examen juni

Gevolgenethiek (Utilitarisme)

Basisprincipe: De morele waarde van een handeling hangt af van de gevolgen. Een handeling is goed als ze het meeste geluk (nut) oplevert voor het grootste aantal mensen.

Bentham

Hedonistisch utilitarisme: goed = genot, slecht = pijn.

Nutsprincipe: "Het grootste geluk voor het grootste aantal" → berekend via de hedonistische calculus.

Iedereen telt evenveel: onpartijdige toeschouwer.

Kritiek op Bentham

Houdt geen rekening met intentie.

Hoe ver moet je gaan? → Utility monster (Nozick).

Moeilijk om gevolgen correct in te schatten.

Wat met immoreel genot of dierenrechten?

Mill

Kwalitatieve benadering: sommige vormen van geluk zijn waardevoller dan andere.

Lange termijn > korte termijn.

Regelutilitarisme: morele regels die op lange termijn het meeste geluk bevorderen (≠ daadutilitarisme).

Aansluiting bij Rawls’ idee van overlapping consensus.

Plichtethiek (Kant)

Kernidee: De intentie en plicht zijn moreel bepalend, niet het gevolg.

Categorische imperatief: Handel volgens een maxime waarvan je zou willen dat ze universele wet wordt.

Mens is doel op zich: je mag iemand nooit louter als middel gebruiken.

Ethiek is rationeel en autonoom (zonder God of emoties).

Belangrijk:

Goede wil = intrinsiek goed.

Een leugen is altijd verkeerd, zelfs als het goede gevolgen zou hebben.

Kritiek op Kant

Geen aandacht voor emoties of relaties.

Moeilijk toepasbaar op mensen met een beperking of op dieren.

Te streng en inflexibel.

Deugdenethiek

Aristoteles

Doel van moraal: Het bereiken van eudaimonia – een geslaagd, deugdzaam en betekenisvol leven.

Deugd: Een karaktereigenschap die het midden houdt tussen twee extremen (bv. moed tussen lafheid en roekeloosheid).

Phronèsis: Praktische wijsheid die helpt om in elke situatie het juiste midden te vinden.

Mensvisie: De mens is een rationeel wezen en ontwikkelt zich via oefening en opvoeding tot een goed persoon.

Contextueel: Geen vaste regels, maar afhankelijk van de concrete situatie en het karakter van de handelende persoon.

Hume

Moraal komt voort uit gevoel: Volgens Hume zijn het niet de rede of rationele principes die ons moreel maken, maar onze emoties, in het bijzonder sympathie (inlevingsvermogen).

Deugden zijn sociaal gewaardeerd: Een eigenschap is deugdzaam als ze het welzijn van anderen bevordert en als mensen ze spontaan goedkeuren.

‘Reason is the slave of the passions’: Rede kan enkel middelen aandragen, maar morele keuzes worden uiteindelijk gestuurd door gevoelens.

Anti-rationalistisch: Hume verwerpt het idee dat morele wetten universeel of absoluut zijn. Hij benadrukt de rol van context, relaties en menselijke natuur.

Kritiek:

Vage richtlijnen: Geen duidelijke regels voor concrete handelingen.

Te veel nadruk op karakter, te weinig op morele plichten of gevolgen.

Wat is het goede leven? hangt vaak af van cultuur, klasse of opvoeding.

Bij Hume: risico op relativisme (als moraal puur gevoel is, wat met moreel onverschilligen?)

Zorgethiek (Tronto & Fisher)

Kernidee

De zorgethiek ziet de mens niet alleen als rationeel, maar ook als een wezen dat afhankelijk is van zorg en zelf ook zorgt. Moraal vertrekt hier dus niet vanuit abstracte regels of gevolgen, maar vanuit relaties, betrokkenheid en concrete zorgpraktijken.

Vier hoofdprincipes van zorgethiek

  1. Ethische focus op praktijkproblemen
    → Niet abstract redeneren, maar kijken hoe zorg werkt in échte situaties. Communicatie tussen betrokkenen is essentieel.

  2. Geen algemene regels
    → Elke situatie is uniek en vraagt om een contextueel oordeel.

  3. Geen plichtethiek
    → De nadruk ligt niet op ‘plicht’ of ‘regels’, maar op de juiste houding van de zorgverlener: aandacht, betrokkenheid, verantwoordelijkheid.

  4. Relatiegericht
    → Zorg draait niet om een taak, maar om de relatie tussen mensen. Zorg is altijd ingebed in een concrete menselijke verbinding.

Tronto

De Amerikaanse filosofe Joan Tronto politiciseert de zorgethiek. Volgens haar is zorg geen ‘vrouwelijke natuur’, maar een maatschappelijke en politieke kwestie. De onderwaardering van zorg komt voort uit een kapitalistische en mannelijke dominantie van de publieke sfeer. Ze pleit voor:

  • Herwaardering van zorg buiten het gezin.

