Latijn SO 33,34

milites a duce laudantur

de soldaten worden door de aanvoerder geprezen

domus incendio deletur

het huis wordt door brand verwoest

domum reditur

men keert naar huis terug

ridetur

er wordt gelachen

puer lavatur

de jongen wordt gewassen/de jongen wast zich

voco

ik roep

vocabam

ik riep

vocabo

ik zal roepen

vocavi

ik heb geroepen

vocaveram

ik had geroepen

vocavero

ik zal hebben geroepen

vocor

ik word geroepen

vocabar

ik werd geroepen

vocabor

ik zal geroepen worden

vocatus sum

ik ben geroepen

vocatus eram

ik was geroepen

vocatus ero

ik zal zijn geroepen

hortor

ik spoor aan

hortabar

ik spoorde aan

hortabor 

ik zal aansporen

hortatus sum

ik heb aangespoord

hortatus eram

ik had aangespoord

hortatus ero

ik zal hebben aangespoord

conari

proberen

hortari

aansporen

reri

menen

vereri

vrezen

videri

schijnen, lijken

frui

genieten (van)

fungi

verrichten, vervullen

loqui

spreken

proficisci

vertrekken

sequi

volgen

uti

gebruiken

experiri

proberen, ervaren

mori, morior

sterven

pati, patior

1. lijden, doorstaan 2. toestaan

fieri, fio

1. worden 2. gebeuren

conatus sum

ik heb geprobeerd

hortatus sum

ik heb aangespoord

ratus sum

ik heb gemeend

veritus sum

ik heb gevreesd

visus sum

ik heb geschenen, geleken

fructus sum

ik heb genoten (van)

functus sum

ik heb verricht, vervuld

locutus sum

ik heb gesproken

profectus sum

ik ben vertrokken

secutus sum

ik heb gevolgd

usus sum

ik heb gebruikt

expertus sum

ik heb ervaren

mortuus sum

ik ben gestorven

passus sum

1. ik heb geleden, doorstaan 2. ik heb toegestaan

factus sum

ik ben geworden

factus est 

het is geworden, gebeurd 

aud_ere

durven

gaud_ere

blij zijn

sol_ere

gewend zijn

ausus sum

ik heb gedurfd

gavisus sum

ik was blij, ben blij geweest

solitus sum

ik ben gewend