Frans woordenschat

L’allemand

Het Duits

Une amande

Een amandel

Le bien-être

Een welzijn

Un bouton

Een knop

Le cerveau

De hersenen

Une condition

Een voorwaarde

Une habitude

Een gewoonte

Une impression

Een indruk

La mémoire

Het geheugen

Une noisette

Een hazelnoot

Un nombre

Een aantal

Le réveil

De wekker, het wakker worden

Le suédois

Het Zweeds

Une tâche

Een taak

Un témoignage

Een getuigenis

Une tranche

Een sneetje

La veille

De vorige dag, dag ervoor

agréable

Aangenaam

Sain, saine

Gezond

Améliorer

Verbeteren

Augmenter

Verhogen

Briser

Breken

Deviner

Raden

Libérer

Vrijlaten, bevrijden

Rater

Missen, mislopen

Rayer

Doorstrepen, afvinken

Réduire

Verminderen

Rendre…

… maken

Surmonter

Te boven komen, overwinnen

Il s’agit de

Het gaat over

À l’aise

Op zijn gemak, comfortabel

Avec impatience

Ongeduldig

Dehors

Buiten

Dès

vanaf

Une chute

Een val

Une équipe

Een ploeg

Une prescription

Een voorschrift

Un président

Een voorzitter

Une recommandation

Een aanbeveling

Adapté, adaptée (à)

Aangepast aan

Ancien, ancienne

Oud-, voormalig

Neutre

Onzijdig, neutraal

Suffisant(e)

Voldoende

Consacrer à

Besteden aan

Dépasser

Inhalen, achter zich laten, langer duren dan

encourager

Aanmoedigen

Inventer

Uitvinden

Pousser à

Aanzetten tot

Renforcer

Versterken

Réussir (à)

(erin) slagen (te)

En plein air

In de buitenlucht

Face à

Tegenover

Par rapport à

In vergelijking met