  • Eerlijke verdeling van zorgtaken tussen mannen en vrouwen.

  • Zorg als publiek goed in plaats van privéverantwoordelijkheid.

Ze verzet zich tegen de dominante rechtvaardigheidsethiek, die uitgaat van gelijkheid en autonomie. Tronto vindt dat die benadering te weinig oog heeft voor kwetsbaarheid en ongelijkheid in noden.

Fisher

Samen met Tronto werkte Berenice Fisher aan een nieuwe, inclusieve definitie van zorg. Ze wou zorg ontdoen van de vrouwelijke stereotypering en zorg opnieuw denken als iets fundamenteel menselijks. Fisher benadrukte dat ook mannen zorg dragen en dat zorg niet als ‘vrouwelijke taak’ mag worden gezien, maar als maatschappelijke verantwoordelijkheid. Ze wilde weg van beschrijvingen van zorg die automatisch verwijzen naar vrouwen, en focuste op universele menselijke afhankelijkheid en samenwerking.

Existentialisme

Kernidee

Existentialisme is een filosofische stroming die stelt dat de mens eerst bestaat (existeert), en pas daarna zijn essentie (wie hij is) bepaalt. Er is geen vaste natuur of doel dat ons vooraf is gegeven: we zijn radicaal vrij en verantwoordelijk voor wie we worden.

Heidigger

De mens is een "Dasein": een zijnde dat zich bewust is van zijn bestaan.

We zijn "geworpen" in de wereld: we hebben ons bestaan niet gekozen, maar moeten er wel iets van maken.

De dood is fundamenteel: alleen door onze eindigheid kunnen we authentiek leven.

Authentiek bestaan = kiezen voor jezelf, ondanks de druk van het anonieme “men” (das Man).

Kritiek op technologie: die maakt ons vervreemd van een echte omgang met de wereld.

Jean Paul Sartre

Bekendste stelling: "L’existence précède l’essence" (het bestaan gaat vooraf aan de essentie).

De mens is gedoemd tot vrijheid: er is geen God of natuur die voorschrijft wie we zijn — dus moeten we zelf kiezen.

Elke keuze is een keuze voor de mensheid: wie ik word, zegt ook iets over hoe ik denk dat mensen zouden moeten zijn.

Slecht geloof (mauvaise foi): jezelf wijsmaken dat je geen keuze hebt om je verantwoordelijkheid te ontlopen.

Vrijheid gaat altijd samen met verantwoordelijkheid en angst (omdat niets vooraf vastligt).

Camus

Kernidee: Camus richt zich op het absurde, de botsing tussen onze menselijke zoektocht naar betekenis en de betekenisloze, willekeurige wereld waarin we leven.

Het absurde: De wereld biedt geen inherente betekenis, maar wij blijven zoeken naar zingeving. Deze tegenstelling leidt tot het absurde.

Reactie op het absurde: Camus stelt dat we het absurde moeten erkennen zonder te vluchten in illusies (zoals religie) of nihilisme.

Levenshouding: "Leven met het absurde" betekent dat je je vrijheid en verantwoordelijkheid accepteert, en ondanks de zinloosheid toch voluit leeft en betekenis creëert.

Bekende werken: De mythe van Sisyphus (1942) — Sisyphus die telkens de berg oprolt maar nooit de top bereikt, symboliseert de absurde mens die toch doorzet.

Relatie tot existentialisme: Hoewel Camus vaak bij existentialisten gerekend wordt, verwierp hij het label en de meer pessimistische kanten ervan; hij benadrukte het zoeken naar vreugde en rebellie tegen zinloosheid.

Frankfurt Schule

kernidee

Opgericht in de jaren 1920, dit is de kern van de Frankfurter Schule. Ze ontwikkelden de kritische theorie om de maatschappij diepgaand te analyseren en emancipatie te bevorderen.

Horkenheimer

Directeur van het Instituut voor Sociale Onderzoek.

Ontwikkelde samen met Adorno de kritische theorie als een dialectische methode die theorie en praktijk verbindt.

Richt zich op de maatschappelijke structuren die onderdrukking en onvrijheid in stand houden.

Benadrukt dat wetenschap en filosofie moeten bijdragen aan sociale verandering.

Kritiek op traditionele wetenschap: die is vaak neutraal maar veronachtzaamt machtsverhoudingen en sociale ongelijkheid.

Theodor Adorno

Belangrijk filosoof en socioloog binnen de Frankfurter Schule.

Analyseert hoe cultuur en kunst onder druk van kapitalisme veranderen.

Samen met Horkheimer schreef hij Dialectiek van de Verlichting (1947).

Ontwikkelde het concept cultuurindustrie.

cultuurindustrie

Term bedacht door Horkheimer en Adorno.

