RE - H2.2
Hoofdstuk 2: Het marktmechanisme – deel 2
5. De prijselasticiteit van vraag en aanbod
5.1. De prijselasticiteit van de vraag
Definitie (letterlijk):
“Mate waarin gevraagde hoeveelheden reageren op prijsveranderingen.”Om prijsstijgingen van verschillende producten (bv. broodje vs. auto) vergelijkbaar te maken, gebruikt men relatieve prijs- en hoeveelheidsveranderingen:
“Prijsstijging met 1%: met hoeveel procent verandert de gevraagde hoeveelheid?”Prijselasticiteit van de vraag is een negatief, dimensieloos getal.
Interpretatie (letterlijk):
“Als prijs stijgt met 1% dan daalt de vraag met x%.”
Classificatie op basis van |e|
|e| < 1 → prijsinelastische vraag (prijsongevoelig)
|e| > 1 → prijselastische vraag (prijsgevoelig)
|e| = 1 → unitair prijselastische vraag
Puntelasticiteit
Gebruikt voor zeer kleine (infinitesimale) veranderingen van de prijs (Δp → 0).
Gebruikt de afgeleide van de vraagfunctie met betrekking tot de prijs.
De puntelasticiteit verschilt van punt tot punt.
Vorm van de vraagcurve en elasticiteit
Hoe vlakker de vraagcurve, hoe meer prijselastisch (gevoelig) de vraag.
Hoe steiler de vraagcurve, hoe minder prijselastisch (gevoelig) de vraag.
Rechte vraagcurve en elasticiteit
In het midden van de rechte is |e| = 1.
In de bovenste helft is de vraag prijselastisch.
In de onderste helft is de vraag prijsinelastisch.
Totale opbrengsten (uitgaven) en prijselasticiteit
Prijsinelastische vraag:
“Prijsstijging: minder dan proportionele afname van gevraagde hoeveelheid, totale opbrengsten nemen toe. Prijs en opbrengsten bewegen in dezelfde richting.”Prijselastische vraag:
“Prijsstijging: meer dan proportionele afname van gevraagde hoeveelheid, totale opbrengsten nemen af. Prijs en opbrengsten bewegen in omgekeerde richting.”Conclusie (letterlijk):
“Prijs(verhoging) gaat opbrengsten enkel doen stijgen als vraag naar product inelastisch (prijsongevoelig) is, anders zullen opbrengsten dalen.”
Determinanten van eᵥᵖ (prijselasticiteit van de vraag)
Beschikbaarheid van substituten:
Meer substituten → grotere |e| (bv. frisdrank vs. ei; lamsvlees vs. vlees; Renault vs. auto’s in het algemeen).Noodzakelijke goederen vs. luxegoederen:
Voedsel (kleine |e|), chocolade (grote |e|).Belang in het budget:
Lucifers (kleine |e|), auto’s (grote |e|).Tijdshorizon:
Korte termijn (kleine |e|), lange termijn (grote |e|).
Voorbeeld uit de slides
Vetten (boter, olie, …): -0,75
Kaas: -0,35
Melk: -0,36
5.2. De prijselasticiteit van het aanbod
Definitie (letterlijk):
“Hoe sterk verandert het aanbod indien de prijs stijgt met 1 procent?”
“Geeft weer met hoeveel procent het aanbod wijzigt als de prijs met 1% wijzigt.”Prijselasticiteit van het aanbod is een positief getal en verandert punt per punt op de aanbodscurve.
ε > 1 → elastisch (hoeveelheid neemt proportioneel meer toe dan prijs)
ε < 1 → inelastisch (hoeveelheid neemt proportioneel minder toe dan prijs)
Determinanten van prijselasticiteit van het aanbod
Neemt toe met flexibiliteit en mobiliteit van productiefactoren (bv. frisdrank makkelijk, chirurgische ingrepen moeilijk).
Wordt de productiecapaciteit reeds volledig benut?
Tijdshorizon:
Korte termijn → beperkte capaciteit → inelastischer.
Lange termijn → capaciteit kan worden uitgebreid → elastischer.
6. Andere elasticiteiten van vraag en aanbod
Niet te berekenen voor de student.
Inkomenselasticiteit van de vraag
“Met hoeveel % verandert de vraag, als het inkomen van de consumenten stijgt met 1%?”
