HC 8 Dyspnoe & Respiratoir falen
Introductie
Erwin Beelen
Contact: erwin.beelen@hu.nl
IHU Hogeschool Utrecht
Dia Inhoud
Aantal dia’s: 39
Inleiding (herhaling)
Dyspnoe
Respiratoir falen
Acuut hypoxemisch respiratoir falen
Hypercapnisch of gemengd respiratoir falen
Diagnostiek
Behandeling
1. Inleiding
1.1 Gaswisseling
Definitie van gaswisseling: Het proces van het opnemen van zuurstof (O2) en het afgeven van kooldioxide (CO2).
Doelen: Handhaven van het zuur-basenevenwicht.
Functionele eenheid: Alveoli.
Buffersystemen:
Chemische buffer
Longen
Nieren
Hyperventilatie: Gedefinieerd als een te lage arteriële pCO2.
Hypoventilatie: Gedefinieerd als een te hoge arteriële pCO2.
1.2 Ventilatie
Type II pneumocyten: Secreteren surfactant om de collapsing van de alveoli te voorkomen en innerlijke wanden van de alveoli aan elkaar plakken te vermijden.
Rol: Zorgen voor voldoende lucht in de alveoli.
Type I pneumocyten: Dunne, platte cellen die gasuitwisseling tussen alveoli en capillairen mogelijk maken.
1.3 Diffusie
Dezelfde rol van Type I en II pneumocyten als gespecificeerd bij ventilatie.
Belangrijk: Effectieve diffusie is essentieel voor gaswisseling.
1.4 Perfusie
Dezelfde rol van Type I en II pneumocyten als gespecificeerd bij ventilatie.
Essentieel voor het transport van zuurstofrijke bloed terug naar het hart.
1.5 Stoornissen in ventilatie, diffusie, en perfusie
Goede ventilatie, goede diffusie, goede perfusie zijn cruciaal voor een adequate gaswisseling.
1.6 Kernpunten
Longen voorzien het lichaam van zuurstof en verwijderen kooldioxide.
Het carbonzuur-bicarbonaat-koolzuurgassysteem handhaaft de pH van het bloed.
Ventilatie, diffusie, en perfusie zijn essentieel voor gaswisseling.
2. Dyspnoe
2.1 Dyspnoe – Definitie
Definitie: ‘Subjectieve onaangename beleving door de patiënt van de ademhaling’.
Belangrijke identificatie van symptomen en ervaringen van patiënten.
2.2 Dyspnoe – Pulmonale oorzaken
Luchtweg:
Hoge luchtwegobstructie (door allergieën of vreemd lichaam).
Perifere luchtwegobstructie (zoals longaanvallen bij astma of COPD, tumoren).
Vasculair: Longembolie of shunt.
Alveoli: Longoedeem, longontsteking.
Interstitium: Longfibrose, interstitiële longziekten.
Thoraxwand: Thoraxdeformiteiten.
Pleura: Klaplong.
2.3 Dyspnoe – Differentiaal Diagnose
Niet-pulmonale oorzaken:
Cardiaal: Hartfalen, hartspierziekte, hartinfarct.
Neurologisch: Spierzwakte.
Metabool: Anemie, intoxicaties, sepsis.
Psychogeen: Paniekaanval.
2.4 Kernpunten
Dyspnoe is een subjectieve ervaring met variërende intensiteit.
De differentiaaldiagnose is breed en omvat zowel pulmonale als niet-pulmonale oorzaken.
3. Respiratoir falen
3.1 Respiratoir falen – Definitie
Definitie: ‘Ademnood die waarneembaar en objectief is’. Er zijn twee typen:
Hypoxemisch respiratoir falen (Type 1).
Hypercapnisch of gemengd respiratoir falen (Type 2).
3.2 Acuut hypoxemisch respiratoir falen (Type 1)
Kenmerken: Verlaagd PaO2 en normaal tot verlaagd PaCO2.
Meest voorkomende oorzaak: Ventilatie-perfusie mismatch.
Achtersituaties:
Diffusiestoornissen.
Shunting.
Hypoxisch of anoxisch gasmengsel.
3.3 Hypercapnisch of gemengd respiratoir falen (Type 2)
Kenmerken: Verhoogd PaCO2 met meestal ook verlaagde PaO2.
Normale pH duidt op chronische respiratoire insufficiëntie die metabool gecompenseerd is.
Oorzaken: Aandeel alveolaire ventilatie wordt belemmerd door:
Restrictief longlijden.
Doderuimteventilatie.
Obstructief longlijden.
Intoxicaties.
3.4 Kernpunten
Respiratoir falen is een waarneembare en objectieve ademnood.
Type 1 en Type 2 falen onderscheiden zich door respectievelijk verlaagd versus verhoogd PaCO2.
De meest voorkomende oorzaak van hypoxemisch falen is een ventilatie-perfusie mismatch.
4. Diagnostiek
4.1 ABCDE
Protocol voor acute opvang bij aanwijzingen van respiratoir falen.
4.2 Anamnese
Belangrijk:
Intensiteit en tijdsbeloop van symptomen.
Uitlokkende factoren: Hoest, sputum, thoracale pijn, aspiratie, hemoptoë, oedeem, orthopneu, DVT.
Voorgeschiedenis: Medicatie, allergieën.
4.3 Lichaamsonderzoek (LO)
Inspectie:
Voedingstoestand, aanwijzingen voor respiratoir falen, cyanose, ademfrequentie, ademdiepte.
Hulpademhalingsspieren, neusvleugelen, intrekkingen, tekenen DVT.
Percussie, Palpatie, Auscultatie:
Ademgeruis en bijgeluiden zijn cruciaal.
4.4 Aanvullend onderzoek
Laboratoriumonderzoek:
Arterieel bloedgas, bloedonderzoek (Hb, Ht, leukocyten, nierfunctie), D-dimeer, troponine, NT-proBNP.
Beeldvormend onderzoek:
ECG, röntgen thorax, CT, Echo.
4.5 Kernpunten
Acute opvang maakt gebruik van de ABCDE-methode.
Diagnostische stappen omvatten anamnese, lichamelijke en aanvullende onderzoeken.
5. Behandeling
5.1 Behandeling – Hypoxie
Hypoxemisch respiratoir falen (Type 1):
Behandeling richt zich op het onderliggende lijden.
Start zuurstoftoediening; streef naar saturatie 90-93%.
Indien onvoldoende resultaat, overweeg intubatie en beademing.
5.2 Behandeling - Hypercapnie
Hypercapnisch of gemengd respiratoir falen (Type 2):
Behandeling gericht op het onderliggende lijden.
Met hypoxemie: start zuurstoftoediening; streefconcentratie leidt tot saturatie 90-93%.
Bij hoge ademarbeid: overweeg niet-invasieve ademhalingsondersteuning (zoals BiPAP) bij pH<7.35 en >7.25 zonder contra-indicaties.
Overleg met intensivist voor patiënten met IC-beleid; bespreek behandelbeperkingen bij ernstig chronisch lijden.
Indien onvoldoende resultaat: overweeg intubatie en beademing.
5.3 Kernpunten
Behandeling van hypoxemisch respiratoir falen gericht op het onderliggende lijden met zuurstofsuppletie.
Behandeling van hypercapnisch falen omvat zuurstoftoediening en (niet-)invasieve ademhalingsondersteuning indien nodig.