Uitgebreide Studiegids Tandartsassistent: Anatomie, Pathologie en Tandheelkundige Behandelingen
Anatomie en fysiologie
Regulatie, stofwisseling en groei
Hormonen fungeren als regelaars voor diverse lichaamsprocessen.
Insuline: Wordt geproduceerd door de alvleesklier; essentieel voor de koolhydraatstofwisseling. Een defecte productie leidt tot diabetes mellitus.
Thyroxine: Schildklierhormoon dat de intensiteit van de stofwisseling bepaalt. Afwijkingen aan de schildklier resulteren vaak in stofwisselingsstoornissen.
Levensfasen: Bij jongeren overheerst de opbouw van weefsel. Bij gezonde volwassenen zijn opbouw en afbraak in evenwicht. Bij veroudering is er sprake van een overwicht in afbraak.
Anabolisme: De opbouw van stoffen in het lichaam.
Katabolisme: De afbraak van stoffen in het lichaam.
Cellen, weefsels en orgaanstelsels
Weefsel: Een verzameling gelijksoortige cellen die samen een specifieke functie vervullen en een karakteristieke tussenstof hebben.
Orgaan: Bestaat uit verschillende weefseltypen die samen één of meerdere functies uitvoeren.
Orgaanstelsel: Een groep organen die gezamenlijk een hoofdfunctie vervullen (bijvoorbeeld het spijsverteringsstelsel).
Weefseltypen en functies
Oppervlakteweefsel (epitheel): Bekleedt zowel uitwendige oppervlakken als inwendige holten; de cellen sluiten nauw op elkaar aan.
Bind- en steunweefsel: Verantwoordelijk voor vorm, stevigheid en weerstand tegen mechanische druk of trekkrachten.
Collageen bindweefsel: Sterk en nauwelijks rekbaar; te vinden in pezen en gewrichtskapsels.
Elastisch bindweefsel: Goed vervormbaar en veert terug; aanwezig in bloedvatwanden.
Botweefsel: Bevat osteocyten, collagene vezels en kalkzouten. Osteoblasten bouwen bot op; osteoclasten breken bot af.
Kraakbeen: Stevig en elastisch; bevat vrijwel geen bloedvaten, wat resulteert in een zeer lage stofwisseling.
Vetweefsel: Dient als energievoorraad, isolatielaag en fysieke bescherming (bijv. rond nieren en ogen).
Spierweefsel: Kenmerkt zich door het vermogen om te contraheren (samentrekken) voor beweging.
Zenuwweefsel: Gespecialiseerd in het geleiden van informatie en prikkels.
Bloed: Belangrijk voor transport, het handhaven van het inwendig milieu en de afweer.
Bloed en afweermechanismen
Bloed bestaat uit bloedplasma en bloedcellen, welke worden aangemaakt in het rode beenmerg.
Erytrocyten: Rode bloedcellen voor het transport van en .
Leukocyten: Witte bloedcellen die verantwoordelijk zijn voor de afweer.
Trombocyten: Bloedplaatjes betrokken bij bloedstelping en stolling.
Afweerlinies:
Mechanische barrière: Intacte huid, slijmvliezen, trilhaarepitheel en afweerstoffen in het speeksel.
Aspecifieke afweer: Granulocyten, monocyten en macrofagen die lichaamsvreemd materiaal opruimen via fagocytose.
Specifieke afweer: Lymfocyten die reageren op specifieke antigenen. B-lymfocyten vormen plasmacellen en antistoffen; T-lymfocyten werken celgebonden.
Immuniteit:
Actief: Het lichaam bouwt zelf antistoffen en geheugencellen op na infectie of vaccinatie.
Passief: Directe ontvangst van antistoffen via placenta, borstvoeding of injectie met immunoglobulinen.
Bloedstolling (hemostase)
Primaire hemostase: Hechting (adhesie) en samenklontering (aggregatie) van trombocyten aan de vaatwand vormen een voorlopige prop.
Secundaire hemostase: Vorming van een definitief stolsel door fibrinedraden.
Proces: Weefseltromboplastine protrombine trombine fibrinogeen fibrine.
Circulatie en ademhaling
Grote bloedsomloop: Linkerkamer aorta lichaam holle aders rechterboezem. Voorziet organen van stoffen en voert afval af.
Kleine bloedsomloop: Rechterkamer longslagader longen longaders linkerboezem. Verantwoordelijk voor gaswisselling.
Hartwaarden: Gemiddelde hartfrequentie is circa ; het slagvolume is circa .
Bloeddruk: Systole (samentrekking) is circa ; diastole (ontspanning) is circa . Hypertensie verhoogt de risico's op hart- en vaatziekten.
Ademhaling: Ingeademde lucht bevat zuurstof en stikstof. Gaswisseling vindt plaats in de alveoli (longblaasjes) die een zeer groot contactoppervlak hebben.
Spijsvertering
Amylase: Enzym in speeksel dat de afbraak van zetmeel start.
