hoofstuk 11 goede

11.1

leerdoelen

1. je beschrijft een gezond voedingspatroon en de gevolgen van een ongezond voedingspatroon

Bij een gezond voedingspatroon stemmen mensen hun voeding af op hun energieverbruik en op de hoeveelheid voedingstoffen die ze nodig hebben. Ontbreekt die afstemming, dan kunnen welvaartsziekten of gebreksziekten ontstaan.

2. je noemt de voedingstoffen en hun functies

koolhydraten en vetten zijn vooral energiebronnen, vetten zijn ook bouwstof. Water is bouwstof, transportmiddel, oplosmiddel en warmtebuffer. Vitaminen en mineralen zijn vooral regelstoffen en beschermende stoffen. Voedingsvezels (onverteerbare plantaardige koolhydraat moleculen) kunnen niet verteerd worden, maar houden de ontlasting soepel en stimuleren de darmperistaltiek( de samentrekking van spieren van het darm kanaal).

3. je beschrijft wat additieven zijn en berekent via hun ADI-waarde mogelijke gezondheidsrisico’s

Fabrikanten van voedingsmiddelen voegen goedgekeurdestoffen als additief toe ter verbetering van hun product. De ADI-waarde van een additief geeft aan hoeveel mg/kg lichaamsgewicht je mag binnenkrijgen zonder risico te lopen op gezondheidsschade

4. andere belangrijke dingen

-voedselallergie is een heftige reactie op een normale voedingstof. Wanneer iemand met een voedsel allergie, dit specifieke voedingstof toch eet dan komt in hun lichaam de stof histamine vrij. Wat zorgt tot een allergische reactie. oplossing is om te vermijden

termen

voedingstoffen; essentiële stoffen die ons lichaam nodig heeft om goed te functioneren

gebrekziekte; ziektes die worden veroorzaakt door gebrek aan bepaalde vitaminen of minaralen

koolhydraten; voedingsstof die dient als brandstof en bouwstof

brandstof; leveren energie in de vorm van ATP

bouwstof; stoffen die je nodig hebt om cellen te maken

reservestof; stof die je lichaam opslaat om later te gebruiken

vetten; voedingsstof die dient als brandstof en bouwstof voor membranen en hormonen, maar dienen ook als warmte-isolatie. je lichaam slaat vetten op als reservestof

eiwitten; voedingsstof die dient als bouwstof en brandstof. je kunt eiwitten niet opslaan

water; voedingsstof dient als bouwstof, transportmiddel, oplosmiddel en warmtebuffer.

mineralen; voedingsstof die dient als bouwstof en spelen een rol bij verschillende processen in het lichaam. mineralen waar je weinig van nodig hebt zijn spoorlelementen

vitaminen; essentiële voedingstoffen die het lichaam in kleine hoeveel heden nodig heeft. Het zijn regelstoffen/ beschermende stoffen. helpen ziektes voorkomen

voedingsvezels; onverteerbare plantaardige koolhydraatmoleculen

darmperistaltiek; de samentrekkingen van spieren van het darmkanaal

voedselallergie; een heftige reactie op een normale voedingsstof

11.2

leerdoelen

4. je beschrijft het verschil tussen mechanische verkleining en chemische vertering en het transport van voedsel door het darmkanaal

Via mechanische verkleining met hun gebit vermalen mensen en dieren hun voedsel tot kleine stukken, waarbij de moleculen onveranderd blijven. Bij chemische vertering breken enzymen de macromoleculen in de kleine voedselbrokjes af tot kleine opneembare moleculen.

paristaltische bewegingen van lengte- en kringspieren duwen de voedselbrij door het maag-darmkanaal

5. Je licht de functie(s) toe van organen die betrokken zijn bij de vertering

Speekselklieren, maagklieren, de alveesklier en klieren in de dunne darm leveren enzymen voor de vertering van de voedingstoffen in het verteringskanaal. Enzymen uit de maagwandklieren en de alvleesklier beïnvloeden de pH in het verteringskanaal en activeren eiwitsplitsende enzymen.

In de dunne darm vindt opname van verteringsproducten uit de darminhoudnplaats en in de dikke darm wateropname.

6. je beschrijft de rol van darmbacteriën

Darmbacteriën in de blindedarm en dikkedarm hebben meestal een positieve invloed op je lichaam. Sommige soorten breken cellulose af, andere soorten maken vitamine K of versterken het immuunsysteem

andere belangrijke dingen

volgorde vertering

mond

slokdarm

maag

twaalfvingerige darm

dunnedarm

dikkedarm

endeldarm

termen

mechanische verkleining: het vermalen van voedsel tot kleinere stukken, waardoor er een grotere oppervlakte ontstaat.

vertering; het proces waarbij voedsel wordt afgebroken tot kleinere moleculen voor energie, groei en herstel.

