HC 9 - GPR

GESCHIEDENIS VAN HET PUBLIEKRECHT – DUITSLAND

INLEIDING – KERN VAN HET ONDERWERP

De Duitse staatsrechtelijke geschiedenis wordt gekenmerkt door een spanning tussen centralisatie en fragmentering, tussen keizerlijke macht en vorstelijke autonomie, en later tussen democratie, dictatuur en rechtsstaat. Vanaf het Heilig Roomse Rijk (967-1806) via de Duitse Bond, het Frankfurter Parlement, de eenmaking onder Pruisen, het Tweede Rijk, de Weimarrepubliek, het Derde Rijk, de deling in DDR en BRD tot de Berliner Republik (1990-heden) loopt een rode draad van machtsstrijd, rechtsontwikkeling en de zoektocht naar een stabiele staatsvorm.


1. HET HEILIG ROOMSE RIJK DER DUITSE NATIE (967-1806)

1.1. Het Heilig Roomse Rijk – politieke structuur

Oorsprong en centralisatiepogingen
  • Verdrag van Verdun (843 n.Chr.) : deling Karolingische Rijk in West-, Midden- en Oost-Francië.

  • Oost-Francië krijgt delen van Middenrijk (Lotharingen) en verkrijgt de keizerskroon.

  • Otto I (10e eeuw) : basis voor HRR via:

    • Vorstelijke machtsconsolidatie (huwelijken, veroveringen, nepotisme)

    • Onderwerping van de clerus

    • Verovering van Italië → keizerskroning door de paus

    • Translatio imperii (overdracht van het Romeinse Rijk) als legitimatie; start ‘Roomse’ Rijk.

  • Conflict met de Paus (11e- 12e eeuw): Investituurstrijd, keizer stelt bischoppen aan dit ondermijnt macht v.d. kerk.

Naam en legitimatie
  • Frederik I Barbarossa (12e eeuw) : gebruikt term ‘Sacrum Imperium’ (Heilig Rijk).

  • Rijk is direct van God afkomstig, onafhankelijk van de paus.

  • Vanaf dan: ‘Heilig’ Roomse Rijk.

Geen centrale monarchie, maar een federatie van autonome staatjes
  • Keurvorstencollege (7 later 9 keurvorsten) kiest (keuren) de keizer.

  • Keizer is niet erfelijk, maar wordt gekozen door geestelijke en wereldlijke vorsten.

  • Gouden Bul (1356) : codificatie van verkiezingsregels.

  • In principe rotatie van keizerskroon.

Machtsverhouding keizer – keurvorsten (twee tegenovergestelde visies)

Standpunt

Visie

Rechtsgrond

Keizer

Hiërarchisch

Leenrecht: keurvorsten zijn onderdanig aan keizer. Bij openvallend leen (na overlijden vorst) gaat leen terug naar keizer; keizer kiest: terug uitgeven of aan Rijk aanhechten.

Keurvorsten

Contractueel

Keizer heeft slechts een waardigheid (primus inter pares). Beklemtonen eigen rechten en vrijheden.

  • Vrede van Westfalen (1648) maakt vorsten zeer onafhankelijk.

Instellingen in de machtsstrijd
  • Reichskammergericht (opgericht door Rijksdag): oordeelt over twisten tussen rijksleden (horizontale relatie).

  • Reichshofrat (reactie keizer, raakt belangen keizer): oordeelt over relatie tussen keizer en vazallen (verticale relatie).

Godsdienst en fragmentering (16e eeuw)
  • Vrede van Augsburg (1555) : principe ‘cuius regio, eius religio’ (vorst bepaalt godsdienst, diens godsdienst volgens, mogelijkheid tot verhuizen).

    • Geen godsdienstvrijheid voor onderdanen.

    • Verbod op verplichte bekering door keizer van protestantse vorsten.

  • Voorbeeld: Augustus de Sterke bekeert zich naar katholicisme om koning van Polen te worden (politiek opportunisme).

17e-18e eeuw: verdere machtsverschuiving
  • Dertigjarige Oorlog (1618-1648) → Vrede van Westfalen (Munster & Osnabrück):

    • Verdragen gelden als grondwet van HRR.

    • Rijksdag = diplomatieke conferentie, vaak unanimiteit vereist.