Maag: Gebruikt zoutzuur (doodt bacteriën, activeert pepsine), pepsine (eiwitafbraak) en mucus (bescherming maagwand).
Alvleesklier: Produceert pancreassap (exocrien) en insuline/glucagon (endocrien voor bloedsuikerregulatie).
Lever: Verantwoordelijk voor galproductie (emulgeert vetten), ontgifting en opslag.
Zenuwstelsel
Neuron: Bestaat uit perikaryon, dendrieten (input) en axon (output). De synaps is de communicatieplaats via neurotransmitters.
Indeling:
CZS: Hersenen en ruggenmerg.
Autonoom: Sympathicus (actie/stress) en parasympathicus (rust/vertering).
Algemene pathologie
Ziekteleer en terminologie
Etiologie: Onderzoek naar de oorzaken van ziekten.
Pathogenese: Beschrijving van het ontstaan en verloop van een ziekte.
Ziekteoorzaken: Kunnen exogeen (micro-organismen, voeding, straling) of endogeen (erfelijkheid, hormonen) zijn.
Ontstekingskenmerken
Rubor (roodheid), Calor (warmte), Tumor (zwelling), Dolor (pijn) en Functio laesa (gestoorde functie).
Pus: Mengsel van weefselvocht, necrose, leukocyten en bacteriën.
Complicaties: Abces (afgekapselde pus), Flegmone (diffuse uitbreiding), Sepsis (systemische infectie), Lymfangitis (vaatontsteking) en Lymfadenitis (klierontsteking).
Micro-organismen
Bacteriën: Eencellig, kunnen sporen vormen.
Virussen: Veel kleiner, hebben een gastheercel nodig voor vermenigvuldiging.
Schimmels: Infecties hiervan worden mycose genoemd.
Virulentie: De ziekmakende kracht van een micro-organisme.
Groeistoornissen en tumoren
Atrofie: Kleiner worden van een orgaan; Hypertrofie: Groter worden van cellen; Hyperplasie: Toename in aantal cellen.
Tumoren:
Benigne: Goedaardig, meestal afgekapseld.
Maligne: Kwaadaardig, groeit invasief en kan metastaseren (uitzaaien).
Uitzaaiing: Kan lymfogeen, hematogeen of via directe verspreiding in holten.
De bouw van tanden en kiezen
Anatomie van het element
Structuur: Kroon boven het tandvlees, radix (wortel) eronder, eindigend in de apex.
Glazuur: Hardste weefsel, opgebouwd uit glazuurprismata; bevat geen levende cellen.
Dentine (tandbeen): Bevat uitlopers van odontoblasten; blijft gedurende het leven groeien waardoor de pulpa nauwer wordt.
Pulpa: Levend weefsel met zenuwen en bloedvaten.
Wortelcement: Aanhechtingsplaats voor parodontale vezels.
Parodontium: Bestaat uit wortelcement, wand van de alveole, parodontaal ligament en gingiva.
Gebitsontwikkeling
Vorming: Ameloblasten (glazuur), odontoblasten (dentine) en cementoblasten (cement).
Melkgebit: 20 elementen; doorbraak tussen en . De molaren staan gespreid om ruimte te laten voor de blijvende opvolgers.
Blijvend gebit: 32 elementen; wisselfase circa . De eerste molaar (de 6) komt door achter het melkgebit en heeft geen melkvoorganger.
Two-digit-systeem
Kwadranten: 1-4 voor blijvend (rechtsboven met de klok mee), 5-8 voor melkgebit.
Voorbeeld: 11 is de centrale snijtand rechtsboven; 48 is de verstandskies rechtsonder.
Bedreigingen voor het gebit en preparaties
Plaque en Cariës
Plaque: Bestaat uit bacteriën en suikers; spoelen is onvoldoende voor verwijdering.
Streptococcus mutans: Zet koolhydraten om in melkzuur, wat de verlaagt en glazuur demineraliseert.
Cariësstadia:
Alleen glazuur.
Glazuur-dentinegrens.
In het dentine.
Infectie van de pulpa.
In het kaakbot via het wortelkanaal.
Slijtage en erosie
Erosie: Oplossen van weefsel door zuren; plaquevrij proces.
Bruxisme: Mechanische slijtage door knarsen/klemmen.
Caviteitspreparatie
Fasen: Openen (hoge snelheid en koeling), cariësverwijdering, vormgeving, diepe cariës (ronde boor/excavator) en restaureren.
Bevel: Afschuining van de rand voor betere hechting.
Exponatie: Het onbedoeld openleggen van de vitale pulpa.
Endodontologie
Anatomie en pathologie
Een element kan meerdere kanalen hebben; bovenmolaren vaak vier kanalen.
Pulpitis: Ontsteking van de pulpa; kan leiden tot necrose (afsterven).
Vitaliteitstesten: Koudetest (meest betrouwbaar), warmtetest en elektrische test.
