Syllabus_FZ_Praktijk_2024-2025
Inleiding
- Farmacologische zorg is een belangrijke verantwoordelijkheid voor verpleegkundigen.
- Verpleegkundigen moeten kennis hebben van:
- Doel van geneesmiddelen
- Werking van geneesmiddelen
- Tijdstip van toediening
- Toedieningswijze
- Gevaren van geneesmiddelen
- Artsen zijn verantwoordelijk voor het voorschrijven van medicatie.
- Verpleegkundigen zijn verantwoordelijk voor de toediening en observatie.
- Verpleegkundigen moeten informatie inwinnen uit het verpleegdossier en de bijsluiter lezen.
- Geneesmiddelen zijn er in verschillende vormen:
- Vast (e.g., comprimé)
- Vloeibaar (e.g., siroop)
- Gas (e.g., zuurstof)
- Toedieningswegen:
- Enteraal: oraal of rectaal
- Intraveneus (I.V.)
- Intramusculair (I.M.)
- Subcutaan (S.C.)
- Intradermaal (I.D.) of intracutaan
- Via slijmvliezen
- Via de huid: zalf, crème, lotion of pleisters
- De cursus behandelt verpleegtechnische handelingen voor toediening via I.D., S.C. en I.M. routes, plus voorbereiding, toediening en toezicht op I.V. perfusies.
- Leerdoelen:
- Kwaliteitsbevordering: Actief de kwaliteit van het zorgproces bewaken en bevorderen.
- Algemene verpleegkundige aandachtspunten rond medicatie beschrijven.
- Zorgverlener: Efficiënt, autonoom en onderbouwd instaan voor het holistisch zorgproces.
- Verpleegkundige aandachtspunten bij de verschillende toedieningsvormen (I.D., S.C., I.M. en I.V.) verduidelijken.
- Medicatie toedienen in verschillende toedieningsvormen (I.D., S.C., I.M. en I.V.).
- Regel van vijf voor veilige medicatietoediening:
- Juiste medicijn: Vergelijk het etiket met het voorschrift, controleer de vervaldatum en lees de bijsluiter.
- Juiste zorgvrager: Controleer identiteitsarmband, naam, geboortedatum en kamer/bednummer.
- Juiste tijdstip: Medicijnen moeten binnen 30 minuten voor of na het voorgeschreven tijdstip worden toegediend.
- Juiste manier van toediening: Foute toediening kan de werkzaamheid beïnvloeden en gevaarlijk zijn.
- Juiste dosis: Wees op de hoogte van gebruikelijke doseringen en laat berekeningen controleren.
- Rapportage na medicatietoediening:
- Naam van het geneesmiddel
- Toegediende dosis
- Manier van toediening
- Tijdstip van toediening
- Reacties van de zorgvrager
Algemene Aandachtspunten bij Injecties
- Het toedienen van inspuitingen is een aseptische handeling.
- Handen ontsmetten voor het optrekken en toedienen van inspuitingen en perfusies.
- Injectienaald doorbreekt de huidbarrière.
- Er is geen verhoogd risico op infectie rond de injectieplaats.
- Het vooraf ontsmetten van de insteekplaats bij I.D., S.C. en I.M.-inspuitingen is niet nodig, maar in een klinische setting wordt dit vaak toch gedaan omwille van gewoonte of aanwezige procedures.
- Bij zorgvragers met een sterk verlaagde immuniteit, kwetsbare ouderen of comorbiditeiten dient de huid vooraf wel ontsmet te worden.
- Spuit het geneesmiddel traag in!
- Het injecteren van de vloeistof kan pijnlijk zijn, in het bijzonder als het om een grote hoeveelheid, koude of dikke vloeistof (op basis van olie, bv. vitamine B) gaat.
- Als een zorgvrager erg gespannen is, dan moet je meer kracht zetten om de vloeistof in te spuiten en dit kan pijn veroorzaken. Probeer de spanning te doorbreken door de zorgvrager gerust te stellen.
- Informeer de zorgvrager steeds voor het prikken.