    • Keizer oefent voortaan belangrijkste bevoegdheden uit samen met Rijksdag.

    • HRR wordt een lege huls.

  • Keizer Leopold I (toppunt keizerlijke macht):

    • Voegt hertogdom Milaan toe aan Habsburgse lenen (leen viel open).

    • Stopt Ottomaanse opmars (ontzet Wenen 1683 met hulp van Poolse koning Jan Sobieski).

    • Keurvorsten Beieren en Keulen verslagen bij Blenheim; zoon Jozef I verbreekt hun investituurpatenten.

18e eeuw: Pragmatieke Sanctie (1713)
  • Karel VI zonder mannelijke erfgenaam → wil opvolging Habsburgse gebieden (niet keizerskroon) via dochter Maria Theresia.

  • Pragmatieke Sanctie: dochter kan Habsburgse monarchie erven.

  • Conflict: Dochters van Jozef I (getrouwd met keurvorsten van Saksen en Beieren) worden gepasseerd.

  • Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) : keurvorsten steunen Frankrijk tegen Maria Theresia. Uiteindelijk behoudt ze toch haar gebieden.

1.2. Het recht in het HRR

Rechtsbronnen (variëteit):

  • Beslissingen van Rijksdagen

  • Fundamentele documenten (Rijksdag van Worms, Vrede van Münster)

  • Wahlkapitulationen (verkiezingsbeloftes van keizers)

  • Praktijk van leenrecht

  • Beslissingen Reichshofrat / Reichskammergericht: precedenten v. hoogste hoven.

  • Bij gebrek aan positief recht: Romeins Recht (biedt oplossingen in privaatrechtelijke relaties).

  • Rechtsleer van juristen en professoren (die standpunten van vorsten uitdragen)

1.3. Einde van het HRR

  • Reichsdeputationshauptschluss (1803) :

    • Territoriale herverdeling na Franse (Napoleon) annexatie Linker Rijnoever (Coalitieoorlogen 1795).

    • Annexatie linker Rijnoever → schadeloosstelling Duitse vorsten.

    • Laatste besluit van de Rijksdag.

    • Aantal soevereine staten in HRR: van ca. 1800 → ca. 60.

  • Gevolgen:

    • Keizer verliest katholieke steun in keurvorstencollege.

    • Napoleon dreigt zichzelf tot keizer van HRR uit te roepen.

  • Verhinderen machtovername door Napoleon

    • 1804: Keizer Frans II richt Keizerrijk Oostenrijk op (wordt Frans I).

    • 1806: Frans II legt keizerskroon van HRR neer en ontbindt het HRR.

NUANCE: HRR was nooit een centrale staat, maar een complex, gefragmenteerd rechts- en machtsverband waarin de keizer en vorsten voortdurend onderhandelden over bevoegdheden.


2. DE DUITSE BOND (1815-1866)

2.1. Oprichting en structuur

  • Klemens von Metternich tegen volkssoevereiniteit in Congres van Wenen.

  • Congres van Wenen (1815): oprichting Duitse Bond (confederatie).

  • Doel: bewaken interne en externe veiligheid van leden.

    • Extern: defensieve alliantie tegen buitenlandse agressor.

    • Intern: vrede en stabiliteit tussen staten.

  • Conflictregeling: Rijksdag van de Confederatie als bemiddelaar; bij geen verzoening → rechterlijke uitspraak via Austrägal-Instanz.

Theorie vs. praktijk

Aspect

In theorie (liberaal)

In de praktijk (conservatief)

Bestuur

Bondsdag in Frankfurt am Main (afgevaardigden van staten)

Gedomineerd door Oostenrijk en Pruisen

Leden

Staten (geen burgers)

Overheidsfunctionarissen in Bondsdag

Rechten

Verbod discriminatie op geloof; eigendomsbescherming; vrij kopen van gronden in andere bondsstaten; vrije emigratie zonder belasting

Burgers hebben alleen rechten via hun eigen staat

Protesten en nationalisme
  • Metternich slaat studentenopstanden neer → censuur en zuiveringen aan universiteiten.

  • Duits nationalisme: anti-buitenlands, anti-verlichting, anti-Frankrijk, verbonden met romantiek (later mede gebruikt door nazi-ideologie).