Fistel: Een afvoerkanaal voor ontstekingsproducten vanuit de kaak naar buiten.
Behandeling (wortelkanaalbehandeling)
Stappenplan:
Isolatie met cofferdam.
Openen van de pulpakamer.
Extirpatie: Verwijderen van de pulpa met een extirpatienaald.
Gebruik van vijlen (K-vijlen, Hedström) en ruimers.
Lengtebepaling via röntgen of elektronische apexmeting.
Irrigatie met (desinfectie/oplossen weefsel) en (verwijderen minerale laag).
Vullen met guttapercha en sealer.
Parodontologie en kauwstelsel
Parodontale aandoeningen
Gingivitis: Oppervlakkige ontsteking door plaque; volledig reversibel.
Parodontitis: Ontsteking met aanhechtingsverlies en botafbraak; vaak pijnloos.
ANUG: Acute necrotiserende ulceratieve gingivitis; zeer pijnlijk met foetor (slechte adem).
PPS-score: Screeningmethode; score 3 ( pockets) vereist uitgebreid onderzoek.
Het kauwstelsel
Tandverlies: Kan leiden tot kantelen van buurelementen, supra-eruptie van de antagonist en botresorptie.
CMD: Craniomandibulaire disfunctie; klachten aan kaakgewricht of spieren door stress of beetstoring.
Kroon- en brugwerk en materialen
Indirecte restauraties
Kroon: Bedekt het gehele klinische kroonoppervlak.
Brug: Bestaat uit pijlers (eigen elementen) en pontics (vervangende tanden). Een cantileverbrug heeft slechts aan één zijde een pijler.
Afdrukken: Kan conventioneel (alginaat, silicone) of digitaal (intraorale scan).
Restauratiematerialen
Composiet: Matrix (BisGMA) en vulstof. Polymerisatiekrimp kan randspleten veroorzaken.
Glasionomeer (GIC): Hecht chemisch aan weefsel en geeft fluoride af.
Adhesie: Etsen met fosforzuur, primen en bonden.
Lichtuitharding: Wordt in lagen van maximaal aangebracht.
Prothetiek
Partiële prothesen:
Plaatprothese: Mucosaal gedragen (rust op het tandvlees).
Frameprothese: Gestaald skelet, dentaal afgesteund via steunen en ankers; stabieler en minder resorptie.
Volledige prothese (VP):
Kauwvermogen met VP is circa van het natuurlijke gebit.
Immediaatprothese: Wordt direct geplaatst na extracties.
Relinen: Aanbrengen van een nieuwe basislaag voor betere pasvorm.
Klikgebit: VP op implantaten (vaak drukknoppen of een staaf/suprastructuur).
Orthodontie
Classificaties en groei:
Neutrorelatie: Normale beet.
Disto- of Mesiorelatie: Onderkaak resp. te ver naar achteren of voren.
Open beet / Diepe beet: Verticale afwijkingen.
Timing: Behandeling vaak tijdens de groeispurt ().
Apparatuur:
Headgear: Remt voorwaartse groei bovenkaak.
Activator (blokbeugel): Corrigeert distorelatie.
Vaste apparatuur: Brackets (slots) en bogen.
Retentie: Essentieel om terugvallen (relapse) te voorkomen via draad of nachtbeugel.
Medische aspecten en chirurgie
Anamnese en ASA-score:
ASA 1: Gezond; ASA 4: Levensbedreigende aandoening.
Angina pectoris: Tijdelijk zuurstoftekort; Myocardinfarct: Necrose van hartspier.
Bleekmiddelen: Natriumperboraat voor inwendig bleken; peroxidegel voor uitwendig.
Chirurgie:
Extractie: Luxeren (beweging) en roteren om ligamenten te scheuren.
Alveolitis (dry socket): Verlies van stolsel, gepaard met hevige pijn na .
Antrumperforatie: Opening naar de kaakbijholte.
Apexresectie: Chirurgische verwijdering van de wortelpunt.
Pijn en anesthesie:
Anesthetica: Lidocaïne, articaïne en prilocaïne.
Adrenaline: Voor vasoconstrictie en verlengde werking.
Pijnladder: Paracetamol NSAID (ibuprofen) Tramadol. Geen aspirine na chirurgie ivm bloedingsrisico.
Speciale pathologie
Cysten en tumoren:
Radiculaire cyste: Rond apex van avitaal element.
Folliculaire cyste: Rond kroon van niet-doorgebroken tand.
Plaveiselcelcarcinoom: Meest voorkomende maligne mondtumor; vaak op de lip of tongrand.
Elementafwijkingen:
Mesiodens: Overtallige tand tussen de centrale incisieven.
Schisis: Lipspleet (cheiloschisis), kaakspleet (gnathoschisis) of gehemeltespleet (palatoschisis).
Hypodontie / Oligodontie: Te weinig of veel ontbrekende aangelegde elementen.
Amelogenesis imperfecta: Erfelijke stoornis in glazuurvorming.