovjets | Theoretisch opperste macht; komt min. 2x per jaar samen. |
Pan-Russisch Uitvoerend Comité | 200 leden; oefent macht uit wanneer Congres niet zetelt; wetgevende, uitvoerende én controlerende macht; in theorie verantwoording aan het Congres. |
Sovnarkom (Raad van Volkscommissarissen) | Centrum van de macht. Commissariaten ~ klassieke ministeries. Eigen verordenende bevoegdheid “noodzakelijk voor geëigende en snelle gang van regeringszaken”; beslissingen worden “meegedeeld” aan het Comité. |
Geen scheiding der machten – dat wordt beschouwd als een ‘bourgeois instrument’ tot onderdrukking van het proletariaat.
Machtsconcentratie leidt tot schendingen van rechten en regressie (in plaats van progressie zoals in West-Europa).
Eén week na afkondiging van de Grondwet: moord op de tsarenfamilie (vóór een schijnproces).
3.3 De Grondwet van 31 januari 1924
Lenin kiest voor een internationaal perspectief:
Strijd van het communisme heeft alleen zin op globaal (internationaal) niveau (volgens Lenin).
Verbroedering van proletariërs.
Mikken op Duitsland en Frankrijk (waar het communisme/bolsjewisme relatief sterk aanwezig is).
Oprichting van de USSR (Unie van Sovjet Socialistische Republieken).
Nieuwe staatsstructuur – uitbreiding van het Uitvoerend Comité → nieuw vertegenwoordigend systeem:
Federale Sovjet: vertegenwoordigt het algemeen belang van de USSR (ongeacht nationaliteit).
Sovjet der Nationaliteiten: vertegenwoordigt de belangen van de nationale republieken.
3.4 De Grondwet van 5 december 1936 (Stalin)
Stalin komt aan de macht eind jaren 1920, volgt Lenin op (1924).
Machtstrijd Stalin vs. Trotski:
Uitzetting van Trotski uit de partij (1927) en uit de USSR (1929).
Voert oppositie vanuit Mexico, leidt tot eliminatie van Trotski (1940).
Stalin voert een nieuwe grondwet in (1936):
“Socialisme in één land” (politiek realisme (Real Politik), in tegenstelling tot Lenin & Trotski die het communisme wereldwijd wilden uitdragen).
Expansie naar de onmiddellijke omgeving in Oost- en Centraal-Europa, de Kaukasus, Centraal-Azië – vergelijkbaar met de politiek van de tsaren.
Versterking van de opvatting van ‘concentrische cirkels van macht’.
Regime van gewetenscontrole en terreur:
Zuiveringspolitiek.
Schijnprocessen.
Verklikking en zelfincriminatie.
Deportaties naar strafkampen (Goelag).
Zelfs nauwste medewerkers zijn niet veilig.
De jure: partijstructuur staat naast de formele bestuurlijke structuur.
De facto: partijstructuur is volledig geënt op de bestuurlijke structuur. (zie piramide in ppt)
VERDIEPING – Damnatio memoriae: Nikolai Yezhov (hoofd van de geheime politie, verantwoordelijk voor de liquidatie van oude bolsjewieken en de Goelag) werd na zijn eigen liquidatie weggeveegd uit het collectieve geheugen – systematisch verwijderd van foto’s (damnatio memoriae).
3.5 De Tweede Wereldoorlog
Molotov-Ribbentrop-pact (1939) tussen de Sovjetunie en Nazi-Duitsland:
Non-agressiepact (ideologie wordt opzijgezet voor realisme).
Verdeling van Polen na de inval door Duitsland en Rusland.
Sovjetunie breidt haar invloedsfeer uit naar de Baltische Staten.
1941: Nazi-Duitsland valt de Sovjetunie toch binnen:
Pogroms achter de Duitse linies.
Stalin is technisch en militair niet voorbereid.
Miljoenen Sovjetsoldaten als kanonnenvlees → stilstand van de Duitse troepen bij Stalingrad (eind 1942).
Symbolische overwinning: zelfopoffering van het Russische volk (parades op ‘Overwinningsdag’, 9 mei).
Iconische foto: soldaten van het Rode Leger hijsen de Sovjetvlag op de Duitse Rijksdag (30 april 1945, tijdens de Slag om Berlijn).