  • Karikatuur: “Hoe lang nog zal de [vrije] gedachte toegelaten zijn?” (kritiek op Metternichs beperkingen).

2.2. Het Frankfurter Parlement (1848-1849)

Liberale revoluties 1848
  • Nieuw parlement in Frankfurt am Main beraadslaagt over Duitse eenwording.

Debat over grondgebied
  • Groot-Duitse optie: met Oostenrijk en Bohemen.

  • Klein-Duitse optie: onder leiding van Pruisen, zonder Oostenrijk.

  • Compromis: Duitsland + Duitse deel van Oostenrijkse monarchie → onaanvaardbaar voor Oostenrijk (Habsburgse gebieden te divers).

  • Oplossing (niet uitgevoerd) : klein-Duitse eenheid nauw verbonden met Oostenrijk.

Grondwet van 28 maart 1849
  • Liberaal regime:

    • Rijksburgerschap voor inwoners

    • Opheffing van de adelstand

    • Verbod op willekeurige opsluiting (vergelijkbaar met Habeas Corpus in Engeland)

  • Liberaal-constitutionele monarchie:

    • Erfelijke heerser

    • Tweekamerstelsel (volksvertegenwoordiging + democratisch verkozen Länder)

Snel einde
  • Pruisische koning Frederik Willem IV weigert de kroon, wegens liberalisme.

  • Pruisen drijft het parlement uiteen (1849).

  • Herstel van de Duitse Bond (1851), terugval Ancièn Régime.

Kernpunt: Het Frankfurter Parlement faalde door gebrek aan steun van de vorsten, maar zijn grondwet was een model voor later liberaal constitutionalisme.


3. DE DUITSE EENMAKING (1864-1871)

3.1. Kwestie Sleeswijk-Holstein (1864)

  • Deense koning Christian IX kan via moeder hertog worden van Sleeswijk en Holstein.

  • Bismarck noemt dit “schending van regel die vrouwen uitsluit van troonsopvolging”.

  • Bismarck neemt met Duitse Bond de gebieden in:

    • Pruisen krijgt Sleeswijk

    • Oostenrijk krijgt Holstein

3.2. Oorlog tegen Oostenrijk (1866-1867)

  • Bismarck + Italië verslaat Oostenrijk.

  • Gevolgen:

    • Oostenrijk uit Italië.

    • Keizerrijk Oostenrijk → dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije (Ausgleich) : onafhankelijke landen met gelijke status.

    • Duitse Bond opgeheven.

    • Noord-Duitse Bond opgericht:

      • Militaire alliantie tussen Pruisen en bondgenoten.

      • Duitse staten sluiten zich aan of worden geannexeerd.

      • Koning van Pruisen heeft Bundespräsidium → benoemt bondskanselier (enige minister).

      • Rijksdag verkozen via algemeen stemrecht.

      • Bismarck gebruikt Rijksdag om liberale middenklasse buitenspel te zetten; Rijksdag kan alleen voorstellen van regering goedkeuren.

3.3. Eenmaking (1871)

  • Bismarck krijgt Zuid-Duitsland achter zich.

  • Lokt oorlog uit met Napoleon III (Emser Depesche, 1870).

    • De Spaanse troonopvolgingscrisis ontstond toen Leopold van Hohenzollern-Sigmaringen kandidaat werd voor de Spaanse troon. Dat was tegen de zin van Frankrijk, omdat het land dan langs twee kanten door de Pruisen / Hohenzollerns omsingeld dreigde te worden.

    • Napoleon III eiste dat de kandidatuur werd ingetrokken. Onder Franse druk trok Leopold zich terug, Wilhelm I stemde daarmee in. Otto von Bismarck wilde echter een oorlog met Frankrijk uitlokken om de Duitse staten achter Pruisen te verenigen. Daarom bewerkte hij het verslag van het gesprek tussen Wilhelm I en de Franse ambassadeur, de zogenoemde Emser Depesche, zodat het beledigend leek. Frankrijk voelde zich vernederd en verklaarde daarop de oorlog aan Pruisen, wat leidde tot de Frans-Duitse Oorlog die Pruisen won.

