Biologie H1.2 Organen, weefsels en cellen
Organen, weefsels en cellen + hun functies
Orgaanstelsel: een aantal organen dat samen een bepaalde functie uitoefent. Bijvoorbeeld het verteringsstelsel en het beenderstelsel. Organen in de romp van een mens zijn bijvoorbeeld: lever, maag, strottenhoofd, long, hart, middenrif, dikke darm, dunne darm, wervel, rib, borstbeen, galblaas, lever, nier en de aorta.
Groepen cellen in een orgaan, weefsel of een orgaanstelsel hebben een gezamenlijke functie
De vorm van cellen hangt samen met de functie. Organen zijn opgebouwd uit weefsels. Je hebt verschillende soorten weefsels; zoals dekweefsel, bindweefsel, zenuwweefsel en spierweefsel. Zie BiNas tabel 80B, 80D en 80E.
Bij veel weefsels liggen de cellen niet direct tegen elkaar aan, maar komt er tussencelstof voor. Het soort tussencelstof hangt samen met de functie van het weefsel. Tussencelstof zorgt voor stevigheid in het plantaardig weefsel (celwanden) en in beenweefsel bij dieren.
Verband bij organismen tussen vorm en functie
Bij organismen is er een verband tussen de vorm en de functie van de biologische eenheden waaruit ze zijn opgebouwd.
Langwerpige, holle botten bij de mens: zijn licht en stevig.
Beenbalkjes in de kop van een dijbeen: maken het been licht en geven het stevigheid.
Gewelfde vorm van de botten in de voeten: draagt het gewicht van vangt schokken op.
Gestroomlijnde lichaamsvorm bij diersoorten die in het water leven: weinig weerstand.