Communicatiewetenschap - Definitieve Studie Notities

Communicatiewetenschap - Definitieve Studie Notities

Inleiding tot het media-onderzoek

  • Communicatiewetenschappen: wetenschappelijke studie van de relatie tussen media of communicatieprocessen en de samenleving.

  • Veld is jong, maar breed en divers: fragmentatie van subdisciplines en interdisciplinaire invloeden.

    • Voorbeeld: Online, familie & opvoeding, organisaties of werkplek.
  • Doelstellingen van de cursus:

    • D1: Overzicht van het breed en evoluerend veld.

    • Actuacase: Generatie van digital natives.

    • Implicaties: verbinding maken met onderwerpen als:

      • Informatiemaatschappij
      • Nieuwe mediatheorie, mediatisering.
      • Mediageschiedenis, mediabeleid en -economie.
      • Media en effectentheorieën.
      • Globalisering, convergentie, concentratie.
    • D2: Hedendaags belang van de communicatiewetenschappen.

    • Centrale rol van media in het maatschappelijke leven: politieke, sociologische, economische en gezondheidsbevorderende aspecten.

    • Voorbeeld: Effect van media tijdens de coronacrisis.

Hoofdstuk 1: Bouwstenen – Deel 1 - Communicatie

  • Definitie van communicatie: Een complex samenspel van sociale, culturele, gedragsmatige en cognitieve aspecten.
    • Cognitiviteit: Geheugen, intelligentie, taal en concentratie.
Teken en betekenis
  • Kernvraag: Hoe ontstaat betekenis?
    • Voorbeeld van jaartal 1999: twee manieren van uitspraak.
Semiotic Theory
  • Semiotiek: bestudeert de relaties tussen tekens en betekenis.
    • Drie centrale domeinen:
    1. Tekens en hun indeling in soorten (fonologie, syntaxis, semantiek, pragmatiek).
    2. Codes of systemen waarin tekens zijn georganiseerd.
    3. Cultuur waarin tekens en codes opereren.
Subdomeinen van Semiotiek
  1. Fonologie:
    • Klanksysteem van een taal.
    • Onderzoek gaat over de realisering van klanken.
  2. Syntaxis:
    • Manier van zinnen- en woordstructuur.
  3. Semantiek:
    • Relatie tussen een teken en de betekenis die we eraan toekennen.
  4. Pragmatiek:
    • Relaties tussen communicatietekens en de gebruikers.
Semantiek: Intensie en Extensie
  • Intensie: Criteria voor het correct toepassen van een term.
  • Extensie: Klasse van alles waarop de term wordt toegepast.
    • Voorbeeld horrorfilms:
    • Intensie: kenmerken zoals constante spanning, moordenaar, hulpeloze slachtoffers.
    • Extensie: concrete films (Halloween, Saw).
Teken, Tekensysteem en Tekenindeling
  • Teken: allerkleinste eenheid van communicatie.
    • Signifiant (de betekenaar): materiële tekenvorm.
    • Signifié (de betekende): concept of idee waar het teken naar verwijst.
    • Relatie vastgelegd obv afspraak onder een gemeenschap.
Denotatie en Connotatie
  • Denotatie: Letterlijke betekenis of sociale consensus.
  • Connotatie: Subjectieve betekenis, vaak geïmpliceerd in context (bijv. negatieve connotatie van de Jodenster tijdens de oorlog).

Hoofdstuk 1: Bouwstenen – Deel 2 - Communicatieproces

  1. Communicator: Actor die informatie uitzendt.
    • Kan individu of organisatie zijn.
    • Rolverdeling tussen zender en ontvanger is veranderd.
  2. Boodschap: De belangrijkste inhoud van een communicatie-uiting.
    • Boodschap = bewustzijnsinhoud.
  3. Encoderen/Decoderen: Het omzetten van bewustzijnsinhoud in betekenisvolle tekens en het interpreteren door de ontvanger.
  4. Transmissie, kanaal en medium: De fysieke drager van de boodschap.
  5. Ontvanger: Tegenwoordig als actieve actor gezien.
Ruis in het Communicatieproces
  • Ruis referent aan elke interferentie die de transmissie of helderheid verstoort.
    • Soorten ruis:
    • Externe ruis: geluiden of verstoringen van buitenaf.
    • Interne ruis: psychologische, semantische of technische moeilijkheden.
Succesvolle Communicatie
  1. Intentionaliteit: Duidelijk doel van de communicator.
  2. Effectiviteit: Bereiken van doelen.
  3. Interactiviteit: Betrokkenheid van ontvanger.

Hoofdstuk 1: Bouwstenen – Deel 3 - Communicatiemodellen

  • Definities en modellen vanuit verschillende theorien:

    • Lasswell model (1948): Eenvoudig communicatiemodel met vijf componenten:
    1. Wie? (communicator)
    2. Wat? (boodschap)
    3. In welk kanaal? (kanaal)
    4. Aan wie? (ontvanger)
    5. Met welk effect? (effect)
  • Shannon & Weaver model (1949): Technisch karakter met ruis.

  • Newcomb's Balansmodel (1953): A-B-X model.

  • Schramm model (1954): Focus op circulaire processen, zowel zender als ontvanger.

  • Gerbner model (1956): Complexiteit met aandacht aan interpretatie versus perceptie.

  • Jakobson model (1960): Verschillende functies van taal en communicatiewijzen.

Hoofdstuk 1: Bouwstenen – Deel 4 - Visies & Vormen van Communicatie

Vier visies van McQuail
  1. Transmissievisie: Nadruk op het overbrengen van inhoud.
  2. Rituele visie: Culturele en sociale aspecten van communicatie.
  3. Attentievisie: Publiciteitsmodel gericht op vasthouden van aandacht.
  4. Receptievisie: Het proces van betekenistoekenning en -constructie bij ontvanger.
Theoretische Scholen van Fiske
  • Processchool: Communicatie als transmissie van boodschappen.
  • Semiotische school: Interactie en uitwisseling van betekenis.
Vier vormen van communicatie
  1. Intrapersoonlijke communicatie: Communicatie met jezelf.
  2. Interpersoonlijke communicatie: Face-to-face communicatie.
  3. Massacommunicatie: Communicatie met een groot publiek.
  4. Non-verbale communicatie: Bewegingen en lichaamstaal.

Hoofdstuk 2: The Young and The Restless

Communicatiewetenschappen als Discipline
  • Status en ontwikkeling van communicatiewetenschappen.
  • Kritieken op de discipline en misvattingen.
Ontstaan en Ontwikkeling
  • Historische achtergrond van communicatiewetenschappen en invloedrijke figuren.
  • Evolutie van mediastudies en belangrijke theorien.