    • Gevolg: val van Tweede Franse Keizerrijk en oprichting Duitse Keizerrijk onder Pruisische leiding.

  • Pruisen verslaat Frankrijk.

  • Duitse Keizerrijk uitgeroepen in Versailles:

    • Wilhelm I van Pruisen als Duitse keizer.

    • Niet “keizer der Duitsen” (geen volkssoevereiniteit).

    • Niet “keizer van Duitsland” (geen territorialiteit).

NUANCE: De eenmaking was geen nationale volksbeweging, maar een Pruisische machtsuitbreiding onder Bismarck, gestuurd door oorlogen en diplomatie.


4. HET TWEEDE DUITSE KEIZERRIJK (1871-1919)

Theorie vs. praktijk

Aspect

In theorie (liberaal federaal)

In de praktijk (gecentraliseerd autoritair)

Rijksdag

Algemeen stemrecht

Weinig macht: alleen begroting goedkeuren

Bondsraad

Vertegenwoordigt deelstaten

Gedomineerd door Pruisen (60% grondgebied, geen absolute meerderheid maar wel vetorecht)

Ontbinding Bondsraad

–

Kan Rijksdag ontbinden bij geen instemming over begroting

Kanselier en koning

–

Kanselier van Pruisen = Rijkskanselier; Koning van Pruisen = Keizer

Controle

–

Bondsraad controleert ministeries, maar Rijkskanselier stelt kabinetten samen

Grondrechten

–

Geen grondwettelijk gewaarborgde rechten

Oppositie

–

Politiek geneutraliseerd (o.a. socialisten)

Kern: Het Tweede Rijk was een schijn-constitutionele monarchie met democratische elementen, maar feitelijke macht lag bij keizer, kanselier en Pruisen.


5. DE WEIMARREPUBLIEK (1919-1933)

5.1. De sociale rechtsstaat

Liberaal rechtskader:

  • Internationaal recht maakt deel uit van Duitse rechtsorde.

  • Taalminderheden mogen zich vrij ontwikkelen.

  • Vrije meningsuiting verzekerd; verbod op preventieve censuur.

  • Lessen burgerschap in scholen.

Sterk staatsinterventionisme:

  • Contractvrijheid en eigendomsrecht beperkt door “inachtneming van het algemeen welzijn”.

  • Grondwettelijke bescherming vakbondsvrijheid.

  • Algemene minimumstandaarden voor sociale rechten.

  • Ruim verzekeringstelsel (incl. moederschap en ouderdom).

Voorblad Weimar Grondwet (1919) : art. 148 voorzag dat leerlingen een exemplaar kregen bij afstuderen.

5.2. Het politiek systeem

Democratische, presidentiële republiek:

  • Volkssoevereiniteit als uitgangspunt.

  • Rijksdag vertegenwoordigt Duitse natie; politiek zwaartepunt.

    • Regering politiek verantwoordelijk tegenover Rijksdag.

    • Gelijkheid man/vrouw → actief stemrecht vanaf 20 jaar.

    • Evenredige vertegenwoordiging → versnippering → 17 regeringen tussen 1920-1932!

    • Rijksdag onderworpen aan intrekkingsreferenda.

Rijkspresident:

  • Hoofd uitvoerende macht.

  • Verkozen bij algemeen stemrecht, maar kan op vraag van Rijksdag afgezet worden via Volksabstimmung (referendum).

  • Vertegenwoordigt Duitsland volkenrechtelijk.

  • Opperbevelhebber van het leger.

  • Noodverordeningen (artikel 48 Gw.!): in tijden van politieke onrust buiten het parlement om.

Rijkskanselier:

  • Leidt de regering.

  • Benoemd door Rijkspresident.

  • Verantwoordelijk tegenover verkozenen in Rijksdag.

5.3. De staatsstructuur

Federaal:

  • Rijksraad: deelstaten vertegenwoordigd (1 of 2 stemmen o.b.v. inwonersaantal) → breekt met vetorecht van Pruisen.

  • Weimargrondwet > grondwetten deelstaten (Reichsrecht bricht Landesrecht).

Drie types bevoegdheden:

  1. Toegewezen bevoegdheden van het rijk

  2. Kaderbevoegdheden

  3. Residuaire bevoegdheden van het rijk (tot de Länder zelf ingrijpen)

  • Staatsgerichthof beslecht conflicten tussen beleidsniveaus.

