Bio Stevigheid en beweging B1-B4

Thema 5: Stevigheid en Beweging

B1: Het Skelet

  • Inwendige Skelet:

    • Zoogdieren en mensen hebben een inwendig skelet met een wervelkolom.

    • Vogels, vissen, amfibieën en reptielen hebben ook een inwendig skelet, en deze groepen dieren worden gewervelden genoemd.

  • Indeling van het Menselijk Lichaam:

    • Hoofd

    • Romp

    • Ledematen (armen en benen)

  • Samenstelling van het Skelet:

    • Het menselijke skelet bestaat uit ongeveer 200 botten (beenderen).

    • Schedel:

    • Bevat schedelbeenderen (7), jukboog en kaken.

    • Wervelkolom:

    • Bevat halswervels, borstwervels, lendenwervels, heiligbeen en staartbeen.

    • Borstkas:

    • Bevat borstwervels, ribben en borstbeen.

    • Schoudergordel:

    • Bevat schouderbladen en sleutelbeenderen.

    • Bekken:

    • Bevat heupbeenderen en heiligbeen.

    • Leden:

    • Arm: Opperarmbeen, ellepijp (pink), spaakbeen, handwortelbeentjes, middenhandsbeentjes, vingerkootjes.

    • Been: Dijbeen, knieschijf, scheenbeen, kuitbeen, voetwortelbeentjes, middenvoetsbeentjes, teenkootjes.

  • Functies van het Skelet:

    1. Stevigheid: Stelt je in staat rechtop te staan.

    2. Bescherming: Beschermt kwetsbare organen.

    3. Beweging: Maakt beweging mogelijk, omdat veel botten beweeglijk zijn verbonden en spieren aan botten vastzitten (uitsteeksels).

    4. Vormgeving: Bepaalt de vorm van het lichaam; bijvoorbeeld een gestroomlijnd lichaam bevordert beweging in water.

B2: De Bouw van Botten

  • Bot- en Kraakbeenweefsel:

    • Kraakbeen:

    • Redelijk stevig, goed buigzaam.

    • Kraakbeencellen bevinden zich in groepjes in tussencelstof.

    • Tussencelstof bestaat voornamelijk uit collageen (lijmstof) waardoor het buigzaam is.

    • Bot:

    • Zeer stevig en een beetje buigzaam, wat breken voorkomt.

    • Botcellen bevinden zich in een cirkelvormige structuur rond kanaaltjes (met bloedvaten).

    • Tussencelstof van botweefsel is harder dan die van kraakbeen.

    • Bestaat uit:

      • Kalkzouten: geven stevigheid (hardheid).

      • Collageen (lijmstof): zorgt voor enige buigzaamheid en verbindt beenweefsel.

  • Veranderingen in Botweefsel:

    • Baby’s: Beenderen zijn voornamelijk kraakbeenweefsel. Fontanellen bevinden zich tussen schedelbeenderen.

    • Na 1,5 jaar groeien fontanellen dicht; schedelbeenderen zijn via naadverbinding aan elkaar vast.

    • Tijdens groei veranderd kraakbeen in bot.

    • Kinderen: Beenderen bestaan uit botweefsel met veel collageen en weinig kalkzouten.

    • Ouderen: Beenderen bestaan uit botweefsel met minder collageen en meer kalkzouten.

B3: Beenverbindingen

  • Verbondenheid van Botten:

    • Botten zijn op vier manieren met elkaar verbonden:

    1. Vergroeid:

      • Twee of meer botten zijn één geheel, zoals de wervels in het heiligbeen.

    2. Naad:

      • Dunne naad (lijn) tussen botten, zoals bij schedelbeenderen.

    3. Door Kraakbeen:

      • Beetje beweging mogelijk, bijvoorbeeld tussen ribben en borstbeen, en tussen wervels.

    4. Met een Gewricht:

      • Veel beweging mogelijk, zoals bij vingerkootjes, heupbeen en dijbeen.

  • Bouw en Functie van Gewrichten:

    • Gewrichten hebben verschillende structuren en functies:

    • Kraakbeenlaagje: Laat botten soepel bewegen en beschermt tegen slijtage.

    • Gewrichtssmeer: Helpt bij soepele beweging van botten.

    • Gewrichtskapsel: Produceert gewrichtssmeer en houdt botten bij elkaar.

    • Kapselbanden: Helpen bij sommige gewrichten om botten bij elkaar te houden.

  • Types Gewrichten:

    1. Kogelgewricht:

      • Beweging in veel richtingen mogelijk.

    2. Rolgewricht:

      • Botten draaien om de lengteas.

    3. Scharniergewricht:

      • Maakt alleen beweging heen en terug mogelijk.

B4: Spieren

  • Werking van Spieren:

    • Ongeveer 650 spieren zijn verbonden aan de botten, ook wel skeletspieren genoemd.

    • Skeletspieren vormen samen het spierstelsel en zijn essentieel voor rechtop staan en bewegen.

    • Skeletspieren zijn met pezen aan botten bevestigd en deze pezen kunnen zich niet samentrekken.

  • Spierbeweging:

    • Wanneer een spier samentrekt, wordt deze korter en dikker, waardoor botten naar elkaar toe trekken.

    • Een spier kan niet duwen; er is een tweede spier nodig voor tegenbeweging, wat resulteert in een ontspanningsbeweging.

    • Antagonistisch Paar:

    • Twee spieren waarvan het samentrekken een tegengesteld effect heeft, waardoor tegengestelde bewegingen mogelijk zijn (bijvoorbeeld buigen en strekken).

      • Voorbeeld:

      • Armbuigspier (biceps): Wanneer deze samentrekt, buigt de arm.

      • Armstrekspier (triceps): Wanneer deze samentrekt, strekt deze de arm.

  • Soorten Spieren:

    • Skeletspieren: Ondersteunen beweging en postuur.

    • Orgaanspieren: Bewegen zonder bewust denken, zoals in de wand van het verteringsstelsel, hartspier en tussenribspieren.