HOOFDSTUK 4 – DE RUSSISCHE FEDERATIE (1993 – HEDEN)
4.1 Het uiteenvallen van de USSR
Na Stalin: Chroesjtsjov, Brezjnev, Andropov
Illusie van Sovjet-grootmacht door economische malaise, intellectuele onderdrukking (verbod op kritiek), corruptie.
USSR loopt technologisch achter en verliest de wapenwedloop met de VS.
Helsinki-akkoorden (1975)
eerste stappen naar détente
USSR wil legitimatie van de bezetting van Oost-Europa.
Onderhandelingen → verklaring van de USSR: erkenning van het belang van mensenrechten.
Gevolg: dat wordt argumentatieve munitie voor dissidenten.
Nieuwe Grondwet van 7 oktober 1977 (onder Brezjnev)
Bijwerking van de Grondwet van 1936.
Vermindering naar 15 unierepublieken met verregaande bevoegdheden en autonomie (residuaire bevoegdheden, constitutieve bevoegdheden, bevoegdheid tot het voeren van buitenlandse betrekkingen).
Maar autonomie is een lege doos: heel veel bevoegdheden zijn toegewezen aan de Unie, (lees: er zijn dus geen residuaire bevoegdheden) .
Conflictregel: unierecht primeert boven het recht van de republieken.
Michail Gorbatsjov (partijleider vanaf 1985)
Wil moderniseren (door achterstand) via:
Glasnost (openheid naar het buitenland).
Perestrojka (economische hervormingen): aanmoedigen v. privé initiatief.
Nieuwe Grondwet 1988: president met ceremoniële functie, maar het blijft een éénpartijsysteem.
Openingen voor dissidente bewegingen → onbedoelde aanmoediging van nationalisme in de satellietstaten.
Internationaal begin van het uiteenvallen van de Sovjetunie
Val van de Berlijnse Muur (9 november 1989) en uiteindelijk het Ijzeren Gordijn.
Golf van onafhankelijkheidsverklaringen van republieken, gebaseerd op het zelfbeschikkingsrecht om uit de Federatie te stappen.
Oprichting van de Unie van Soevereine Sovjetrepublieken (begin 1991).
Mislukte staatsgreep van communistische hardliners (zomer 1991) → eenzijdige onafhankelijkheid van sovjetrepublieken.
Oprichting van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS):
Vervangt de Sovjetunie.
Eigenlijk een intergouvernementele organisatie.
Overeenkomsten inzake economisch beleid, defensie, buitenlandpolitiek.
In Rusland zelf
Onafhankelijkheid van de Sovjetunie afgeroepen in 1990.
Oprichting van de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek.
Boris Jeltsin verkozen als president.
Mislukte staatsgreep zomer 1991: Jeltsin schort de werking van de Communistische Partij op.
Dit betekent het verdwijnen van de USSR van binnenuit (via Communistische Partij → Rusland → USSR).
Jeltsin wil radicale hervormingen + markteconomie → verzet van communisten in het Parlement (nuace: zie vorig bolletje CP bestaat niet meer).
Parlement wil Jeltsin afzetten → Jeltsin organiseert een succesvol referendum voor politiek vertrouwen (25 april 1993).
Jeltsin laat een constituante samenkomen voor een nieuwe Grondwet → verworpen door het Parlement.
Constitutionele crisis → Jeltsin pleegt een auto-coup:
Ontbinding van het parlement.
Bestorming van het parlementsgebouw door het leger.
Nieuwe Grondwet wordt bij referendum aangenomen.
4.2 De Grondwet van 1993 en de vestiging van de Russische Federatie
Basisprincipes (twee basisopvattingen)
Democratische legitimiteit van de staatsmacht. (zie tabel in ppt)
Economische overgang naar een markteconomie:
Vrijemarktprincipe expliciet ingevoerd.
Waarborgen van individuele eigendom.
Staatsstructuren
Macht | Orgaan | Functie |
|---|---|---|
Wetgevend | Federale Assemblée | Staatsdoema (vertegenwoordigt het “multinationale volk van de Russische Federatie”) + Raad van de Federatie (vertegenwoordigt de deelstaten) |
Uitvoerend | President + Regering | Regering voert beleid uit, geleid door de Premier (benoemd door de President), gecontroleerd door de Staatsdoema via vertrouwen/wantrouwen. Uitvoeringsbesluiten en reglementen staan onder de wet. |
Rechterlijk | Rechtbanken en hoven | Verbod op buitengewone rechtbanken. Rechters benoemd, onafhankelijk, onafzetbaar. |
Uitvoerende macht: de President (semi-presidentieel systeem)
Vertegenwoordiger van de Federatie (intern en extern).