5.4. Instabiliteit

Economisch
  • Hoge herstelbetalingen → moeilijk economisch herstel.

  • Bezetting Ruhrgebied (industriegebied, dus geen productie mogelijk) door Franse en Belgische legers (1923).

  • Berlijn antwoordt: opschorting herstelbetalingen + passieve weerstand (stakende arbeiders).

  • Hyperinflatie (Duitse regering drukt geld bij om lonen stakende arbeiders te betalen).

    • 1914: 4,2 Mark = 1 dollar.

    • 1923: 4,2 miljard Mark = 1 dollar.

  • Economische stabilisatie vanaf 1923.

Politiek en maatschappelijk
  • Onvrede over verlies WO I.

  • Legerleiding schuift verantwoordelijkheid af op sociaaldemocraten (“politieke puinruimen”).

  • Politieke vernedering: oorlog verloren, keizer Wilhelm II gedwongen tot aftreden.

  • Muiterijen in leger.

Linkerzijde:

  • Interne communistische opstanden (Spartakusopstand 1919).

Rechterzijde:

  • Dolkstootlegende: Duitsland verloor door interne verraders (sociaaldemocraten).

  • Conservatieve aristocraten & intellectuelen (rechtenprofessoren) tegen democratisch systeem (macht aan “domme massa”), liberalisme (gelijkheid, individualisme), marxisme.

  • Verlangen naar sterk leiderschap (Führung).

  • Individu (< liberalisme) moet ondergeschikt zijn aan Volksgemeinschaft.

  • Mislukte Kapp-Putsch (1920) door rechtse vrijkorpsen.

Polarisering en einde stabiliteit
  • Vanaf 1923 tijdelijke politieke stabilisatie (macht bij SDP en katholieke centrum), maar gepolariseerd door communisten en NSDAP.

  • Paramilitaire groeperingen concurreren met legitieme staatsmacht.

  • Mislukte Bierkellerputsch van Hitler (München, 1924).

  • 1929: Amerikaanse beurscrash → Grote Depressie (1930) → hoge werkloosheid → malaise creëert opening voor Hitler om via wettelijke weg aan de macht te komen.

Kern: Weimar was een progressieve, sociaal-liberale rechtsstaat maar structureel zwak door versnippering, noodverordeningen (art. 48) en gebrek aan democratische traditie.


6. HET DERDE RIJK (1933-1945)

6.1. Overgang van democratie naar dictatuur

Hitler komt aan de macht
  • Coalitie met burgerlijke, conservatieve elite (zien Hitler als steun tegen socialisme en communisme).

  • NSDAP wordt bij verkiezingen 1932 grootste partij.

  • Franz von Papen (reactionair-katholiek) overtuigt Hindenburg om Hitler tot Rijkskanselier te maken (1933).

  • Geen absolute meerderheid → steun nodig van andere (rechtse) partijen.

De machtsgreep
  • Rijksdagbrand (februari 1933) door communist Marinus van der Lubbe → voorwendsel.

  • Hitler vraagt Hindenburg om noodverordening:

    • Verordnung des Reichspräsidenten zum Schutz von Volk und Staat (28 febr. 1933)

    • Buitenwerkingstelling van grondwetsbepalingen.

    • Hitler vrij om politieke tegenstanders (communisten, socialisten) te elimineren.

  • Verkiezingen 5 maart 1933 → nog steeds geen absolute meerderheid NSDAP.

  • Machtigingswet (24 maart 1933) – Gesetz zur Behebung der Not von Volk und Reich:

    • Rijkskanselier kan vier jaar lang regeren en wetten uitvaardigen buiten constitutionele organen (incl. Rijksdag) om.

    • Veronderstelt grondwetsherziening (2/3 meerderheid).

    • Hitler heeft die niet → opgepakte communisten en sociaaldemocraten niet meegeteld voor aanwezigheidsquorum.

    • Met stemmen van conservatieven en (katholieke) centrum zet Rijksdag zichzelf buitenspel.

Afschaffing rechtsstaat
  • Rijksregering kan wetten aannemen die afwijken van Grondwet (Machtigingswet, art. 1-2).