verteringssappen; hier zitten enzymen in

chemische vertering; De afbraak van macromoleculen uit je voeding door enzymen

maag-darmkanaal;

lengtespieren; spieren in het maag-darmkanaal die voor het voedsel samen trekken om ruimte te maken

kringspieren; spieren in het darm-maagknaal die achter het voedsel samen trekt om het naar voren te schuiven. Deze zitten ook boven en onder aan de maag om te zorgen dat het maag zuur niet terug naar boven gaan.

speekselklieren; klieren in de mond die speeksel aan maken, waar enzymen in zitten

pro-enzym: Een pro-enzym, of zymogeen, is een inactieve vorm van een enzym die in cellen wordt opgeslagen. Het vereist specifieke veranderingen, zoals splitsing of pH-verandering, om actief te worden. Activering zorgt voor enzymactiviteit en beschermt tegen celbeschadiging of vroegtijdige reacties.

twaalvingerige darm; het eerste deel van de dunne darm

lever/galblaas;

alvleesklier; hier word alvleessap gemaakt, waar amylase in zit, maar ook HCO3-. Dit zorgt er voor de pH in de twaalfvingerigedarm steigt tot ongeveer pH van 8

dunne darm; darmsapklieren geven hier veel enzymen af, waardoor er moleculen ontstaan die klein genoeg zijn om een cel membraan te passeren.

verteringsproducten;

dikke darm: hier word de rest van het water opgenomen

blinde darm: de dikke en de dunnen darm gaan niet rechtstreek naar een ander, waardoor er een deel overblijft, dit is de blinde darm. Hier worden ook darmbacteriën vast gehouden

endeldarm of rectum; hier sla je ontlasting op

darmbacteriën; bacteriën in je darmen die vaak een positief effect hebben. Samen met schimmels en virussen is het je darmmicrobioom.

appendix; worm vormig hangsel bij je blindendarm, waar bacteriën aanwezig blijven.

11.3

leerdoelen

7. Je legt uit hoe enzymen werken, legt het verband uit tussen de vorm en de functie van enzymen en beschrijft de naam geving

Enzymen verlagen de activeringsenergie van een bepaald type reactie. Het enzym en het bijbehorende substraat vormen een enzymsubstraatcomplex waar een binding in het substraatmolecuul breekt. Door zijn specifieke vorm kan één type enzymmolecuul met maar één type substraatmolecuul reageren. Enzymen zijn vernoemd naar hun substraat en hebben de uitgang -ase.

8. Je legt de invloed van de temperatuur en de pH op de snelheid van een enzymreactie uit aan de hand van optimumkrommen

Enzymreacties hebben een optimumwaarde voor temperatuur en pH. Bij een lage temperatuur duurt het langer voor er een enzymsubstaatcomplex ontstaat. Een temperatuurstijging versnelt de koppeling van het enzym met het substraat. Bij een te hoge temperatuur gaan enzymmoleculen onomkeerbaar stuk, bij een niet optimale pH vervormen de enzymen.

9. je beschrijft de vertering van de macromoleculen en de invloed die de pH daarop heeft.

Diverse verteringsenzymen breken in vaste, opeenvolgende stappen poly- en disachariden af tot monosachariden, eiwitten tot aminozuren en nucleïnezuren tot nucleotiden. De optimum-pH van diverse verteringsenzymen verschilt. Door de verschillen in de pH in het maag-darmkanaal zijn in de diverse delen verschillende enzymen actief

andere belangrijke dingen

termen

enzymen;

eiwitten die een bepaalde reactie versnellen zonder zelf te veranderen

katalysator;

enzymsubstraatcomplex;

gevorm door het substraatmolecuul en het enzymmolecuul

substraat;

is het speciefieke deeltje die bij de specifieke enzym hoort.

denatureren;

Denaturatie is de verandering van de natuurlijke eigenschappen van een eiwit, meestal om het ongeschikt te maken voor zijn oorspronkelijke functie. Dit kan gebeuren door warmte, veranderingen in pH of blootstelling aan bepaalde chemicaliën. Denaturatie verstoort de structuur van het eiwit, waardoor het zijn functionele vorm verliest en mogelijk biologisch inactief wordt. Gedenatureerde eiwitten kunnen niet langer hun beoogde rol vervullen in cellulaire processen of interacties met andere moleculen.

optimumkromme;

grafiek waarbij word weer geven wat de optimum pH of temperatuur is van een specifiek enzym.

enzymen voor de koolhydraatvertering;

gebeurd in twee stappen. 1. door amylase in speeksel en alvleessap wat deel van zetmeelmolecuul veranderd tot maltose 2. maltase in darmsap, wat maltose tot glucose veranderd.

polysachariden:

polymeer gevormd uit grote aantallen gekoppelde glucosemoleculen, zetmeel

disacharide;

twee aan elkaar gekoppelde molculen, maltose

monosachariden;

eindproduct van de koolhydraatvertering, glucose, fructose, galactose.

enzymen voor de eiwitvertering

aminozuren

11.4

leerdoelen

10. Je beschrijft de vertering van vetten door lipase en de bijdrage van gal daarvan

Lipase verbreekt de verbindingen tussen glyserol en de vetzuren in een vetmolecuul. De lever maakt gal. Gal bevad onder andere galzouten en afbraakproducten van rode bloedcellen. De gal zouten emulgeren de vetten, waardoor een emulsie ontstaat. Door de vergroting van het vetoppervlak kan lipase de vetten sneller afbreken. Via de poortader komen galzouten weer opnieuw in de lever voor hergebruik.