- Recap (beschermhuls terugzetten op naald) nooit na het inspuiten van een geneesmiddel om prikaccidenten te voorkomen!
- De naaldcontainer heeft vaak een speciale dop: wanneer je de injectiespuit door deze dop steekt en vervolgens terugtrekt, blijft de injectienaald in de naaldcontainer achter.
- Met de optreknaald mag je deze speciale dop NIET gebruiken omdat de spuit anders gecontamineerd wordt.
- De optreknaald wordt eerst van de spuit gedraaid en dan pas in de naaldcontainer gedeponeerd.
- Je kan de naaldcontainer het best vervangen als deze voor driekwart gevuld is.
- Prik steeds in een soepele huid en nooit in:
- Harde plekken
- Huidbeschadigingen
- Tatoeages, littekens, hematomen en geboortevlekken
- Observeer steeds de zorgvrager tijdens/onmiddellijk na het inspuiten op:
- Pijn
- Misselijkheid/nausea
- Allergische reactie
- Nabloeden
Basiswerkplan
- Rekening houden met basisprincipes, zoals steriliteit.
- Rekening houden met de 5 J’s: juiste zorgvrager, juiste geneesmiddel, juiste dosis, juiste tijdstip en juiste toedieningswijze.
- Stappenplan toedienen medicatie:
- Raadpleeg het verpleegdossier
- Informeer je over:
- De identificatie van de zorgvrager (volledige naam, geboortedatum, kamer en bed);
- De datum en reden van opname, de diagnose en behandeling en de uit te voeren zorg(en);
- De graad van communicatie (bewustzijnsniveau, mogelijke beperkingen zoals blindheid, doofheid of een vorm van mentale beperking, anderstalig zijn …);
- De toestand van de zorgvrager (klinische kenmerken, aanwezigheid van infuus, zuurstofbril, verblijfskatheter …);
- De mobiliteitsklasse van de zorgvrager: wat kan de zorgvrager wél nog, in welke mate is de zorgvrager al dan niet zelfstandig en in welke mate is er nood aan hulpmiddelen;
- De rapportage van vorige zorgen en observaties;
- Instructies en richtlijnen m.b.t. een speciale werkwijze;
- De wensen van de zorgvrager.
- Informeer naar eventuele isolatiemaatregelen en/of specifieke richtlijnen m.b.t. infectiepreventie en pas deze toe tijdens de procedure.
- Observeer de zorgvrager en zijn omgeving.
- Controleer het voorschrift: juiste geneesmiddel en/of infuus, zorgvrager, tijdstip, dosering of inloopsnelheid, wijze van toediening (vijf J’s) en begin- en einddatum.
- Bij het inwinnen van informatie maken we ook gebruik van eventuele mondelinge informatie die werd doorgegeven tijdens de overdracht.
- Neem contact op met de zorgvrager
- Klop op de deur en wacht indien mogelijk op antwoord.
- Ga de kamer binnen.
- Ontsmet de handen bij het binnengaan.
- Begroet de zorgvrager met naam en voornaam. Dit bevordert de vertrouwensrelatie.
- Stel jezelf kort voor (als dit de eerste keer is dat je bij de zorgvrager komt). Dit houdt verband met het principe ‘beleving van de zorgvrager’ .
- Controleer de identiteit van de zorgvrager. Dit houdt verband met het principe ‘veiligheid’ .
- Bevraag luidop: VOLLEDIGE NAAM EN GEBOORTEDATUM (actief);
- Controleer de identiteitsarmband: VOLLEDIGE NAAM EN GEBOORTEDATUM (passief).
- Informeer de zorgvrager over de zorg(en) en vraag hem op de kamer te blijven. Vraag eventueel naar specifieke wensen en ga de eerdere ervaringen van de zorgvrager met betrekking tot de zorg na (bv. angst, pijn, allergieën …).
- Geef informatie over het doel en de procedure van de handeling. Informeer hem over het geneesmiddel en/of infuus: indicatie/doel, wijze van toediening, werking en mogelijke bijwerkingen, adviezen, mogelijke gewaarwordingen … Beantwoord indien nodig de vragen.