  • Tijdelijke schorsing van machtenscheiding → regeringswillekeur.

Eenpartijstaat en einde federalisme
  • Wet van 14 juli 1933: Duitsland = eenpartijstaat (partijen opgeheven of verboden).

  • SPD richt zich tot Staatsgerichthof, maar partijverbod komt voor uitspraak.

  • Afschaffing federalisme:

    • Deelstatelijke parlementen onder Reichsstatthalter.

    • Gesetz über den Neuaufbau des Reichs (30 jan. 1934): neutralisatie regionale bolwerken (o.a. SPD).

    • Regering van Pruisen (helft Duitsland + belangrijke industrie) afgezet.

Het Derde Rijk onder Hitler
  • Overlijden Hindenburg → functie Rijkspresident niet ingevuld → Hitler wordt Rijkskanselier en Führer (1934).

  • Führerprinzip: militairen, ambtenaren leggen eed van trouw af aan Hitler in persoon (niet aan de staat).

  • Derde Rijk gepresenteerd als opvolger van HRR (962-1806) en Tweede Keizerrijk (1871-1918).

Rassenwetten van Neurenberg (1935)
  • Criteria Duits staatsburgerschap o.b.v. ‘bloed’: ‘echte’, ‘arische’ Duitser vs. Jood, Roma, Sinti, …

  • Verbod op seksuele betrekkingen en huwelijken tussen niet-Joodse Duitsers en Joden.

  • Bestraffing: hechtenis en concentratiekamp.

6.2. Duitse juristen en nazirecht

Invloeden en houding
  • Onder invloed van Hegel: cultus van Duitse staat en recht.

  • Weerzin tegen Verdrag van Versailles (1919) en tegen Weimargrondwet.

  • Juristen richten zich op uitzonderingsbepalingen in de Weimar Grondwet (instrumenteel voor nazi-machtsgreep).

  • Juridische inzichten gebaseerd op traditionalisme en romantisme (vs. liberalisme en democratie), groepsdenken en autoritarisme (vs. individualisme), nazisme/fascisme (vs. marxisme/socialisme).

Voorbeeld: Carl Schmitt – kritisch over liberalisme, maar theorieën over noodtoestand/Volksgemeenschap werden handig door nazi’s aangewend.

Volksgemeinschaft en rechtsbronnen
  • Idee van homogene ‘Volksgemeinschaft’ : verbonden door bloed/afstamming, geleid door een Führer.

  • Afstappen van Romeins recht → focus op ‘inheems’ Germaans gewoonterecht (onderbouwing raciale ‘arische’ theorieën, ‘lebensraum’, gewapende expansie).

Sancties en brain drain
  • Overtredingen rassenwetten (hulp aan Joden of Polen) → openbare vernedering, uitsluiting uit Volksgemeinschaft.

  • Intellectuele ‘braindrain’ : Einstein, Kelsen, … vertrekken naar VS (VS nemen leiding over van Duitse universiteiten).

Impact na nazi-regime
  • Focus juristen op bescherming fundamentele rechten en menswaardigheid.

  • Constitutioneel kader om te voorkomen dat rechtsstaat wordt verruild voor dictatuur.

  • Meer aandacht voor grondwettelijke grendels.

  • Politiek: cordon sanitaire tegen radicaal-rechts (‘brandmuur’).

Kern: Het Derde Rijk is het schoolvoorbeeld van hoe een democratische rechtsstaat kan worden afgebroken via schijnbaar legale stappen (noodverordening, machtigingswet, partijverbod) en hoe juristen kunnen meewerken aan onrecht.


7. DE DDR EN DE BONDSREPUBLIEK (1949-1990)

Context: ‘Stunde Null’ (Uur nul)

  • Duitsland bestaat als rechtspersoon niet meer → opschorting eigen bestuur.

  • Duitse soevereiniteit pas hersteld in 1990. (cfr. Frankrijk neemt soevereiniteit symbolisch terug)

  • VS: indammen, integreren en heropbouwen (contrast met Vrede van Versailles).

  • Sovjetunie: uitbreiding invloedssfeer via Duitsland, uitbreiding Polen via inlijving Duitse steden (verdrijving ‘Vertriebenen’).

