Exhaustieve Begrippenlijst Filosofie: Van de Oudheid tot de Moderniteit

Fundamentele Begrippen en Klassieke Logica (A-C)

  • Abstractie: Het proces waarbij wezenlijke kenmerken worden 'getrokken' (geabstraheerd) uit concrete waarnemingen met als doel om tot universele kennis te komen.

  • Ahôraton: Een term die 'onwaarneembaar' betekent. Dit wordt beschouwd als het belangrijkste kenmerk van Chora, aangezien het medium zelf geen specifieke visuele vorm aanneemt.

  • Amor fati: Betekent 'bemin je lot'. Dit is de radicale oproep van Friedrich Nietzsche om het leven in zijn geheel te aanvaarden en te omarmen, inclusief alle aspecten van lijden en innerlijke tegenstrijdigheid.

  • Anamnese: De theorie van 'wederherinnering'. Deze stelt dat rationele kennis in essentie het proces is van het herinneren van wat de ziel reeds wist toen deze zich nog in de Ideeënwereld bevond.

  • Anankè: De definitie van materie als 'Noodzaak' of 'gebrek'. Dit principe is verantwoordelijk voor de imperfecties die we in de wereld zien en typeert het weerbarstige karakter van de fysieke stof.

  • Animal rationale: De klassieke definitie van de mens zoals geformuleerd door Aristoteles: de mens als een redelijk of rationeel dier.

  • Binair denken: Behorend tot de klassieke westerse logica, waarbij het principe geldt dat iets oftewel aa is, oftewel niet-a\text{niet-}a is. Binnen dit strikte schema is er geen ruimte voor een 'uitgesloten derde', zoals het concept Chora.

  • Breuk met de Middeleeuwen: Belichaamd door het concept van de Tabula rasa bij René Descartes. Dit houdt in dat bij de zoektocht naar de waarheid niet langer wordt gesteund op traditie, de kerkelijke autoriteit of het idee van kosmische harmonie.

  • Chora: Het abstracte ruimteconcept van Plato. Het fungeert als het neutrale medium of de 'schoot' die de materiële verschijning van fysieke objecten mogelijk maakt.

  • Chora (ruimtelijk): Etymologisch gedefinieerd als de zone die een specifiek ding inneemt; datgene waar een lichaam doorheen beweegt. Dit begrip is ruimer en abstracter dan het begrip 'topos'.

  • Contingent: De eigenschap van het vergankelijke, toevallige of tijdelijke. Het verwijst naar datgene wat evengoed niet had kunnen bestaan, een fundamenteel kenmerk van alle materiële zaken.

Metafysische Systemen en Kennistheorie (D-E)

  • Deductie: Een vorm van logische redenering waarbij men vertrekt vanuit een algemeen concept of een vaststaand principe om op basis daarvan tot een specifieke en noodzakelijke conclusie te komen.

  • Diastasis: Een term voor extensie of uitgebreidheid. Volgens Aristoteles kan dit nooit losstaan van de concrete, waarneembare dingen zelf.

  • Dionysisch / Apollinisch: De twee fundamentele levensdimensies bij de vroege Grieken. Het Dionysische staat voor chaos, de roes en ongetemde levenslust; het Apollinische representeert orde, maat en de rationele beheersing.

  • Doxa: Betekent mening of schijn. Het verwijst naar kennis die veranderlijk is en gebonden aan een specifiek perspectief, voortkomend uit zintuiglijke waarneming.

  • Dualisme (Descartes): De strikte filosofische scheiding tussen de Res cogitans (de denkende, immateriële geest) en de Res extensa (de ruimtelijk uitgebreide materie).

  • Dualisme (Plato): De tweedeling van de werkelijkheid in twee sferen: de transcendente Ideeënwereld aan de ene kant en de lagere, zintuiglijk waarneembare materiële wereld aan de andere kant.

  • Episteme: De term voor echte, universele en noodzakelijk ware kennis. Deze vorm van kennis is rechtstreeks gericht op de onveranderlijke Ideeën.

  • Epistemologie: Ook wel de kennisleer genoemd. Dit is de filosofische discipline die de totstandkoming van betrouwbare kennis en de grenzen daarvan onderzoekt.

  • Erfenis (Descartes): Verwijst naar het 'Mind-body probleem', de nog steeds onopgeloste vraag hoe de immateriële menselijke geest kan interageren met het materiële lichaam.

Ontologie, Ruimte en Moderne Filosofie (G-K)

  • Genius loci: De 'geest van een plek'. Het duidt op de unieke en niet-inwisselbare atmosfeer van een specifieke locatie, die gevormd is door geschiedenis en de manier waarop mensen er wonen.

  • Grondlegger moderne filosofie: Deze status wordt aan Descartes toegekend omdat hij het menselijke subject (het 'ik') centraal stelde als het fundamentele startpunt voor de analyse van de wereld.

  • Hinterwelt: Letterlijk 'achter-wereld'. Het is de fictieve, stabiele schijntoestand (zoals bijvoorbeeld de hemel) die Platonisten en christenen volgens Nietzsche uit angst voor het leven verzinnen voorbij dit leven.

  • Hylemorphisme: De ontologie van Aristoteles, die stelt dat elk concreet object een onafscheidbare eenheid vormt van stof (hulè) en vorm (morphè).

  • Hypodochè: Betekent 'opneemster van het wordende'. Een metafoor van Plato om Chora te beschrijven als een receptakel of drager die materiële verschijningen ontvangt.

  • Idee / eidos: De eeuwige, transcendente en onveranderlijke essentie van een soort. Deze essenties zijn uitsluitend kenbaar via het menselijk verstand.

