Begrippenlijst Blok 1: Sociale Vraagstukken en Sociaal Werk

Sociale Vraagstukken en Basisbegrippen

  • Basisinkomen: Dit betekent dat iedereen van de overheid een vast bedrag per maand krijgt, waarbij het niet uitmaakt of de persoon werkt of andere inkomsten heeft.
  • Vluchtelingen: Dit zijn mensen die hun eigen land noodgedwongen hebben moeten verlaten vanwege oorlog of andere ernstige problemen.
  • Etnisch profileren: Dit houdt in dat mensen worden aangehouden of anders worden behandeld op basis van hun uiterlijk, zonder dat ze daadwerkelijk iets verkeerds hebben gedaan.
  • Sociaal vraagstuk: Een maatschappelijke kwestie of probleem dat door een groot aantal mensen als onwenselijk wordt beschouwd.
  • Verwarde Personen: Personen die zich in een acute psychische crisis bevinden en daardoor onvoorspelbaar of zorgwekkend gedrag laten zien.
  • Integratie: Het proces waarbij verschillende delen of groepen samenkomen om een geheel te vormen, met de nadruk op sociale, culturele en economische samenvoeging.
  • Armoede: Een situatie waarin een individu over onvoldoende middelen beschikt om in de basisbehoeften te voorzien.
  • Eenzaamheid: Het subjectieve gevoel dat er een tekort is aan betekenisvolle sociale contacten.
  • Huisvestingsproblematiek: De situatie waarin iemand geen passende, veilige of betaalbare woonruimte kan vinden.
  • Schuldenproblematiek: Het hebben van financiële verplichtingen die een persoon niet meer kan overzien of kan terugbetalen.
  • Sociaal isolement: Het volledig ontbreken van contact met anderen, waardoor iemand buiten de samenleving komt te staan (afzondering).
  • Psychosociale problemen: De interactie, wisselwerking of het onderlinge verband tussen sociale problemen en problemen op psychisch gebied.
  • Sociale uitsluiting: De situatie waarin iemand niet kan deelnemen aan belangrijke maatschappelijke activiteiten.
  • Werkloosheid: Het niet bezitten van betaald werk, terwijl de persoon wel beschikbaar en bereid is om te werken.
  • Woningnood: Een tekort aan beschikbare en betaalbare woningen voor woningzoekenden.
  • SES (Sociaal Economische Status): De maatschappelijke positie van een individu gebaseerd op inkomen, opleiding en beroep.
  • Maatschappelijk bewustzijn: Het begrijpen van de werking van de samenleving, zoals de omgang tussen mensen en de invloed van geld en politiek op gemaakte keuzes.
  • Voltooid leven: Een term gebruikt wanneer iemand op latere leeftijd het gevoel heeft dat zijn of haar leven volledig is en geen medische behandelingen of zorg meer wenst om het leven te verlengen.

Samenleving, Sociologie en Antropologie

  • Sociologie: Het wetenschappelijke vakgebied van sociale wetenschappers dat zich bezighoudt met de manier waarop mensen samenleven.
  • Sociale cohesie: De mate waarin mensen in een samenleving zich met elkaar verbonden voelen.
  • Sociale structuur: Een netwerk van relaties tussen groepen mensen of tussen mensen onderling.
  • Sociale ongelijkheid: De situatie waarin bepaalde groepen binnen de samenleving worden bevoordeeld, terwijl andere worden benadeeld.
  • Rationalisering: In deze context staat dit gelijk aan modernisering.
  • Modernisering: De overgang van een traditionele naar een moderne samenleving.
  • Antropologie: Onderzoekt hoe mensen betekenis geven aan hun leefwereld en bekijkt de mens door de eeuwen heen.
  • Culturele Antropologie: Richt zich specifiek op culturele diversiteit, verschillen tussen samenlevingen en de invloed van cultuur op gedrag.
  • Sociale stijging: Het stijgen van iemands positie op de maatschappelijke ladder.
  • Sociale daling: Het dalen van iemands positie op de maatschappelijke ladder.
  • Kansenongelijkheid: Het feit dat er gezinnen zijn mét en zonder sociale privileges, die van de ene op de andere generatie worden overgedragen.
  • Sociale hoogtevrees: Het ongemakkelijke gevoel dat kinderen van praktisch opgeleide ouders ervaren wanneer zij zich opwerken naar een hogere status dan hun ouders.
  • Sociale stratificatie: Een rangschikking van posities (status) van hoog naar laag of vice versa.
  • Meritocratie: Een samenleving waarin de maatschappelijke positie uitsluitend is gebaseerd op verdiensten (merites) en niet op aanleg, afkomst, bezit, achtergrond of geslacht.
  • Sociale segregatie: De situatie waarin verschillende bevolkingsgroepen in het dagelijks leven nauwelijks contact hebben met elkaar.
  • Segregatie: De ruimtelijke of sociale afstand tussen verschillende groepen.

