Begrippen
1.1 Introductie Scheikunde
Natuurwetenschappen = De wetenschappen die zich richten op de studie van de natuurlijke wereld, waaronder biologie, natuurkunde en scheikunde
Biologie = De wetenschap die zich richt op de levende natuur, zoals planten en dieren
Natuurkunde = De wetenschap die zich richt op natuurverschijnselen zoals zwaartekracht, elektriciteit, licht, luchtdruk en geluid
Scheikunde = De wetenschap die zich richt op stoffen en hun eigenschappen; de studie van atomen en moleculen als bouwstenen van stoffen
Experimenteel onderzoek = Het onderzoeken van verschijnselen door middel van gecontroleerde experimenten
1.2 Stoffen en stofeigenschappen
Stoffen = Materie met een bepaalde samenstelling en eigenschappen
Stofeigenschappen = Kenmerken die typisch zijn voor een bepaalde stof en onveranderlijk zijn, zoals kookpunt, smeltpunt en dichtheid
Faseovergangen = Veranderingen in de toestand van een stof (vast, vloeibaar, gas)
Driehoek van faseovergangen = Een diagram dat de verschillende fasen en de overgangen tussen deze fasen weergeeft
Solid (s) = De vaste fase van een stof
Liquid (l) = De vloeibare fase van een stof
Gas (g) = De gasfase van een stof
Kelvin (K) = Een absolute temperatuurschaal waarbij 0 K het absolute nulpunt is
Celsius (°C) = Een temperatuurschaal waarbij 0 \text{°C} het vriespunt van water is en 100 \text{°C} het kookpunt
pH = Een maat voor de zuurgraad van een oplossing, variërend van 0 (sterk zuur) tot 14 (sterk basisch), met 7 als neutraal
Zuur = Een stof met een pH lager dan 7
Basisch = Een stof met een pH hoger dan 7
Neutraal = Een stof met een pH van 7
pH-papier/indicator = Een hulpmiddel om de pH van een oplossing te bepalen door kleurverandering
1.3 Practicum en veiligheid
Noodvoorzieningen = Voorzieningen in het laboratorium voor noodgevallen, zoals noodstop, nood-oogdouche, nooddouche en nooddeur
Gedragsregels = Regels voor veilig en verantwoord werken in het laboratorium
Gevarentekens = Symbolen die aangeven welke gevaren verbonden zijn aan chemicaliën of apparatuur
Labjas = Een witte jas die gedragen wordt ter bescherming van kleding tijdens practicum
Veiligheidsbril = Een bril die gedragen wordt om de ogen te beschermen tegen chemicaliën en vliegende deeltjes
1.4 Natuurwetenschappelijk onderzoek en verslaglegging
Onderzoek doen = Systematisch informatie verzamelen om vragen te beantwoorden of problemen op te lossen
Experiment = Een gecontroleerde test om een hypothese te onderzoeken
Waarneming is geen conclusie = Een observatie leidt niet direct tot een conclusie; interpretatie en analyse zijn nodig
Verslaglegging = Het systematisch documenteren van een onderzoek of experiment
1.5 Oplossen en oplosbaarheid
Oplossen = Het proces waarbij een stof zich verdeelt in een andere stof om een homogeen mengsel te vormen
Oplossing = Een homogeen mengsel van een opgeloste stof in een oplosmiddel
Oplosbaarheid = De mate waarin een stof in een bepaald oplosmiddel kan oplossen
Onverzadigd = Een oplossing die nog meer stof kan oplossen
Verzadigd = Een oplossing die de maximale hoeveelheid stof heeft opgelost bij een bepaalde temperatuur
Suspensie = Een heterogeen mengsel waarbij vaste deeltjes in een vloeistof zweven maar na verloop van tijd bezinken
Emulsie = Een mengsel van twee niet-mengbare vloeistoffen waarbij de ene vloeistof als kleine druppeltjes in de andere is verdeeld
Emulgator = Een stof die een emulsie stabiel maakt door de oppervlaktespanning tussen de twee vloeistoffen te verminderen
Hydrofoob = Waterafstotend; een eigenschap van stoffen die niet mengen met water
Hydrofiel = Waterminnend; een eigenschap van stoffen die wel mengen met water