- Regel indien nodig de kamertemperatuur (door bv. de ramen/deur te sluiten). Dit houdt verband met de principes ‘beleving van de zorgvrager’ en ‘comfort’ .
- Ga na welk materiaal al in de kamer aanwezig is.
- Ontsmet de handen bij het verlaten van de kamer.
STAP 2: Verzamel het materiaal
- Reinig het werkvlak als het zichtbaar bevuild is.
- Ontsmet het werkvlak met desinfecterende doekjes.
- Vul het basismateriaal aan:
- Handontsmetting
- Afvalzakjes
- Desinfecterende doekjes
- Verzamel het specifieke materiaal (zie verdere stappenplannen).
- Vernieuw het afvalzakje.
STAP 3: Ontsmet de handen
- Was vooraf je handen als ze zichtbaar bevuild zijn.
- Ontsmet de handen.
- Volg hierbij het protocol dat gebruikt wordt door de World Health Organisation (WHO).
STAP 4: Bereid de kamer en de zorgvrager voor
- Zet het beletsignaal aan en stel jezelf voor.
- Als je dit nog niet deed in stap één: controleer de identiteit van de zorgvrager.
- Bevraag luidop: VOLLEDIGE NAAM EN GEBOORTEDATUM (actief);
- Controleer de identiteitsarmband: VOLLEDIGE NAAM EN GEBOORTEDATUM (passief).
- Indien nodig: vraag bezoekers de kamer te verlaten. Houd hierbij rekening met de wensen van de zorgvrager.
- Sluit het bedgordijn indien nodig (in een twee- of meerpersoonskamer).
- Creëer een werkomgeving met voldoende ruimte en licht.
- Orden het verzorgingsmateriaal.
- Breng de zorgvrager in een aangepaste houding en verwijder eventueel overbodige kussens.
- Zorg dat de zorgvrager comfortabel gepositioneerd is, rekening houdend met pijn, conditie of beperkingen. Overleg hieromtrent met de zorgvrager.
- Laat de zorgvrager zoveel mogelijk meewerken indien mogelijk. Maak eventueel gebruik van positioneringskussens of de faciliteiten van het bed.
- Houd rekening met de bereikbaarheid en de conditie van de injectieplaats.
- Houd rekening met de rotatie van de injectieplaats indien van toepassing. Het rotatieschema is terug te vinden in het dossier of op de kamer.
- Breng het afdekdeken aan indien nodig.
- Ontbloot de injectieplaats en controleer deze op tekenen van lipodystrofie (abnormale verdeling van onderhuids vetweefsel), oedeem of ontsteking.
- Werk volgens de ergonomische basisprincipes:
- Pas je houding en de plaats van de verzorgingswagen (indien mogelijk 90° t.o.v. het bed) aan volgens de ergonomische principes.
- Plaats, indien mogelijk, het afvalzakje tussen het werkveld en het bed; zo vermijd je overbodige manipulaties.
- Neem een stabiele houding aan.
- Plaats het bed op de juiste werkhoogte.
- Probeer zoveel mogelijk in de kijkrichting van de zorgvrager te werken.
- Sta recht tegenover je werkzone, zo vermijd je torsie of onnodige draaibewegingen van je romp ten opzichte van je onderlichaam.
- Vermijd ‘topzwaar staan’: dit kan vermeden worden door de zorgvrager te herpositioneren indien mogelijk of aan de andere zijde van het bed te werken.
- Bij langdurige zorgen kan je nu en dan van houding veranderen door op je ander been te steunen of één voet wat hoger te plaatsen.
- Als je dit nog niet deed in stap één: informeer de zorgvrager over de geplande zorg.
STAP 5: Voer de geplande handeling uit
- Wordt in de verdere stappenplannen uitgelegd.
STAP 6: Nazorg van de zorgvrager
- Help de zorgvrager, indien nodig, met het aantrekken van kledij.
- Verwijder het afdekdeken en dek de zorgvrager terug toe.
- Breng de zorgvrager in een comfortabele en aangepaste houding en breng het bed weer op de juiste hoogte voor de zorgvrager.