Het Werkveld van het Algemeen Sociaal Werk

  • Algemeen sociaal werk: Gericht op het versterken van welzijn en zelfredzaamheid van individuen.
  • Schuldhulpverlening: Ondersteuning van individuen en gezinnen met financiële problemen en schulden.
  • Participatie- en buurtwerk: Gericht op het versterken van gemeenschappen, sociale cohesie en actieve betrokkenheid van bewoners bij hun buurt.
  • Jeugd- en jongerenwerk: Begeleiding van jonge mensen in hun persoonlijke en sociale ontwikkeling.
  • Peuterspeelzaalwerk: De sociaal werker fungeert als pedagogisch professional en creëert een veilige omgeving waar peuters sociale vaardigheden ontwikkelen en zich voorbereiden op de basisschool.
  • Opvoedingsondersteuning: Advies en begeleiding aan ouders bij de opvoeding.
  • Jeugdzorg: Zorgt voor een veilige opgroeiongeving voor kinderen en jongeren.
  • Jeugdreclassering: Begeleiding en controle van kinderen tussen de 1212 en 1818 jaar die in aanraking zijn gekomen met de politie, om herhaling te voorkomen.
  • Vrijwilligerswerk: Een gemeenschap waarin mensen onbetaald tijd en energie inzetten voor anderen.
  • Mantelzorg: Onbetaalde zorg die wordt verleend aan familieleden, vrienden of buren.
  • Maatschappelijk werk: Individuele en collectieve ondersteuning bij persoonlijke, sociale, financiële of emotionele uitdagingen.
  • Maatschappelijke opvang en vrouwenopvang: Bieden van veiligheid en herstel in crisissituaties.
  • Sociaal Raadslieden Werk (SRW): Sociaaljuridische ondersteuning aan individuen en gemeenschappen.
  • Ouderenwerk: Ondersteuning en bevordering van het welzijn van ouderen.
  • Woningbouwcoöperaties: Beheer en ontwikkeling van woningen met focus op betaalbaarheid, duurzaamheid en leefbaarheid.
  • Geestelijke gezondheidszorg (GGZ): Gespecialiseerde zorg voor mensen met psychische problemen.     * Eerstelijnszorg: Zorg die direct toegankelijk is zonder verwijzing.     * Tweedelijnszorg: Zorg waarvoor altijd een verwijzing van de huisarts of crisisdienst nodig is.
  • Verslavingszorg: Onderdeel van de GGZ dat zich richt op zorg voor (ex-)verslaafden.
  • Reclassering: Begeleiding van mensen in het strafrechtsysteem met als doel re-integratie en het voorkomen van recidive.
  • Huisartsenzorg: Toegankelijke en geïntegreerde medische zorg.
  • Opbouwwerk: Versterken van gemeenschappen en aanpakken van lokale sociale vraagstukken.
  • Gehandicaptenzorg: Begeleiding van mensen met een beperking.
  • Sociale wijkteams: Multidisciplinaire teams (maatschappelijk werkers, psychologen, jeugdhulpverleners) in gemeenten.
  • Veilig Thuis: Landelijk samenwerkingsverband tegen huiselijk geweld en kindermishandeling.
  • Jeugdzorg Plus: Gesloten jeugdhulp voor jongeren die niet bereikbaar zijn voor lichtere hulpvormen (ketensamenwerking).