Zet de richtlijnen uit van het binnen- en buitenlands beleid.
Benoemt de Premier en andere leden van de hoogste staatsorganen.
Rechtstreeks verkozen voor 6 jaar, maximum 2 ambtstermijnen.
NUANCE: Dit maximum is omzeild via ‘haasje-over’ tussen Poetin en Medvedev.
Kan de Staatsdoema ontbinden of een referendum uitschrijven.
Wetgevend initiatiefrecht (niet zo in Frankrijk).
Opperbevelhebber van de Russische gewapende macht.
Kan staat van beleg en noodtoestand afkondigen (art. 87-88).
Opschortend vetorecht (2/3 meerderheid in de Staatsdoema nodig om het veto ongedaan te maken).
Mogelijkheid tot afzetting.
Rechterlijke macht
Verbod op buitengewone rechtbanken.
Rechters zijn benoemd, onafhankelijk, onafzetbaar.
Opperste Gerechtshof:
Vergelijkbaar met het Hof van Cassatie voor burgerlijk en strafrecht.
MAAR met wetgevend initiatiefrecht (uitzonderlijk).
Grondwettelijk Hof:
Beoordeelt de conformiteit van wetskrachtige normen aan de Grondwet.
Behandelt klachten over schendingen van rechten en vrijheden.
4.3 Rusland sinds 2000
Afstappen van internationaal recht
Stelselmatig afgestapt van internationaal recht.
Wet 2015: Grondwettelijk Hof mag uitspraken van het EHRM naast zich neerleggen (Grondwet > EVRM).
Tsjetsjeense oorlogen
Eerste Tsjetsjeense Oorlog (1994–1996): onafhankelijkheidsverklaring; Russische troepen komen om “de grondwettelijke orde te herstellen”.
Tweede Tsjetsjeense Oorlog (1999–2009): instabiliteit door separatistische islamistische milities.
Grondwetshervormingen (vier sinds invoering Grondwet 1993)
Jaar | Inhoud |
|---|---|
2008 | Verlenging van de ambtstermijn van de President en de Staatsdoema. |
2014 | Aanhechting van de Republiek van de Krim (na vermeende onafhankelijkheid). |
2020 | Afschaffing van het maximum aantal termijnen voor de President; opheffing van de scheiding tussen Kerk en Staat; heteroseksueel huwelijk ingeschreven in de grondwet. |
2022 | Aanhechting van vier oblasten (provincies): Donetsk, Cherson, Loehansk, Zaporizja. |
KERNPUNTEN
Periode | Kenmerkende rechts- & staatsvorm | Belangrijkste elementen |
|---|---|---|
Tsaristisch Rusland (tot 1917) | Autocratie, gewoonterecht, geen codificatie | Autocratie, gewoonterecht, Europese expansie, Emancipatiemanifest (1861), Grondwet 1905 (Doema) |
Revoluties 1917 | Februarirevolutie → val monarchie; Oktoberrevolutie → Bolsjewiki aan de macht | Machtsgreep Bolsjewiki, afschaffing tsaristisch recht, Sovnarkom, Decreet over de Bodem, dictatuur van het proletariaat |
Sovjetunie (1917–1989) | Opeenvolgende grondwetten (1918, 1924, 1936, 1977) | Dictatuur proletariaat (1918), concentrische machtscirkels, oprichting USSR (1924), Stalinisme & terreur & ‘socialisme in één land’ (1936), schijnautonomie republieken (1977) |
Uiteenvallen USSR | Glasnost, perestrojka, onafhankelijkheidsverklaringen, Jeltsin | Val Berlijnse Muur (1989), ontbinding Communistische Partij, auto-coup Jeltsin (1993) |
Russische Federatie (1993–heden) | Liberale grondwet, semi-presidentieel systeem, markteconomie, recente afbouw internationale rechtsorde | Grondwet 1993, sterke president, Grondwettelijk Hof, hervormingen 2008–2022 (Krim, termijnen, kerk-staat, Donetsk e.a.), Tsjetsjeense oorlogen |