- Vraag aan de zorgvrager hoe hij de handeling ervaren heeft.
- Observeer de zorgvrager op tekenen/symptomen die kunnen wijzen op bijwerkingen.
- Breng alles binnen handbereik: beloproepsysteem, nachtkastje, drank …
- Ga na of de zorgvrager nog vragen heeft en/of nog iets nodig heeft.
STAP 7: Nazorg van de kamer
- Open de bedgordijnen.
- Verzamel en schik het gebruikte materiaal.
- In een twee- of meerpersoonskamer: vraag aan de kamergenoten of je voor hen ook nog iets kan doen.
- Doe het beletsignaal uit.
- Groet de zorgvrager.
- Ontsmet je handen bij het verlaten van de kamer.
STAP 8: Breng het gebruikte materiaal naar de spoelruimte
- Ruim de materialen op volgens afspraak en sorteer op correcte wijze:
- Gooi scherpe materialen (o.a. naalden) in de naaldcontainer;
- Werp glas (o.a. ampullen) in de glasbak;
- Doe wegwerpmateriaal in de afvalzak (niet die van de zorgvrager);
- Giet vloeistoffen weg volgens de afvalverwerkingsrichtlijnen van de instelling.
- Reinig/ontsmet het materiaal en laat het eventueel steriliseren.
- Indien nodig: reinig eerst het werkvlak als het zichtbaar bevuild is.
- Ontsmet het werkvlak met desinfecterende doekjes.
- Vul het basismateriaal aan.
- Vernieuw de afvalzak.
STAP 9: Ontsmet de handen
- Was vooraf je handen als ze zichtbaar bevuild zijn.
- Ontsmet de handen.
- Volg hierbij het protocol dat gebruikt wordt door de WHO.
STAP 10: Rapporteer mondeling en/of schriftelijk
- Evalueer de verleende zorg en rapporteer mondeling en/of schriftelijk.
- Duid aan dat het geneesmiddel is toegediend.
- Rapporteer observaties m.b.t. de toediening en eventuele bijwerkingen.
- Rapporteer en evalueer het effect van de toegediende medicatie.
Gebruiksklaar maken van inspuitingen
Inleiding
- Voordelen van inspuitingen:
- Snellere werking
- Geen afbraak van geneesmiddelen in het maagdarmkanaal
- Meer constante bloedspiegel
- Nadelen:
- Moeilijkheidsgraad
- Als onaangenaam ervaren door zorgvragers
- Grotere risico’s
- Beschadiging zenuwen, bloedvaten of weke delen
- Micro-organismen in de bloedbaan
Injectiespuiten
- Opgebouwd uit:
- Gekalibreerd cilindrisch vat
- Nauwsluitende stamper of zuiger
- Conus of aanzetstuk
- Groot aantal maten: 0,5 ml tot 60 ml
- 1 tot 5 ml injectiespuit is in het algemeen voldoende voor subcutane of intramusculaire injecties.
- Grotere injectiespuiten: medicatie toevoegen aan intraveneuze perfusies, wonden irrigeren of voeding of medicatie via een maagsonde.
- Kalibratie van insulinespuiten: onderverdelingen in internationale eenheden (I.E.; international units, I.U.) en 1 I.E.=0,01 ml
- Geclassificeerd als Luer-Lock of niet-Luer-Lock spuiten
- Spuiten met kathetertip: niet voor het toedienen van injecties maar voor andere doeleinden (bv. toedienen van medicatie via de maagsonde).
Injectienaalden
- Verschillende diktes en lengtes
- Soort naald is afhankelijk van de te injecteren vloeistof en de plaats van het injecteren.
- Optreknaalden
- Afmeting van naalden wordt veelal weergegeven in Gauge/Inch.
- Beschermd door een omhulsel
- Naalden onmiddellijk na gebruik in een naaldcontainer deponeren.
- Nooit recappen na injectie!!
- Veiligheidsnaalden
Injectievloeistoffen
- Moeten steeds steriel zijn
- Geneesmiddelen in poedervorm dienen eerst te worden opgelost alvorens ze worden toegediend: Aqua distillaat, fysiologische oplossing of in specifieke bijgeleverde solvens.
