nask
---
### š§ **ONTHOUD**
**(1)**
* Wetenschap is het opdoen van kennis en het toepassen van die kennis in ons dagelijks leven.
* Biologie, natuurkunde en scheikunde zijn natuurwetenschappen:
⢠biologie bestudeert de levende natuur;
⢠natuurkunde bestudeert tijdelijke veranderingen in de niet-levende natuur;
⢠scheikunde bestudeert blijvende veranderingen in de niet-levende natuur, waarbij stoffen veranderen in andere stoffen.
* De natuurkundige Rƶntgen ontdekte stralen die onzichtbaar zijn en die door sommige stoffen heengaan. Hij maakte de eerste rƶntgenfotoās van lichaamsdelen.
---
**(2)**
* Eigenschappen waaraan je stoffen kunt herkennen, noem je stofeigenschappen.
Voorbeelden van stofeigenschappen zijn: geur, kleur, smaak en brandbaarheid.
* Een stof kan op meerdere manieren gevaarlijk zijn:
⢠als je de stof inademt;
⢠als je de stof inslikt;
⢠als je de stof op je kleren, op je huid of in je ogen krijgt;
⢠als je met vuur bij de stof komt;
⢠als je de stof mengt met een andere stof.
* Op de verpakkingen van gevaarlijke stoffen staan waarschuwingen. De gevaren worden aangegeven met pictogrammen, ook wel gevarensymbolen genoemd.
---
**(3)**
* Een mengsel bestaat uit meerdere stoffen. Een zuivere stof bestaat uit ƩƩn stof.
* Stoffen bestaan uit heel kleine deeltjes. Deze deeltjes worden moleculen genoemd.
* Afmetingen van moleculen worden gemeten in nanometers. 1 nm = 0,000 000 001 m.
* Als je een vaste stof mengt met een vloeistof en de vaste stof verdwijnt, dan ontstaat een oplossing. Oplossingen zijn altijd helder. Je kunt erdoorheen kijken.
* Als een vloeibaar mengsel troebel (ondoorschijnend) is, kan het dus geen oplossing zijn. Zoān mengsel is een suspensie.
* Met heet water, maar ook met alcohol en andere vloeistoffen, kun je geur-, kleur- en smaakstoffen uit vaste stoffen halen. Je krijgt dan een oplossing. Dit proces noem je extraheren.
* Alcohol is een oplosmiddel voor vetten en oliƫn.
* Met een filter kun je een vaste stof van een vloeistof scheiden. In een filter zitten heel kleine gaatjes. De vaste stof die achterblijft in het filter noem je het residu. De vloeistof die door het filter heen gaat, is het filtraat. Dit proces noem je filtreren.
---
**(4)**
* Met een weegschaal kun je de massa van een voorwerp of een hoeveelheid stof bepalen. De massa wordt gemeten in de eenheid kilogram (kg). 1 kg = 1000 g.
* Met een maatcilinder kun je het volume van een hoeveelheid vloeistof bepalen. Het volume is de ruimte die de vloeistof inneemt. Je meet het volume in liter (L) of milliliter (mL). 1 L = 1000 mL.
* Van rechthoekige voorwerpen kun je het volume berekenen met de formule:
**V = l Ā· b Ā· h.**
* Van een cilinder kun je het volume berekenen met de formule:
**V = Ļ Ā· r² Ā· h.**
* Het volume van onregelmatig gevormde voorwerpen kun je bepalen met de onderdompelmethode.
---
**(5)**
* Om te bepalen welke van twee stoffen het ādichtstā is, kun je stoffen eerlijk vergelijken door de massa van 1 cm³ van beide blokjes te bepalen. Het blokje met de kleinste massa is gemaakt van de ālichtsteā stof.
* De dichtheid van een stof geeft aan hoe groot de massa is van een blokje van 1 cm³ van die stof. De dichtheid is een stofeigenschap.
* Je kunt de dichtheid van een stof berekenen met de formule:
**Ļ = m / V**
* Een voorwerp drijft op water als de dichtheid van het voorwerp kleiner is dan de dichtheid van water (1,0 g/cm³).
* Een voorwerp zinkt in water als de dichtheid van het voorwerp groter is dan de dichtheid van water.
* Een voorwerp zweeft in water als de dichtheid van het voorwerp precies gelijk is aan de dichtheid van water.
---