  • Inductie: Een empirische methode van redeneren waarbij men op basis van een reeks concrete waarnemingen zoekt naar een algemene wetmatigheid of regel.

  • Intelligibilia: De immateriële entiteiten die enkel via het verstand kenbaar zijn, specifiek verwijzend naar de Ideeënwereld van Plato.

  • Kennistheorie (Descartes): De filosofische aanname dat werkelijke kennis uitsluitend wordt verkregen uit objectieve, wiskundig meetbare en kwantificeerbare eigenschappen.

  • Kenon: De absolute leegte. Aristoteles beschouwde dit als een problematisch begrip dat voortkomt uit een taalkundige vergissing.

Methodologie, Existentialisme en Mensbeeld (L-P)

  • Locomotie: Plaatsbeweging of de fysieke verplaatsing van lichamen. Dit vormt de noodzakelijke empirische basis voor het begrijpen van het concept 'plaats'.

  • Maieutiek: De 'verloskunde' methode van Socrates. Dit is een dialectische techniek waarbij men via gerichte vraagstelling sluimerende inzichten in een ander naar boven laat komen (laat 'geboren' worden).

  • Mimêma: Nabootsing of afbeelding. Het duidt op de status van een materieel ding als een gebrekkige en zintuiglijke kopie van de perfecte Idee.

  • Monisme (Aristoteles): De visie dat er slechts één werkelijkheid bestaat, waarbij de essenties (de vormen) zich binnen de materiële dingen zelf bevinden.

  • Nihilisme (actief): Een vitale instelling waarbij men bestaande, waardeloos geworden waarden radicaal vernietigt om vervolgens krachtige, nieuwe waarden te scheppen.

  • Nihilisme (reactief): Een decadente houding die Nietzsche toeschrijft aan het christendom, waarbij aardse waarden worden ontwaard zonder dat er nieuwe waarden voor in de plaats komen.

  • Nous: Het intellectuele, geestelijke of ideële principe dat staat voor de intelligibele orde die achter de werkelijkheid schuilgaat.

  • Ontologie: De zijnsleer; de tak van de filosofie die onderzoekt wat 'zijn' precies inhoudt en welke entiteiten als werkelijk reëel kunnen worden aangemerkt.

  • Paradigma: Het volmaakte model of het origineel. De rol die de Idee vervult ten opzichte van de materiële nabootsingen in de zintuiglijke wereld.

  • Panta rhei: De procesfilosofie van Herakleitos ('alles stroomt'). Het stelt dat voortdurende verandering, flux en strijd de ware natuur van de kosmos vormen.

  • Participatie: De relatie waarbij materiële dingen 'deelhebben' aan hun transcendente Idee, wat hen voor de mens herkenbaar en benoembaar maakt.

  • Perspectivisme: De kennistheorie van Nietzsche: er is geen objectieve waarheid buiten een specifiek standpunt. Er bestaan geen feiten, enkel interpretaties vanuit een perspectief.

  • Potentie / Act: Het dynamische proces van de overgang van bruikbare aanleg (dunamoi) naar de feitelijke realisatie of actualisatie (energeia).

Ethiek, Transcendentie en Esthetiek (R-W)

  • Ressentiment: De wrok van de zwakken voortkomend uit onmacht en afgunst. Volgens Nietzsche is dit de psychologische motor achter de christelijke slavenmoraal.

  • Sensibilia: De zintuiglijk waarneembare, ruimtelijke, materiële en vergankelijke zaken die in de lagere wereld bestaan.

  • Sôma sèma: De gedachte dat "het lichaam een graf" is (orfisch-platoons-socratisch); de visie dat het fysieke lichaam een kerker is waarin de ziel gevangen zit.

  • Substantivering: Een taalkundig proces waarbij een eigenschap (adjectief) ten onrechte wordt getransformeerd in een zelfstandig naamwoord, wat leidt tot het ontstaan van schijnconcepten.

  • Tabula rasa: Betekent 'een schone lei'. Het staat voor het volledig leegmaken van een startpunt, zowel ruimtelijk (in modernistische architectuur) als intellectueel (bij Descartes).

  • Teleologie: De aanname dat elk natuurlijk ding een doel heeft en inherent streeft naar zijn eigen eindpunt of volmaakte realisatie (telos).

  • Topos: De concrete en relationele plaats van een lichaam, gedefinieerd als de direct omsluitende buitenrand rondom dat specifieke object.

  • Transcendent: Verwijst naar het overstijgende karakter van Plato's Ideeënwereld; de essenties bevinden zich buiten, boven en los van de materiële werkelijkheid.

  • Triton genos: De 'derde soort'. De status die aan Chora wordt toegekend omdat het niet past binnen de traditionele tweedeling tussen Idee en materie van Plato.

  • Übermensch: Het ideaalbeeld van de mens volgens Nietzsche: een onafhankelijk individu dat de levensstroom volledig omarmt en soeverein zijn eigen waarden creëert.

  • Wereldbeeld (Descartes): De mechanisering van het wereldbeeld. De natuur en de kosmos worden gezien als een zielloos, mathematisch voorspelbaar uurwerk zonder enige vorm van bezieling.

  • Wil tot macht: De fundamentele oerdrang (Wille zur Macht) die inherent is aan alles wat leeft om te groeien, zich te manifesteren en te overheersen.

  • Het sublieme: Een esthetische ervaring van het onmetelijke, overweldigende of bedreigend-grote, wat wezenlijk verschilt van het rustgevende en harmonieuze 'schone'.