- Afleveringsvormen:
- Ampul: een glazen flesje met vloeistof
- Flapul: een plastic flesje met vloeistof
- Flacon: een glazen flesje met een rubberen dop, afgesloten met een metalen lipje
- Gebruiksklare inspuitingen
STAP 1: Raadpleeg het verpleegdossier
- Controleer het voorschrift: juiste geneesmiddel, zorgvrager, tijdstip, dosering, wijze van toediening (vijf J’s) en begin- en einddatum.
STAP 2: Verzamel het materiaal
- Reinig en ontsmet het werkvlak
- Materiaal:
- Steriele spuit
- Steriele optreknaald
- Steriele injectienaald + reserve
- Geneesmiddel (ampul, flapul of flacon)
- Oplosvloeistof (in geval van poeder)
- Kocher (bij optrekken flacon)
- Alcoholdoekje 70% of kompres met alcohol 70%
- Kompres
- Naaldcontainer
- Etiket: naam van de zorgvrager, naam van het geneesmiddel, de wijze van toediening, de dosis, het kamernummer en het tijdstip van toediening
- Nierbekken of plateau voor de klaargemaakte medicatie
- Nierbekken als afvalrecipiënt voor glas
STAP 3: Ontsmet de handen
STAP 4: Bereid de kamer en de zorgvrager voor
STAP 5: Voer de geplande handeling uit
- Zorg voor een rustige omgeving.
- Bereid de spuit met naald voor:
- Methode 1:Open de verpakking van de spuit door het bovenste deel van de verpakking volledig te verwijderen en de spuit in het onderste doorzichtige blistergedeelte te laten liggen. Open de verpakking van de optreknaald door beide flapjes open te trekken. Plooi de beide flapjes zo ver mogelijk naar achteren en neem de verpakking met de naald in de niet-dominante hand.Neem de spuit uit het blistergedeelte.
- Methode 2: Open de verpakking van de optreknaald door beide flapjes open te trekken.Plooi de beide flapjes zo ver mogelijk naar achteren.Fixeer de geopende verpakking met de naald tussen de vingers van de niet- dominante hand met de opening van de naald weg van de handpalm.Neem met je dominante hand de verpakking van de spuit vast. Open de verpakking van de spuit met je dominante hand en de duim van je niet dominante hand door beide flapjes open te trekken.Haal de spuit uit de verpakking.Let er bij deze methode op dat je met de conus van de spuit/naald niet tegen je vingers botst of op een andere manier onsteriel maakt.
- Koppel de spuit door middel van een duwende en draaiende beweging (kwartslag) op de conus van de naald.
- Purgeer de eventueel aanwezige lucht in de spuit door de stamper volledig naar voor te duwen.
- Leg de gekoppelde spuit op het propere werkvlak.
- Bereid het geneesmiddel voor en trek op in de spuit:
- Geneesmiddel in een ampul
- Controleer of alle vloeistof onderaan de ampul is.
- Zoek het merkteken op de hals van de ampul en houd het merkteken naar je toe. Plaats daarboven je duim om de hals af te breken.
- Houd een kompres achter de hals van de ampul met je wijsvinger en breek de hals van de ampul voorzichtig af naar achteren, weg van jezelf.
- Deponeer de kop van de ampul rechtstreeks in de naaldcontainer of leg deze in een afzonderlijk nierbekken.
- Neem de gekoppelde spuit.
- Haal de huls van de naald door middel van een trekkende beweging. Leg de huls voorzichtig op het propere werkvlak zodat de opening van de huls het werkvlak niet raakt.
- Plaats de punt van de naald in de ampul zonder de buitenkant te raken.
- Zuig de correcte hoeveelheid medicatie op:
- Methode 1:Houd de ampul rechtop, op het werkvlak en houd deze vast met je niet- dominante hand.