  • Verdeling in vier bezettingszones (Brits, Sovjet, Amerikaans, Frans) + zelfde voor Berlijn.

  • Oprichting BRD en DDR in 1949 → Duitsland wordt inzet van Koude Oorlog. (zie oa. Berlijnse muur en Warschaupact)

7.1. De Duitse Democratische Republiek (DDR)

Grondwettelijk systeem (1949)
  • “Ondeelbare republiek” bestaande uit Länder → claim op continuïteit Weimarrepubliek + wegvegen nazisme voor communisme (stalinisme).

  • Ziet zichzelf als enige vertegenwoordiger van Duitsland.

  • Gelijkheid voor de wet (art. 6), maar in praktijk vervolgingsstaat:

    • Verbod op aanzetten tot boycot tegen ‘democratische’ instellingen, gelijkberechtiging, moord op ‘democratische’ politici, enz.

    • Systeem van mentale druk, gewetensvrijheid ondermijnd, verklikking via Stasi (Ministerium für Staatssicherheit).

Inspiratie en socio-economisch model
  • Inspiratie: Russische Grondwet 1936.

  • Recht op arbeid, sociale gerechtigheid, ‘menswaardig bestaan’.

  • Algemeen belang > eigendomsrecht → afblokken privé-initiatief (want tegen collectief belang).

  • Gevolg: massale vlucht naar Westen → Berlijnse Muur (1961).

Machtenscheiding in theorie vs. praktijk

Orgaan

Theorie

Praktijk

Volkskammer

Wetgevende macht, 4-jarig mandaat, evenredige vertegenwoordiging

Enkel eenheidslijst; geen vrije keuze (geen pluralisme)

Länderkammer

Deelstatelijke vertegenwoordiging

Opgeheven (1958) → Bezirke (gecentraliseerd, geen autonomie)

President

Staatshoofd

Ceremonieel

Minister-President

Regeringsleider, verantwoordelijk tegenover Volkskammer

In realiteit ondergeschikt aan Politburo en SED (Sozialistische Einheitspartei Deutschlands)

Rechterlijke macht

Klassieke rechtbanken, Hooggerechtshof opgedeeld in Senaten (kamers)

Rechtspraak o.b.v. politieke doelmatigheid; rechters ondergeschikt aan SED; strenge straffen voor ‘klassenvijanden’; Stasi-gestuurde schijnprocessen, beperkte onafhankelijkheid (partijrechters), justitie als repressiemiddel

7.2. De Duitse Bondsrepubliek (BRD)

Grondwettelijk systeem – Grundgesetz (1949)
  • Doelen: effectieve rechtsbescherming, machtenscheiding, federalisme.

  • Ontstaan uit drie westelijke bezettingszones; hoofdstad Bonn (zetel parlement en regering).

  • Soevereiniteit in 1955 (beperkt door bezettingsleger, bescherming tegen Sovjetunie).

  • Toetreding NAVO (1955) ; stichtend lid EEG (Westerse integratie, cfr. DDR Waurschaupact).

  • Hallsteindoctrine: BRD claimt als enige Duitsland te vertegenwoordigen, elke relatie met DDR wordt gesanctioneerd

  • Gericht op internationaliseren economie (Wirtschaftswunder, Westbindung).

Fundamentele rechten en plichten
  • Ingegeven door processen van Neurenberg.

  • Erkenning van onschendbare mensenrechten (art. 2 GG) – onveranderlijk.

  • ‘Militante democratie’ + verbod op rechtsmisbruik (art. 18 GG).

  • Rechtsbescherming door rechtbanken; BVerfG (Bondssgrondwettelijk Hof) waakt over grondrechten. Rechten mogen niet gebruikt worden om rechten af te bouwen (bv. vrije meningsuiting om op te roepen tot geweld, rechten zijn niet absoluut)

Duitse rechtsstaat – kernprincipes (art. 20 GG)
  • Staatsmacht gaat uit van het Duitse volk.

  • Duitse staat is onderworpen aan het recht.

  • Weerstandsrecht voor burgers tegen wie de grondwettelijke orde wil omverwerpen.

Ewigkeitsklausel (eeuwigheidsclausule)
  • Verbod om art. 1-20 GG te wijzigen (fundamentele rechten en vrijheden).

