filosofie
Filosofie: De studie van fundamentele vragen over het bestaan, kennis, waarden, rede, geest en taal.
Moraal: Principes of regels die bepalen wat goed en slecht gedrag is.
Filosofische vraag: Een vraag die betrekking heeft op fundamentele kwesties over het leven, kennis, waarden, en de aard van de werkelijkheid.
Intrinsieke en instrumentele waarde: Intrinsieke waarde is de waarde die iets heeft op zichzelf, terwijl instrumentele waarde de waarde is die iets heeft als middel om een doel te bereiken.
Socratisch(e) gesprek/houding: Een methode van dialoog waarbij vragen worden gesteld om kritische denken en ideeën te verhelderen.
Norm: Een regel of standaard die gedrag voorschrijft of beoordeelt.
Prealabele vragen: Vragen die voorafgaand aan een discussie worden gesteld om de context en voorwaarden te verduidelijken.
Verantwoordelijkheid: De plicht om te handelen en de gevolgen van die handelingen te accepteren.
Ethiek: De studie van wat goed en slecht is in menselijk gedrag.
Imbeciel: Een verouderde en beledigende term voor iemand met een verstandelijke beperking.
Logica en retorica: Logica is de studie van geldige redenering, terwijl retorica de kunst van effectieve communicatie is.
Ethische positie: Een standpunt of theorie over wat moreel juist of onjuist is.
Sociale en politieke filosofie: De studie van sociale waarden en politieke systemen.
Descriptieve-, normatieve- en meta-ethiek: Descriptieve ethiek beschrijft morele overtuigingen, normatieve ethiek onderzoekt wat mensen zouden moeten doen, en meta-ethiek analyseert de aard van ethische uitspraken.
Wijsgerige antropologie: De studie van de mens vanuit een filosofisch perspectief.
Criterium: Een standaard of regel die wordt gebruikt om iets te beoordelen.
Kennisleer: De studie van kennis en hoe we weten wat we weten.
Het Goede (Plato): Plato’s idee van een ultieme vorm van goedheid die de basis vormt voor alle andere vormen van goedheid.
Wetenschapsfilosofie: De studie van de grondslagen, methoden en implicaties van de wetenschap.
Realisme: De opvatting dat objecten onafhankelijk van onze waarneming bestaan.
Dogmaticus: Iemand die star vasthoudt aan bepaalde overtuigingen zonder open te staan voor discussie.
Relativisme: De opvatting dat waarheid en moraal afhankelijk zijn van de context of cultuur.
Brainstormen: Een techniek om ideeën te genereren door vrij associëren en zonder kritiek.
Sofisme/sofisten: Sofisme is een vorm van redenering die bedrieglijk kan zijn; sofisten waren rondreizende leraren in het oude Griekenland die retorica onderwezen.
Vooronderstelling: Een aanname die voorafgaat aan een argument of discussie.
Utilisme: Een ethische theorie die stelt dat de beste handeling degene is die het meeste geluk voor de meeste mensen oplevert.
Begripsverheldering: Het proces van het verduidelijken van de betekenis van termen en concepten.
Deontologie/plichtethiek: Een ethische theorie die stelt dat handelingen moreel juist zijn als ze in overeenstemming zijn met bepaalde regels of plichten.
Ruimte, krappe en sluitende definitie: Een definitie die precies en volledig de betekenis van een term vastlegt.
Deugd: Een morele eigenschap of excellentie.
Stipulatieve definitie: Een definitie die een nieuwe of specifieke betekenis aan een term toekent.
Deugdethiek: Een ethische theorie die de nadruk legt op de ontwikkeling van goede karaktereigenschappen of deugden.
Noodzakelijke en voldoende voorwaarde: Een noodzakelijke voorwaarde is iets dat moet gebeuren voor iets anders kan gebeuren; een voldoende voorwaarde is iets dat, als het gebeurt, garandeert dat iets anders gebeurt.
Greatest happiness principle: Het principe dat stelt dat de beste handeling degene is die het grootste geluk voor het grootste aantal mensen oplevert.
Vrijheid: De toestand waarin iemand in staat is om te handelen zonder beperkingen.
Utiliteitsbeginsel: Het principe dat stelt dat de morele waarde van een handeling wordt bepaald door haar bijdrage aan het algemeen welzijn.
Plezier en pijn: Basisconcepten in hedonistische ethiek, waar plezier wordt gezien als goed en pijn als slecht.
Moreel dilemma: Een situatie waarin iemand moet kiezen tussen twee of meer moreel problematische opties.
Ethos: De karakter of geloofwaardigheid van een spreker of schrijver, vaak gebruikt in retorische context.
Als je meer details over een specifieke term wilt, laat het me weten!