Zorgvormen en Classificaties

  • Ambulante zorg (Extramurale zorg): Zorg die buiten de muren van een instelling wordt verleend.
  • Intramurale zorg (Klinische zorg): Zorg binnen de muren van een instelling.
  • Residentiële zorg: Valt onder intramurale zorg; zorg binnen een instelling.
  • Semimurale zorg: Vorm tussen extramuraal en intramuraal; de cliënt heeft meer zorg nodig dan thuis, maar volledig verblijf is niet nodig.
  • Transmurale zorg (Ketenzorg): Zorg aangeboden door verschillende zorgverleners in samenwerking.

Ontwikkelingen in het Werkveld

  • Financiële zekerheid: Voldoende middelen voor basisbehoeften zoals eten, wonen, onderwijs en zorg.
  • Individualisering: De trend waarbij mensen hun eigen behoeften en keuzes centraal stellen boven die van de groep.
  • Demografische verandering: Wijzigingen in de bevolkingsopbouw van een land.
  • Decentralisatie: Het verplaatsen van taken van de landelijke overheid naar gemeenten.
  • Vraaggerichte zorg: Ondersteuning afstemmen op de werkelijke behoefte van de cliënt.
  • Vermaatschappelijking van de zorg: Zorg vindt vaker plaats in de samenleving in plaats van in instellingen.
  • Signaleren: Het herkennen van veranderingen, problemen en behoeften in de gemeenschap.
  • Agenderen: Het bekendmaken van gesignaleerde kwesties bij beleidsmakers of gemeenten.
  • Sociaal Werk Nederland: Brancheorganisatie voor sociaal werk.
  • Movisie: Kennisinstituut voor sociale vraagstukken.

Radicalisering en Extremisme

  • Radicalisering: Het ontwikkelen van extremere ideeën om diepgaande veranderingen in de samenleving na te streven.
  • Extremisme: Het toestaan of gebruiken van geweld om maatschappelijke doelen te bereiken.
  • Terrorisme: Gebruik van geweld en dreigementen voor politieke, religieuze of ideologische doelen door angst te zaaien.
  • Polarisatie: Toenemend ‘wij-zij-denken’ tussen groepen.
  • Rechts-extremisme: Radicale ideeën voortgekomen uit rechtse politieke standpunten.
  • Links-extremisme: Radicale ideeën over linkse politiek, soms gericht op het omverwerpen van het huidige systeem.
  • Religieus extremisme: Strenge en vaak gewelddadige navolging van geloofsovertuigingen.
  • Anti-institutioneel extremisme: Verzet tegen gevestigde instellingen en structuren.
  • Milieu-extremisme: Extreme standpunten of gewelddadige acties uit naam van milieubelangen.
  • Vervreemding van de maatschappij: Wanneer mensen zich uitgesloten voelen, kunnen zij vatbaar worden voor radicale ideeën.
  • Gepolariseerde samenleving: Een omgeving waar verschillen verscherpen, wat een voedingsbodem vormt voor radicalisering.
  • Aansluiting leefwerelden: Wanneer de werelden van thuis, school en vrije tijd niet op elkaar aansluiten bij jongeren.

Beroepscompetenties en Structuur

  • Competentie: Combinatie van kennis, vaardigheden en houding voor het uitvoeren van een taak.
  • Beroepscompetentieprofiel (Beroepsprofiel): Globaal overzicht van benodigde competenties voor een beroep.
  • Kwalificatiedossier: Gedetailleerde uitwerking van kerntaken en werkprocessen.
  • Registerplein: Onderscheidt 1414 categorieën beroepen in het sociaal domein.
  • Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG): Bewijs dat iemand geen strafbare feiten heeft gepleegd die de uitoefening van het beroep belemmeren.
  • Functie: Verzameling taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden.
  • Taak: Specifieke handeling of activiteit.
  • Verantwoordelijkheid: De plicht om verantwoording af te leggen over de uitvoering van taken.
  • Bevoegdheid: Het recht om namens de werkgever handelingen uit te voeren.
  • Delegeren: Het overdragen van taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden naar een lager niveau.
  • Functiebeschrijving: Document met hoofdtaken en eisen.
  • Functieprofiel: Een verkorte versie van de functiebeschrijving.