  • Wijziging overige bepalingen: 2/3 meerderheid in Bundestag én Bundesrat (bescherming federalisme).

Machtenscheiding in de BRD

Wetgevende macht – bicameraal:

  • Bundestag: evenredige volksvertegenwoordiging via dubbel kiessysteem:

    • Erststimme: stem op afgevaardigde eigen district.

    • Zweitstimme: stem op nationale partij.

  • Bundesrat: vertegenwoordiging deelstaten (Länder) – eigen Landtag en Landesregierung.

    • Vast aantal stemmen (boven- en ondergrens) → voorkomt overmacht één deelstaat.

    • Tegengewicht Bundestag: initiatiefrecht en vetorecht.

    • Invloed op beleid kanselier.

Uitvoerende macht:

  • Bundeskanzler: leidt regering, verantwoordelijk tegenover parlement (Bondsdag).

  • Bundespräsident: onrechtstreeks verkozen door regionale parlementen; kan Bondsdag ontbinden uitsluitend wanneer kanselier vraagt om vertrouwen en Bondsdag weigert.

Rechterlijke macht:

  • Bundesverwaltungsgericht: hoogste administratieve rechtscollege.

  • Bundesverfassungsgericht:

    • 2 Kamers (Senate), aangesteld door Bundestag en Bundesrat met 2/3 meerderheid.

    • Groot prestige + invloed in EU (kritisch tegenover Europese integratie).

    • Bescherming grondrechten → conflict met EU-instellingen (ECB, EHJ) via Solange-arresten en Verfassungsidentität.

Kern: De BRD is een weerbare, militante rechtsstaat met sterke grondrechten, federalisme en een krachtig grondwettelijk hof, ontworpen om een herhaling van Weimar en het naziregime te voorkomen.


8. DE BERLINER REPUBLIEK (1990 – HEDEN)

Val van de Berlijnse Muur (1989)

  • ‘Twee-plus-Vier’-Verdrag (1990) : tussen FR, SU, Groot-Brittannië, VS + West- en Oost-Duitsland.

  • Einde van de opdeling van West- en Oost-Duitsland.

Integratie van Oost- en West-Duitsland

  • Oostelijke Länder worden geïntegreerd in de BRD.

  • Instellingen verhuizen in 1998 van Bonn naar Berlijn.

  • Intrede kapitalisme in voormalige DDR (o.a. via eengemaakte munt – Deutsche Mark).

  • Vandaag nog belangrijke verschillen (economisch, politiek) tussen Oost en West.


SAMENVATTENDE KERNPUNTEN

Periode

Staatsvorm

Kenmerk

HRR (967-1806)

Gefedereerd keizerrijk

Spanning keizer vs. keurvorsten; Romeins recht; fragmentering door religie en Westfalen

Duitse Bond (1815-1866)

Confederatie

Conservatief, gedomineerd door Oostenrijk-Pruisen; liberale theorie, feodale praktijk

Frankfurter Parlement (1848-1849)

Liberaal-constitutionele monarchie

Mislukt door vorstenverzet; model voor later

Eenmaking (1864-1871)

Pruisisch nationaal project

Oorlogen tegen Denemarken, Oostenrijk, Frankrijk; Bismarck leidt Noord-Duitse Bond tot Keizerrijk

Tweede Rijk (1871-1918)

Schijnconstitutionele monarchie

Algemeen kiesrecht maar weinig macht Rijksdag; Pruisische dominantie

Weimarrepubliek (1919-1933)

Presidentiële democratie met sociale rechten

Zwak door versnippering, art. 48, economische crisis; einde door machtigingswet

Derde Rijk (1933-1945)

Dictatuur (Führerstaat)

Rechtsomzeiling via noodrecht; rassenwetten; juristen medeverantwoordelijk

DDR (1949-1990)

Communistische dictatuur

SED-heerschappij, Stasi, geen rechtsstaat, Berlijnse Muur

BRD (1949-1990)

Militante rechtsstaat

Grundgesetz, Ewigkeitsklausel, BVerfG, Westintegratie

Berliner Republik (1990-heden)

Herenigde Bondsrepubliek

Integratie Oost-Duitsland; verhuizing naar Berlijn; blijvende verschillen