11. Je beschrijft de bouw van de lever en de aan- en afvoer van stoffen

De lever bestaat uit een groot aantal leverlobjes. Elk leverlobje ontvangt bloed uit vertakkingen van de leverslagader en de poort ader. Het bloed omspoelt de levercellen in de sinusoïden binnen de leverlobjes. Bloed verlaat een leverlobje via een vertakking van de leverader. Gal verlaat via een galgang het leverlobje en gaat vervolgens via een galgang naar de galblaas en de twaalfvingerige darm.

termen

glycerol; de stof waar veel vetmoleculen door zijn opgebouwd met daaraan gekoppelde vetzuren

onverzadigd vetzuur; vetzuur die een of meer dubbelbinding heeft in de vetzuurstaart

verzadigd verzuur; geen dubbele bindingen in de vetzuurstaart

enzym voor de vetvertering: lipase, het verbreekt de binding tussen glycerol en de vetzuren door hydrolyse. komt uit alveessap

hydrofoob; lost niet op in water

apolair; moleculen met een gelijkmatige ladingverdeling. apolair molecuul “plakt” niet aan een polair molecuul maar wel aan een apolair

polair; molecuul met geen gelijkmatige ladingverdeling. een polair molecuul “plakt” niet aan een apolair molecuul maar wel aan een polair

gal; helpt lipase om vetten in een waterige omgeving te verteren, bestaat uit water bilirubine en galzouten. wordt geproduceerd in de lever

galblaas; de opslagplaats voor gal

galzouten; word gemaakt uit cholesterol. galzouten hebben een polair en een apolair deel, hierdoor binden ze aan de vetten en water. het vergroot zo de oppervlakt van het vet.

emulgeren; het ontstaan van emulsie, een mensel van vet en water.

galkleurstof; bilirubine, dit word afgebroken in de dikkedarm door bacteriën, waardoor ontlasting een bruine kleur krijgt

leverslagader;

poortader;

leverlobjes; de functionele eenheden van de lever

sinusoïden; bloedruimte in de leverlobjes, waarin bloed van de leverslagader en de poortader samen komt.

leverader;

galbuis; leverd gal aan de galblaas

11.5

leerdoelen

12. je legt het verband uit tussen de bouw van de dunne darn en zijn opnamecapaciteit.

In de dunne darm nemen darmepitheelcellen de voedingsstoffen op. De opnamecapaciteit van de dunne darm is groot door plooien, darmvlokken en microvilli. Thight junctions verhinderen ongewenst transport van stoffen en bacteriën tussen darmepitheelcellen door, het inwendige milieu in.

13. Je beschrijft de opname van wateroplosbare en vetoplosbare voedingsstoffen

Wateroplosbare voedingsstoffen gaan via het darmepitheel en de weefselvloeistof naar het bloed.

Vetoplosbare stoffen gaan voor een deel verpakt als chylmicronen vanaf de dunne darm via lymphen vaten naar het bloed.

14. Je beschrijft de bijdrage van de lever aan de verwerking van vetachtige stoffen

Levercellen nemen vetzuren op. bewerken ze en maken ze klaar voor transport via het bloed naar de rest van het lichaam. Dit gebeurt met behulp van meerdere typen lipoproteïnen. HDL-deeltjes transporteren chlesterol uit de bloedbaan naar de lever. LDL-deeltjes geven juist cholesterol af.

termen

darmvlokken

resorptie: de opname van voedingsstoffen, dit vind vooral plaats door transporteiwitten

celljunctions; tight junctions, cellen staan strak met elkaar verbonden om zo een ondoordringbare laag tussen het darmlumen en het inwindigmileu te maken

wateroplosbare voedingsstoffen; voedingsstoffen die oplosbaar zijn in water, deze worden in twee stappen opgenomen. eerst vanuit de darmlumen via de microvilli de epitheelcel in en dan aan de anderekant de darmepitheelcel uit en via weefselvloeistof naar het bloed

Na+-k+-pompen; pompen actief Na+ -ionen de cel uit en k+ -ionen de cel in.

cotransport; de transport van twee voedingstoffen die tegelijk door een transporteiwit gaan.

antiport; vorm van cotransport waarbij twee stoffen tegelijk in tegengestelde richting door een transporteiwit bewegen, dit kost ATP

symport; vorm van cotransport waarbij stoffen de zelfde richting bewegen, dit kost geen energie maar de voorbereiding wel

uniport; een transport eiwit die maar 1 soort molecuul door laat

vetoplosbare voedingstoffen; voedingstoffen die oplossen in vet, de opname hiervan

hydrofiele

lymfevaten