Beroepshouding

  • Beroepshouding: Kenmerkende persoonlijke eigenschappen nodig voor goede beroepsuitoefening.
  • Respect: Onvoorwaardelijke acceptatie van de ander als mens, ongeacht beperkingen of achtergrond.
  • Stereotyperen: Het toekennen van (meestal negatieve) vooroordelen aan een individu of groep op basis van generalisatie.
  • Empathie: Inlevingsvermogen.     * Cognitieve empathie: Gebaseerd op kennis en feiten.     * Affectieve empathie: Gebaseerd op het inleven in gevoelens.
  • Functionele distantie (Beroepsmatige afstand): Het bewaren van gepaste afstand.
  • Integriteit: Oprecht en eerlijk handelen.
  • Assertief: Opkomen voor jezelf.
  • Beroepscode: Beschrijving van waarden en normen voor de beroepsbeoefenaar.
  • Verschoningsrecht: Het recht om te zwijgen tijdens een rechtszaak.

Gezondheid en Welzijn

  • Biopsychosociale benadering: Gezondheid als samenspel van:     * Biologische factoren: Leeftijd, geslacht, erfelijkheid, lichamelijke gezondheid.     * Psychologische factoren: Gedrag, coping, stress, psychische gezondheid.     * Sociale factoren: Gezin, werk, cultuur, SES, sport.
  • Holistische mensvisie: De mens als één geheel van lichaam, psyche, ziel, emoties en omgeving.
  • Positieve Psychologie: Focus op mogelijkheden voor een zinvol leven.
  • Positieve Gezondheid: Vermogen om zich aan te passen en eigen regie te voeren bij uitdagingen.
  • Leefstijl: Gedrag met directe invloed op gezondheid.
  • Copingstijl: Hoe iemand omgaat met tegenslag.     * Probleemgerichte coping: Oplossingsgericht handelen.     * Emotiegerichte coping: Vluchten voor negatieve gevolgen (roken, drinken).     * Responsgerichte coping: Gevolgen in zichzelf verminderen (meditatie).
  • Van ZZ naar GG: Verschuiving van 'Zorg en Ziekte' naar 'Gedrag en Gezondheid'.
  • Gezondheidsverschillen: Verschillen in levensverwachting tussen SES-groepen.
  • Chronische stress: Langdurige stress (door bijv. armoede) die de kans op ziekten verhoogt.
  • Laaggeletterdheid: Moeite met basisvaardigheden zoals lezen en rekenen; bemoeilijkt toegang tot zorg.
  • Vicieuze cirkel: Spiraal van problemen (bijv. armoede → stress → gezondheidsproblemen → werkloosheid).
  • 88-fasenmodel: Planmatige methode gericht op eigen kracht, van aanmelding tot afronding.     * Leefgebieden: Zingeving, Wonen, Financiën, Sociale relaties, Lichamelijke gezondheid, Psychische gezondheid, Werk en activiteiten.
  • Het spinnenweb (IPH): Instrument voor cliënten om gezondheid op 66 dimensies te beoordelen.
  • Krachtwerk: Interventie voor herstel en meedoen door krachten te versterken.
  • Zingeving: Betekenis geven aan het eigen leven.

Participatie en Burgerschap

  • Maatschappelijke participatie: Positief bijdragen aan de omgeving.
  • Individuele participatie: Bijdragen op een eigen, passende manier.
  • Actief burgerschap: Meedoen aan en vormgeven van de maatschappij (sociaal, politiek, cultureel, economisch).
  • Burgerinitiatief: Burgers die zelf iets opzetten of verbeteren.
  • Jongerenparticipatie (Jeugdparticipatie): Actief meebeslissen door jongeren over voor hen relevante zaken.
  • Participatiewiel (Movisie): Leidraad voor ondersteuning bij deelname aan de samenleving.
  • Collectieve sociale voorzieningen: Door de overheid mogelijk gemaakte voorzieningen voor iedereen.