Noodzakelijke goederen: positief en ≤ 1
Luxegoederen: > 1
Inferieure goederen: negatief
Voorbeeld uit slides
Frisdranken: prijselasticiteit -0,77; inkomenselasticiteit 0,56
Heroïne: enkel prijselasticiteit vermeld
7. De markt en overheidsinterventies
Indirecte prijsinterventies: indirecte belastingen en subsidies
Indirecte belastingen: bron van overheidsinkomsten; ontmoediging consumptie (“bads” zoals alcohol, sigaretten, vettaks).
Accijnzen: constante belasting per eenheid product.
Ad valorem belasting: %-belasting op productwaarde.
Subsidies: overheidsuitgaven; aanmoediging consumptie (“merit goods” zoals museum, onderwijs, zonnepanelen).
Effecten van een indirecte belasting (accijns van t euro per eenheid)
Verkochte hoeveelheid daalt.
Consumenten betalen hogere prijs (p<sub>c</sub>).
Producenten ontvangen lagere prijs (p<sub>p</sub>).
Belastingafwenteling en elasticiteit
Letterlijk uit slides:
“Het deel van de markt (vraag of aanbod) dat het minst prijselastisch is, draagt de grootste last van de belasting.”Prijsgevoelige vraag:
laat prijs bijna onveranderd
beïnvloedt gevraagde hoeveelheid fors
doet belastingopbrengsten gevoelig dalen
reduceert belastingafwenteling op consument drastisch
laat producent (bijna) alle belasting betalen
Prijsongevoelige vraag: tegengestelde effecten.
Subsidies
Worden gefinancierd met overheidsinkomsten.
Stimuleren consumptie en productie.
Zijn negatieve belastingen.
Leiden tot omgekeerde effecten als belastingen.
Bij producentensubsidie: p<sub>p</sub> = p<sub>c</sub> + s.
Directe prijsreglementering: minimum- en maximumprijzen
Maximumprijs
Bescherming consumenten tegen te hoge prijs.
Slechts bindend indien lager dan evenwichtsprijs.
Gevolg: vraagoverschot (tekort).
Probleem: vraagoverschot wordt niet weggewerkt door prijsmechanisme → nieuwe toewijzingsmechanismes (zwarte markt, first-come first-served, trouwe klanten, arbitrair).
Voorbeeld: huurcontrole (rent controls) in New York.
Korte termijn: aanbod en vraag prijsinelastisch.
Lange termijn: aanbod en vraag prijselastisch → groter tekort.
Minimumprijs
Bescherming producenten tegen te lage prijs.
Slechts bindend indien hoger dan evenwichtsprijs.
Gevolg: aanbodoverschot.
Overheid koopt overtollige productie op (bv. melkplas, boterberg).
Voorbeeld: Europees landbouwbeleid (CAP), minimumprijs voor melk.
Directe beïnvloeding van vraag en aanbod
Quota: ingeperkte hoeveelheid (bv. visvangst).
Slechts bindend indien quota beneden evenwichtshoeveelheid.
Verdere details (7.3) moeten niet gekend zijn.
Besluit (letterlijk)
“Marktmechanisme maakt gebruik van vraag en aanbod.”
“Het gedrag van alle consumenten bepaalt de marktvraag; alle producenten bepaalt het aanbod.”
