filosofie

  1. Filosofie: De studie van fundamentele vragen over het bestaan, kennis, waarden, rede, geest en taal.

  2. Moraal: Principes of regels die bepalen wat goed en slecht gedrag is.

  3. Filosofische vraag: Een vraag die betrekking heeft op fundamentele kwesties over het leven, kennis, waarden, en de aard van de werkelijkheid.

  4. Intrinsieke en instrumentele waarde: Intrinsieke waarde is de waarde die iets heeft op zichzelf, terwijl instrumentele waarde de waarde is die iets heeft als middel om een doel te bereiken.

  5. Socratisch(e) gesprek/houding: Een methode van dialoog waarbij vragen worden gesteld om kritische denken en ideeën te verhelderen.

  6. Norm: Een regel of standaard die gedrag voorschrijft of beoordeelt.

  7. Prealabele vragen: Vragen die voorafgaand aan een discussie worden gesteld om de context en voorwaarden te verduidelijken.

  8. Verantwoordelijkheid: De plicht om te handelen en de gevolgen van die handelingen te accepteren.

  9. Ethiek: De studie van wat goed en slecht is in menselijk gedrag.

  10. Imbeciel: Een verouderde en beledigende term voor iemand met een verstandelijke beperking.

  11. Logica en retorica: Logica is de studie van geldige redenering, terwijl retorica de kunst van effectieve communicatie is.

  12. Ethische positie: Een standpunt of theorie over wat moreel juist of onjuist is.

  13. Sociale en politieke filosofie: De studie van sociale waarden en politieke systemen.

  14. Descriptieve-, normatieve- en meta-ethiek: Descriptieve ethiek beschrijft morele overtuigingen, normatieve ethiek onderzoekt wat mensen zouden moeten doen, en meta-ethiek analyseert de aard van ethische uitspraken.

  15. Wijsgerige antropologie: De studie van de mens vanuit een filosofisch perspectief.

  16. Criterium: Een standaard of regel die wordt gebruikt om iets te beoordelen.

  17. Kennisleer: De studie van kennis en hoe we weten wat we weten.

  18. Het Goede (Plato): Plato’s idee van een ultieme vorm van goedheid die de basis vormt voor alle andere vormen van goedheid.

  19. Wetenschapsfilosofie: De studie van de grondslagen, methoden en implicaties van de wetenschap.

  20. Realisme: De opvatting dat objecten onafhankelijk van onze waarneming bestaan.

  21. Dogmaticus: Iemand die star vasthoudt aan bepaalde overtuigingen zonder open te staan voor discussie.

  22. Relativisme: De opvatting dat waarheid en moraal afhankelijk zijn van de context of cultuur.

  23. Brainstormen: Een techniek om ideeën te genereren door vrij associëren en zonder kritiek.

  24. Sofisme/sofisten: Sofisme is een vorm van redenering die bedrieglijk kan zijn; sofisten waren rondreizende leraren in het oude Griekenland die retorica onderwezen.

  25. Vooronderstelling: Een aanname die voorafgaat aan een argument of discussie.

  26. Utilisme: Een ethische theorie die stelt dat de beste handeling degene is die het meeste geluk voor de meeste mensen oplevert.

  27. Begripsverheldering: Het proces van het verduidelijken van de betekenis van termen en concepten.

  28. Deontologie/plichtethiek: Een ethische theorie die stelt dat handelingen moreel juist zijn als ze in overeenstemming zijn met bepaalde regels of plichten.

  29. Ruimte, krappe en sluitende definitie: Een definitie die precies en volledig de betekenis van een term vastlegt.

  30. Deugd: Een morele eigenschap of excellentie.

  31. Stipulatieve definitie: Een definitie die een nieuwe of specifieke betekenis aan een term toekent.

  32. Deugdethiek: Een ethische theorie die de nadruk legt op de ontwikkeling van goede karaktereigenschappen of deugden.

  33. Noodzakelijke en voldoende voorwaarde: Een noodzakelijke voorwaarde is iets dat moet gebeuren voor iets anders kan gebeuren; een voldoende voorwaarde is iets dat, als het gebeurt, garandeert dat iets anders gebeurt.

  34. Greatest happiness principle: Het principe dat stelt dat de beste handeling degene is die het grootste geluk voor het grootste aantal mensen oplevert.

  35. Vrijheid: De toestand waarin iemand in staat is om te handelen zonder beperkingen.

  36. Utiliteitsbeginsel: Het principe dat stelt dat de morele waarde van een handeling wordt bepaald door haar bijdrage aan het algemeen welzijn.

  37. Plezier en pijn: Basisconcepten in hedonistische ethiek, waar plezier wordt gezien als goed en pijn als slecht.

  38. Moreel dilemma: Een situatie waarin iemand moet kiezen tussen twee of meer moreel problematische opties.

  39. Ethos: De karakter of geloofwaardigheid van een spreker of schrijver, vaak gebruikt in retorische context.

Als je meer details over een specifieke term wilt, laat het me weten!