Professionele Dilemma's en Ethiek

  • Activering vs. Overname: Aanmoedigen tot zelfredzaamheid versus directe probleemoplossing door de professional.
  • Afstand vs. Nabijheid: Professionele distantie versus het opbouwen van een persoonlijke relatie.
  • Inclusiviteit: Toegang garanderen voor iedereen, ongeacht verschillen.
  • Professionele autonomie: Zelfstandig beslissingen kunnen nemen.
  • Discretionaire ruimte: De vrijheid om een eigen professioneel oordeel te vellen.
  • Beroepsrol: Taken en gedragingen horend bij een functie.
  • Informele hulp: Hulp van sociale kringen (vrienden, familie).
  • Privacybescherming: Geheimhouding van cliëntinformatie.
  • Ethiek: Filosofische wetenschap over moraal.
  • Moraal: Algemeen geldende normen en waarden.
  • Beroepsethiek: Normen en waarden voor professioneel handelen.     * Formele waarden: Vastgelegd in regelingen.     * Informele waarden: Algemeen aanvaard maar niet expliciet beschreven.
  • Geweten: Persoonlijk oordeel over goed en kwaad.
  • Ethisch dilemma: Keuzevraagstuk waarbij de gewenste actie niet direct duidelijk is.
  • Onderzoekende beroepshouding:     * Opmerkzaam zijn: Scherp letten op de omgeving.     * Nieuwsgierig zijn: Actief doorvragen.     * Bedachtzaam zijn: Zorgvuldig nadenken over keuzes en gevolgen.     * Kritisch zijn: Nadenken over binnenkomende informatie.

Reflectie en Professionalisering

  • Reflecteren: Terugkijken op handelen om effectiever te worden.
  • Zelfreflectie: Individueel nadenken over eigen functioneren.
  • Intervisie: Groep vakgenoten bespreekt praktijksituaties.
  • Supervisie: Reflectie op functioneren onder begeleiding van een deskundige supervisor.
  • Spiraalmodel van Korthagen: Cyclisch proces van 55 stappen voor diepgaande reflectie.
  • ABCD-methode: Aanleiding - Belangrijk - Conclusie - Doen.
  • STARRT-methode: Situatie - Taak - Actie - Resultaat - Reflectie - Transfer.
  • Leerfasenmodel van Maslow: Onbewust onbekwaam → Bewust onbekwaam → Bewust bekwaam → Onbewust bekwaam.
  • Zelfhulp: Activiteiten ter herstel of beheersing van eigen problemen.
  • Publieke waarde: Wat waardevol wordt geacht binnen de samenleving.
  • Professionalisering: Verbeteren van werkkwaliteit en bijdragen aan beroepsontwikkeling.
  • Deskundigheidsbevordering: Gerichte activiteiten voor kennis en expertise in de huidige functie.
  • Soft skills: Persoonlijke eigenschappen en gedragingen buiten technische vaardigheden.
  • Bijscholing vs. Nascholing: Opdoen van ontbrekende kennis versus up-to-date houden van kennis.
  • Incidentmethode (Intervisie): Gestructureerde intervisiemethodiek.
  • Roddelmethode: Inbrenger hoort anderen ‘roddelen’ voor nieuwe inzichten.
  • 55-Stappenmethode: Gelijktijdige ontwikkeling van inbrenger en groep.

Organisatie en Beleid

  • Organisatie: Bundeling van menskracht en vakkennis voor specifieke doelen.     * Profitorganisatie: Doel is winst maken.     * Non-profitorganisatie: Maatschappelijk doel zonder winstoogmerk.     * Non-gouvernementele organisatie (NGO): Niet-overheidsorganisatie voor maatschappelijke problemen.
  • Bestuursproces: Regelt beheer en missiebewaking.
  • Primaire proces: Directe uitvoering van de missie.
  • Organogram: Schematische weergave van organisatiestructuur.
  • Lijn-staforganisatie: Lijnorganisatie aangevuld met staf- en ondersteunende processen.
  • Matrixorganisatie: Medewerkers van verschillende afdelingen werken samen in teams onder wisselende leiding.
  • Zelforganiserend team: Management bepaalt doelen, team de invulling.
  • Zelfsturend team: Team bepaalt zowel doelen als prioriteiten.
  • Organisatiecultuur: Geheel van waarden en normen binnen een organisatie.
  • OCAI-model (Cameron & Quinn):     * Familiecultuur: Relaties staan centraal.     * Adhocracycultuur: Snelle besluitvorming zonder veel protocollen.     * Hiërarchische cultuur: Duidelijke niveauverschillen en leiderschap.     * Marktcultuur: Focus op marktpositie.
  • Organisatiesensitiviteit: Gevoel voor de interne werking van een organisatie.
  • Missie (Mission statement): Wat de organisatie doet en waar zij voor staat.
  • Visie: Wat de organisatie wil bereiken.
  • Kernwaarden: Waarden die de organisatie uitdraagt.
  • Beleid: Maatregelen om doelen te behalen.     * Operationeel: Kortetermijn.     * Tactisch: Middellangetermijn.     * Strategisch: Langetermijn (langer dan circa 33 jaar).
  • Plan-Do-Check-Act-cyclus (PDCA): Hulpmiddel voor beleidsontwikkeling.
  • Ondernemingsraad (OR): Overlegorgaan namens medewerkers met het bestuur.
  • Protocol: Regels of stappen voor specifieke situaties.
  • Voorschrift: Verplichte opvolging van regels.