Deel 2: Tabel met kernbegrippen en theoriepunten
Kernbegrip / Theoriepunt | Betekenis / Definitie |
|---|---|
Prijselasticiteit van de vraag | “Mate waarin gevraagde hoeveelheden reageren op prijsveranderingen.” Ook: “Als prijs stijgt met 1% dan daalt de vraag met x%.” |
Relatieve verandering | Gebruik van procentuele veranderingen in plaats van absolute veranderingen om producten vergelijkbaar te maken. |
Prijsinelastische vraag | |e| < 1: gevraagde hoeveelheid reageert minder dan proportioneel op prijsverandering (prijsongevoelig). |
Prijselastische vraag | |e| > 1: gevraagde hoeveelheid reageert meer dan proportioneel op prijsverandering (prijsgevoelig). |
Unitair prijselastische vraag | |e| = 1: procentuele verandering vraag = procentuele verandering prijs. |
Puntelasticiteit | Elasticiteit bij oneindig kleine prijsveranderingen (Δp → 0); gebruikt de afgeleide van de vraagfunctie. |
Totale opbrengsten (uitgaven) | Prijs × hoeveelheid. Bij prijsinelastische vraag: prijsstijging → opbrengsten stijgen. Bij prijselastische vraag: prijsstijging → opbrengsten dalen. |
Determinanten prijselasticiteit vraag |
|
Prijselasticiteit van het aanbod | “Hoe sterk verandert het aanbod indien de prijs stijgt met 1 procent?” Positief getal. |
Elastisch aanbod | ε > 1: hoeveelheid neemt proportioneel meer toe dan prijs. |
Inelastisch aanbod | ε < 1: hoeveelheid neemt proportioneel minder toe dan prijs. |
Determinanten prijselasticiteit aanbod | Flexibiliteit productiefactoren, benutting productiecapaciteit, tijdshorizon. |
Inkomenselasticiteit van de vraag | “Met hoeveel % verandert de vraag, als het inkomen van de consumenten stijgt met 1%?” |
Noodzakelijke goederen | Inkomenselasticiteit positief en ≤ 1. |
Luxegoederen | Inkomenselasticiteit > 1. |
Inferieure goederen | Inkomenselasticiteit negatief. |
Indirecte belastingen | Overheidsingrijpen via belasting op product (accijns of ad valorem); bron van inkomsten en ontmoediging consumptie. |
accijnzen | constante belasting per eenheid product |
ad valorem | belasting: %-belasting op productwaarde |
Subsidies | Overheidsuitgaven om consumptie/productie aan te moedigen, negatieve belastingen. |
Belastingafwenteling (verdeling) | “Het deel van de markt (vraag of aanbod) dat het minst prijselastisch is, draagt de grootste last van de belasting.” |
Maximumprijs | Door overheid vastgestelde maximale prijs, lager dan evenwichtsprijs → vraagoverschot (tekort). §Indien overheid oordeelt dat evenwichtsprijs sociaal niet verantwoord is. §Maximumprijs als bescherming van consumenten tegen te hoge prijs §Slechts bindend indien lager dan evenwichtsprijs |
Minimumprijs | Door overheid vastgestelde minimale prijs, hoger dan evenwichtsprijs → aanbodoverschot. §Indien overheid oordeelt dat evenwichtsprijs sociaal niet verantwoord is. §Minimumprijs als bescherming van producenten tegen te lage prijs §Slechts bindend indien hoger dan evenwichtsprijs §Probleem: aanbodoverschot |
Quota | Ingeperkte verhandelde hoeveelheid (bv. visvangst); bindend als onder evenwichtshoeveelheid. |
Vraagoverschot | Bij maximumprijs: gevraagde hoeveelheid > aangeboden hoeveelheid. |
Aanbodoverschot | Bij minimumprijs: aangeboden hoeveelheid > gevraagde hoeveelheid. |
Rent control | Maximumprijs op huur; leidt op lange termijn tot groter tekort door elastischer vraag en aanbod. |
perfect inelastische vraagcurve | Consument is niet gevoelig voor de prijs, wat de prijs ook is de vraag blijft hetzelfde wat de prijs ook is. Bv. Dure kankerbehandeling (er wordt dan een oplossing gezocht via crowdfunding) |
perfect elastische vraagcurve | De consumenten zijn bereid voor eender welke hoeveelheid slecht één prijs te betalen. Bv. op de markt verschillende verkopers met exact hetzelfde aanbod |
hoe vlakker de vraag/aanbodcurve, | hoe meer prijselastisch (gevoelig) de vraag. (vlak=relatief prijselastisch) |
Hoe steiler de vraag/aanbodcurve | hoe minder prijselastisch (gevoelig) de vraag (steil=relatief prijsinelastisch). |
TO Inelastisch deel van de vraagcurve | als de prijs stijgt, stijgen de totale opbrengsten èPrijs(verhoging) gaat opbrengsten enkel doen stijgen als vraag naar product inelastisch (pijsongevoelig) is, anders zullen opbrengsten dalen |
TO elastisch deel van de vraagcurve | als de prijs stijgt, dalen de totale opbrengsten èPrijs(verhoging) gaat opbrengsten enkel doen stijgen als vraag naar product inelastisch (pijsongevoelig) is, anders zullen opbrengsten dalen |
perfect prijsinelastische aanbodscurve | Aanbod is niet prijsgevoelig: bv. Voetbalstadion aantal zitjes blijft gelijk wat de prijs ook is (steil) |
Probleem: vraagoverschot | §Wordt nu niet weggewerkt door prijsmechanisme §Nieuwe toewijzingsmechanismes: •Zwarte markt •First-come, first-served •Trouwe klanten •Arbitrair |