Beschrijft hoe cultuurproducten (films, muziek, radio, televisie) op grote schaal worden geproduceerd als massaconsumptiegoederen.

Doel: winst maken, maar leidt tot massavervlakking en passiviteit bij het publiek.

Cultuurindustrie creëert conformisme en consumentenidentiteiten in plaats van kritische en autonome individuen.

Verhindert kritisch denken en versterkt de heersende ideologieën.

vervreemding

Modern kapitalisme leidt tot vervreemding: mensen voelen zich losgekoppeld van hun werk, elkaar en zichzelf.

De Frankfurter Schule gebruikt dit begrip om te beschrijven hoe cultuur en economie de menselijke autonomie beperken.

Vervreemding zorgt voor passiviteit en acceptatie van onderdrukking.

intolerantie

Adorno onderzocht de psychologische en maatschappelijke wortels vanintolerantie en autoritarisme.

In het boek The Authoritarian Personality (met andere onderzoekers) onderzoekt hij hoe sociale en psychologische factoren leiden tot vooroordelen, antisemitisme en fascistische neigingen.

Intolerantie wordt gezien als gevolg van maatschappelijke onderdrukking en onzekerheid.

Gevolgenethiek (Utilitarisme) vergeleken met andere stromingen

  • Gevolgenethiek beoordeelt handelingen op basis van het resultaat: het grootste geluk voor het grootste aantal.

  • Plichtethiek wijst deze focus op gevolgen af en zegt dat de intentie en plicht moreel bepalend zijn, ongeacht het resultaat.

  • Deugdenethiek kijkt niet naar handelingen of gevolgen, maar naar het karakter van de handelende persoon en diens deugden.

  • Zorgethiek bekritiseert het utilitarisme omdat het te abstract is; zij legt de nadruk op concrete zorgrelaties en betrokkenheid, niet op algemene gelukscalculaties.

  • Existentialisme benadrukt juist de individuele keuze en authenticiteit, niet een universeel principe van geluk of plicht.

Plichtethiek (Kant) vergeleken met andere stromingen

  • Plichtethiek stelt dat alleen de goede wil en het volgen van een categorische imperatief moreel juist is.

  • Gevolgenethiek wijst dit af en zegt dat alleen de gevolgen tellen, ook als de intentie goed is.

  • Deugdenethiek vindt plichtethiek te streng en abstract, omdat die geen aandacht heeft voor het karakter en de ontwikkeling van de mens.

  • Zorgethiek bekritiseert plichtethiek vanwege haar gebrek aan aandacht voor emoties en persoonlijke relaties.

  • Existentialisme verwerpt de universele plichten en legt nadruk op authentieke, vrije keuzes van het individu.

Deugdenethiek (Aristoteles) vergeleken met andere stromingen

  • Deugdenethiek focust op de ontwikkeling van het karakter en het bereiken van eudaimonia.

  • Gevolgenethiek vindt deugden te vaag en kijkt liever naar concrete gevolgen van handelingen.

  • Plichtethiek vindt deugdenethiek te weinig gericht op regels en plichten; het mist universele normen.

  • Zorgethiek sluit aan bij de aandacht voor het persoonlijke en relationele, maar legt meer nadruk op concrete zorg dan op karakterontwikkeling.

  • Existentialisme benadrukt het individu en authenticiteit, wat deels overeenkomt met de deugdenethiek, maar existentialisme is meer gericht op keuze en vrijheid dan op vaste deugden.

Zorgethiek (Tronto & Fisher) vergeleken met andere stromingen

  • Zorgethiek stelt dat ethiek draait om zorg, relaties en verantwoordelijkheid, niet om abstracte regels of utiliteit.

  • Gevolgenethiek vindt zorg te subjectief en emotioneel, en richt zich liever op algemene gelukmaximalisatie.

  • Plichtethiek vindt zorgethiek te weinig rationeel en universeel; het mist universele normen en plichten.

  • Deugdenethiek deelt de focus op de persoon, maar zorgethiek legt meer nadruk op relaties en context dan op karaktereigenschappen.

  • Existentialisme kan overlappen met zorgethiek in het belang van authenticiteit in relaties, maar existentialisme is meer gericht op het individuele bestaan en vrijheid.

Existentialisme (Heidegger) vergeleken met andere stromingen

  • Existentialisme stelt dat de mens zelf betekenis geeft aan zijn bestaan door vrije, authentieke keuzes.

  • Gevolgenethiek vindt dit te subjectief en mist een objectieve maatstaf voor goed en kwaad.

  • Plichtethiek wijst existentialisme af als te relativistisch en zonder universele morele wetten.

  • Deugdenethiek mist het zwaartepunt op individuele vrijheid en keuzes; het is meer gericht op vaste deugden.

  • Zorgethiek deelt het belang van authenticiteit in relaties, maar existentialisme is nadrukkelijk gericht op de eenzame verantwoordelijkheid van het individu.