Mensenrechten en Internationale Verdragen

  • Verenigde Naties (VN): Mondiale organisatie voor vrede en stabiliteit.
  • Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM): Basis voor internationale afspraken.
  • Internationaal Verdrag burgerrechten en politieke rechten (IVBPR):     * Burgerrechten: Bescherming van persoonlijke vrijheden tegen de overheid.     * Politieke rechten: Grondrechten voor positie ten opzichte van de staat.
  • Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR):     * Economische rechten: Ontwikkeling en bescherming.     * Sociale rechten: Voorzien in basisbehoeften.     * Culturele rechten: Gebaseerd op cultuurrelativisme (alle culturen gelijkwaardig).
  • VN-verdrag Handicap (IVRPB): Bescherming en waarborging van rechten voor personen met een beperking.
  • Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM): Regelt mensenrechten voor inwoners van verdragsluitende staten.
  • Europees Sociaal Handvest (ESH): Mensenrechtenverdrag voor lidstaten van de Raad van Europa.
  • Raad van Europa: Instantie die zich richt op mensenrechten.
  • Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR): Controleert naleving van het handvest.
  • Kinderrechtenverdrag: Afspraken over de rechten van kinderen en jongeren.
  • Institutioneel racisme: Structurele ongelijkheid door beleid en regels van instituten.

Communicatie, Overleg en Feedback

  • Formeel overleg: Gepland en voorbereid met een agenda.
  • Informeel overleg: Spontaan zonder specifieke voorbereiding.
  • Vooroverleg: Informeel beraad voorafgaand aan een formeel overleg.
  • Vergaderen: Bijeenkomen voor overleg of besluitvorming.
  • Notuleren: Verslaglegging van de vergadering.
  • Vergaderagenda: Overzicht van onderwerpen.
  • Raamagenda: Standaardagenda voor herhalende vergaderingen.
  • Besluitenlijst: Schematisch overzicht van afspraken.
  • Besluitvormingsregels:     * Meerderheidsbesluit: de helft+1\text{de helft} + 1 stemt vóór.     * Consensus: Overeenstemming tussen alle partijen.     * Unanimiteit: Iedereen is het volledig eens.     * Delegatie: Eén persoon krijgt bevoegdheid om te beslissen.     * Vetorecht: Recht om een besluit te blokkeren (Veto: ‘ik verbied’).
  • Feedback: Boodschap over het handelen van een ander.     * Positieve feedback: Over effectief of prettig gedrag.     * Negatieve feedback: Gericht op verandering van ongewenst gedrag.
  • Communicatieniveaus:     * Inhoudsniveau: De letterlijke boodschap.     * Betrekkingsniveau: De relatie tussen zender en ontvanger.
  • Johari-matrix: Hulpmiddel om communicatie beter te begrijpen.
  • 360360 graden feedback: Beoordeling door meerdere betrokkenen.
  • Locus of control: Mate van ervaren controle over situaties.     * Interne locus of control: Gelooft zelf invloed te hebben op uitkomsten.     * Externe locus of control: Gelooft dat uitkomsten afhangen van factoren buiten zichzelf (toeval).