- Methode 2:Neem de ampul in je niet-dominante hand tussen wijs- en middenvinger,handpalm naar boven, de handrug naar het werkblad gericht. Neem hierbij de ampul tussen wijs- en middenvinger van je niet-dominante hand vast en het voorste deel van de spuit tussen duim en ringvinger.Draai de ampul met de spuit 180° zodat je de ampul ondersteboven houdt.Houd de punt van de naald onderaan (t.h.v. de hals) in de vloeistof. De opening van de naald wijst naar beneden.
- Neem met duim en middenvinger van je dominante hand het uiteinde van de zuiger,plaats je wijsvinger tegen de zijkant van de vleugels van de cilinder en zuig de benodigde hoeveelheid op (de bovenkant van de zuiger geeft de juiste hoeveelheid aan). Kom hierbij niet aan de stamper! Houd zo nodig de ampul een beetje schuin.
- Haal de naald uit de ampul.
- Leg de ampul in een nierbekken (= tijdelijk afvalrecipiënt) of gooi onmiddellijk in de naaldcontainer.
- Maak de spuit gebruiksklaar (zie verder).
- Geneesmiddel in een flacon: vloeistof
- Meng de vloeistof in de flacon en controleer op helderheid.
- Verwijder het metalen of plastieken sluitplaatje van de flacon met je duim of met behulp van een kocher.
- Ontsmet de rubberen dop van de flacon met een alcoholdoekje of kompres met alcohol 70%. Laat het ontsmettingsmiddel minstens 15 seconden inwerken.
- Neem de gekoppelde spuit.
- Haal de huls van de naald en leg deze op het propere werkvlak.
- Zuig een hoeveelheid lucht in de spuit die overeenkomt met de voorgeschreven dosering.
- Fixeer met de ene hand de flacon en duw met de andere hand de naald in het midden door de rubberen dop, zonder de buitenkant van de flacon te raken.
- Spuit de hoeveelheid opgezogen lucht langzaam in de flacon.
- Zuig de juiste hoeveelheid medicatie op:
- Draai de flacon met de spuit 180° zodat je de flacon ondersteboven houdt.
- Neem de flacon in je niet-dominante hand tussen wijs- en middenvinger, handrug boven, de handpalm naar het werkblad gericht. Fixeer eventueel het bovenste deel van de spuitcilinder met de duim en ringvinger van je niet- dominante hand.
- Houd de punt van de naald onderaan in de vloeistof. De opening van de naald wijst naar beneden. Houd de flacon zo nodig een beetje schuin om alle nodige medicatie op te zuigen.
- Haal de naald uit de flacon.
- Leg de flacon in een nierbekken (= tijdelijk afvalrecipiënt).
- Maak de spuit gebruiksklaar (zie verder).
- Geneesmiddel in een flacon: poeder
- Verwijder het metalen of plastieken sluitplaatje van de flacon met je duim of met behulp van een kocher.
- Ontsmet de rubberen dop van de flacon met een alcoholdoekje of kompres met alcohol 70%. Laat het ontsmettingsmiddel minstens 15 seconden inwerken.
- Trek de voorgeschreven hoeveelheid oplosvloeistof op (uit ampul, flacon of minibag).
- LET OP: raak het deel van de stamper dat in de spuitcilinder schuift niet aan!
- Houd de flacon vast en duw de naald door het midden van de dop van de flacon met het poeder.
- Spuit de oplosvloeistof langzaam in de flacon.
- Laat de zuiger van de spuit los als alle vloeistof is ingespoten en laat de lucht in de flacon zich verplaatsen in de spuit.
- Laat de naald met de spuit in de flacon zitten en wentel rustig de flacon.
- Wacht tot de medicatie volledig is opgelost.
- Verplaats de lucht van de spuit terug in de flacon.
- Zuig de medicatie op:
- Draai de flacon met de spuit 180° zodat je de flacon ondersteboven houdt. Neem de flacon in je niet-dominante hand tussen wijs- en middenvinger, handrug naar boven, de handpalm naar het werkblad gericht. Fixeer eventueel het bovenste deel van de spuitcilinder met de duim en ringvinger van je niet- dominante hand.
- Houd de punt van de naald onderaan in de vloeistof. De opening van de naald wijst naar beneden. Houd de flacon zo nodig een beetje schuin om alle nodige medicatie op te zuigen.
