Communicatie tussen organismen

  • Optische signalen:

    • Via kleur of licht.

      • De rode borst van een mannelijke stekelbaars wijst op geslachtsrijpheid.

      • Vrouwelijke glimwormen sturen licht uit om mannetjes aan te trekken.

  • Gebaren, dansen of rituelen:

    • Paringsrituelen bij vele vogels.

    • Overwinningsceremonies bij zwanen.

    • Bijendansen.

    • Tonen van agressie:

      • hoge rug opzetten, bovenlip optrekken, stampen, etc.

  • Akoestische signalen:

    • Zingende vogels die hun territorium afbakenen, het getsjirp van sprinkhanen, etc.

    • Vrouwelijke muggen produceren een ander gezoem dan mannetjes om hen aan te trekken.

    • Aapjes kennen 3 alarmkreten.

      • Roofvogel: verzamelen op de grond, onder een boom.

      • Slang: uit de buurt blijven.

      • Luipaard: zich haasten naar de dunne twijgjes van een boom.

    • Dolfijnen gebruiken ultrasonen om te communiceren: tonen die te hoog zijn voor het menselijk oor.

    • Olifanten gebruiken infrasonen om te communiceren: tonen die te laag zijn voor het menselijk oor.

  • Chemische signalen:

    • Honden laten urine achter om hun territorium af te bakenen.

    • Stinkdieren produceren geurstoffen om vijanden af te schrikken.

    • Vrouwelijke motten scheiden feromonen af om de mannetjes aan te trekken.

  • Mechanische signalen:

    • Een spin voelt dat een prooi haar net is binnen gevlogen via trillingen.

    • Olifanten voelen met hun poten of er andere kuddes zijn via trillingen.

  • Bijendansen:

    • Bijen geven geurstoffen door tijdens deze dansen.

    • Rondedans: er is voedsel dichtbij de kast.

    • Kwispeldans: de hoek ten opzichte van de zon waaronder de bijen moeten vliegen om voedsel te vinden. Hoe sneller er gekwispeld wordt, hoe dichterbij het voedsel.

Gedrag van dieren:

Het aangeboren gedrag is het gedrag dat een dier instinctmatig kent. Zoals het spinnen van een web, het achterlaten van geurvlaggen of vliegen.

Aangeleerd gedrag is gedrag dat een dier heeft moeten leren. Zoals zweven in de lucht, het vangen van termieten met grasstengels bij chimpansees en het zingen van vinken.

Leerprocessen voor gedrag:

  • Inprenting: bij ganzen en eenden volgen ze het eerste wezen/object dat ze zien als ze uit hun ei komen.

  • Conditioneren: het associëren van prikkels of waarnemingen met bepaalde ervaringen.

    • Zwaluwen associëren geel-zwarte patronen met wespen en laten zulke dieren dus met rust.

    • Experiment van Pavlov met zijn hond en het belletje.

  • Nabootsing: vinken tussen kanaries of chimpansees bij het vangen van termieten.

  • Oefenen: herhalen van een bepaalde handeling.

  • Inzicht: chimpansees leren bij bananen te komen door blokken op elkaar te stapelen.

Leerprocessen kun je versnellen door te bestraffen of belonen.

Sleutelprikkels:

Dit zijn prikkels die aanzetten tot een bepaalde handeling.

  • De rode borst van een stekelbaarsje maakt andere mannetjes agressief.

  • De rode vlek op de bek van een meeuw zet haar jongen aan op haar bek te pikken om voedsel te krijgen.

  • Het silhouet van roofvogels zorgt ervoor dat kalkoenen zich plat op de grond drukken.