- Haal de naald uit de flacon.
- Leg de flacon in een nierbekken (= tijdelijk afvalrecipiënt).
- Maak de spuit gebruiksklaar.
- Maak de spuit gebruiksklaar
- Houd de spuit verticaal met de naaldpunt naar boven om ervoor te zorgen dat de vloeistof uit de optreknaald is.
- Creëer een luchtkolom in de spuit: trek de stamper iets terug om lucht aan de conuszijde te krijgen.
- Fixeer met één hand de spuit.
- Tik de luchtbel bij de stamper weg.
- Verwijder de lucht uit de cilinder en duw vervolgens de stamper langzaam richting conus totdat de vloeistof in de spuit de conus bereikt heeft. Controleer ter hoogte van de bovenzijde van de stamper of de correcte hoeveelheid medicatie in de spuit opgetrokken is.
- Ontkoppel de optreknaald met de hand (door een draaibeweging) zonder de conus van de spuit aan te raken en gooi deze in de naaldcontainer. De optreknaald dient niet gerecapt te worden.
- Neem de spuit halverwege de cilinder tussen je wijs- en middenvinger, met de conus weg van je handpalm.
- Neem de verpakking van de injectienaald en maak ze open (eventueel kan deze verpakking al op voorhand geopend worden).
- Plaats de injectienaald op de spuit.
- De injectienaald wordt nooit gepurgeerd om te voorkomen dat medicatie verloren gaat en de medicatie aan de buitenzijde van de naald een prikkelend gevoel kan geven bij het inspuiten.
- Leg de klaargemaakte spuit in het nierbekken of op de plateau.
- Breng het etiket met de juiste informatie aan: naam en geboortedatum van de zorgvrager, kamernummer en bed, naam en dosis van het geneesmiddel, wijze van toediening en tijdstip van toediening.
STAP 6: Nazorg van de zorgvrager
STAP 7: Nazorg van de kamer
STAP 8: Breng het gebruikte materiaal naar de spoelruimte
STAP 9: Ontsmet de handen
STAP 10: Rapporteer mondeling en/of schriftelijk
- Duid aan dat het geneesmiddel is voorbereid.
- In de meeste situaties wordt het geneesmiddel klaargemaakt en onmiddellijk toegediend.
Toedienen van intradermale inspuitingen
Inleiding
- De vloeistof wordt ingespoten in de bovenste huidlaag (epidermis).
- Vaak zijn het zeer geconcentreerde oplossingen, die bij een inspuiting op een andere wijze, aanleiding zouden geven tot ongewenste reacties.
Indicaties
- Gezien de zeer trage resorptiesnelheid, wordt deze vorm van inspuiting gebruikt bij diverse diagnostische tests (bv. de Mantouxtest of tuberculinetest waarbij wordt nagegaan of iemand ooit in aanraking is geweest met de tuberkelbacil) en tests om een bepaalde allergie vast te stellen (bv. nikkel).
Plaats van toediening
- Belangrijk is dat de huid weinig gepigmenteerd en onbehaard is. Zo kun je de huidreactie op een diagnostische inspuiting goed beoordelen.
- Geschikte plaatsen voor intradermale injecties zijn:
- De binnenkant van de onderarm (Mantoux- en allergietest)
- De schouderbladen (allergietest)
- Controleer het voorschrift: juiste geneesmiddel, zorgvrager, tijdstip, dosering, wijze van toediening (vijf J’s) en begin- en einddatum.
- Informeer de zorgvrager over het geneesmiddel: indicatie/doel, wijze van toediening, werking en mogelijke bijwerkingen, adviezen, mogelijke gewaarwordingen …
STAP 2: Verzamel het materiaal
- Gelabelde klaargemaakte spuit met de juiste injectienaald (26 - 27 G)
- Steriele reserve injectienaald
- Nierbekken of plateau
- Naaldcontainer
- Eventueel een kompres
STAP 3: Ontsmet de handen
STAP 4: Bereid de kamer en de zorgvrager voor
STAP 5: Voer de geplande handeling uit
- Ontsmet de handen.
- Neem de inject