Samenvatting van de transcripten over de ontwikkeling van een lagereschoolkind

Maatschappij en Welzijn: LEF! RU MY BFF?

Inhoudstafel

De inhoudstafel geeft een overzicht van de onderwerpen die in de transcripten aan bod komen, waaronder:

  • De denkwijze van een lagereschoolkind
  • Persoonlijkheids- en morele ontwikkeling
  • Schoolrijpheid
  • Leerprocessen
  • Ondersteuning en begeleiding bij vrijetijdsactiviteiten
  • Nachtrust
  • Luizencontrole en -behandeling
  • Huishoudelijke activiteiten met kinderen
  • Veilige en hygiënische dagvoeding
  • Impulsoverdracht tussen zenuwcellen
  • Impulsgeleiding binnen neuronen
  • Autonome en animale zenuwstelsel
  • Reflexwerking
  • Gewilde beweging

Check-in

De check-in omvat verschillende reflectie-opdrachten:

  1. Ordenen van leerstof per leerjaar:

    • Maaltafels, leren schrijven, leren lezen, Frans, de provincies, hoofdrekenen tot twintig, hoofdrekenen tot duizend, staartdelingen, kommagetallen, seksuele voorlichting.
    • Aanvullen met eigen voorbeelden.
  2. Minislaaptest:

    • Het uitvoeren van een minislaaptest op een website en de resultaten bespreken in de klas.
  3. Factoren die de nachtrust beïnvloeden:

    • Levensstijlfactoren (druk leven, sporten vlak voor slapen, onregelmatige slaaptijden, werken voor school tot vlak voor het slapengaan, te weinig beweging, zware maaltijden laat op de avond, cafeïnegebruik).
    • Storende omgevingsfactoren (lawaai, licht, temperatuur, huisdieren, gezinsleden).
    • Lichamelijke klachten (ziekte, pijn).
    • Psychische, mentale of geestelijke klachten (angsten, stress, piekeren, depressieve gevoelens).
    • Ingrijpende levensgebeurtenissen (overlijden, scheiding, ruzie).
  4. Reflexen:

    • Het markeren van woorden die passen bij foto's van reflexen (bewust, onbewust, automatisch, niet automatisch, pupilreflex, voetreflex, grijpreflex, buiten je eigen wil, binnen je eigen wil, overlevingsstrategie, reactie op een prikkel, een prikkel).

Milestones

De milestones omvatten leerdoelen met betrekking tot de ontwikkeling van een lagereschoolkind:

  • Het concreet-operationele denkstadium van Piaget toelichten.
  • De denkvaardigheden classificatie, seriatie, conservatie en transitieve interferentie toelichten.
  • De invloed van sociale vergelijking op het zelfbeeld toelichten.
  • De denkvaardigheid perspectief nemen en het magisch denken toelichten.
  • Het conflict competentie tegenover minderwaardigheid volgens Erikson toelichten.
  • Het cognitieve, sociale, emotionele en fysieke zelfbeeld toelichten.
  • De invloed van nature, nurture en zelfbepaling op de identiteitsontwikkeling toelichten.
  • Uitleggen wanneer een kind schoolrijp is en waarvan de leergeschiktheid afhankelijk is.
  • Uitleggen hoe een lagereschoolkind leert.
  • Observatiegegevens interpreteren en rapporteren.
  • Uitleggen wat vrije tijd en actieve vrije tijd is.
  • Voorbeelden geven van vrijetijdsactiviteiten en pedagogische vaardigheden hanteren om kinderen te ondersteunen.
  • Ondersteuning en begeleiding bieden bij ontspannings- en vrijetijdsactiviteiten aan de hand van een stappenplan.
  • Reflecteren over het eigen handelen en peerevaluatie toepassen.

Terugblik

De terugblik omvat reflectie op speelgedrag en sociale interacties:

  1. Speelgoed en spel:

    • Bespreken van speelgoed en spelactiviteiten uit de eigen lagere schooltijd.
    • Invullen van een tabel met voorbeelden en voordelen van motorische behendigheidsspelen en constructiespelen.
  2. Filmpje over speelgedrag:

    • Noteren wie met wie speelt (meisjes met meisjes, jongens met jongens).
    • Noteren welke spelletjes worden gespeeld (jongens: balspelen, meisjes: groepjes).
    • Noteren waarom toezicht op de speelplaats belangrijk is (bescherming van wie aan het kortste eind trekt).
  3. Klasdiscussie over stellingen:

    • Conclusie: In de lagere school zijn de lichamelijke verschillen tussen jongens en meisjes niet groot, waardoor ze perfect samen kunnen sporten. Een lagereschoolkind heeft rond de leeftijd van tien jaar een lichaamsbouw met de juiste verhoudingen en kan zijn lichaam optimaal gebruiken.
  4. Pestgedrag:

    • Noteren van voorbeelden van pestgedrag bij de juiste vorm:
      • Fysiek pestgedrag (slaan, spugen).
      • Materieel pestgedrag (spullen afpakken/verstoppen, cola in iemands boekentas gieten).
      • Verbaal pestgedrag (uitlachen, bedreigen).
      • Relationeel pestgedrag (iemand uitsluiten).
      • Cyberpesten (haatberichten sturen via Instagram, iemand filmen of dat videomateriaal delen zonder toestemming, geruchten verspreiden via Facebook).

1. HOE DENKT EEN LAGERESCHOOLKIND?

Casus Fien en Nelle

Fien (9 jaar) en Nelle (5 jaar) gaan met hun moeder Karen (40 jaar) naar een concert. Karen is haar smartphone kwijt. Fien overloopt de dag en herinnert zich dat de smartphone mogelijk bij de kassa is blijven liggen.

  • Wensen en behoeften van Fien: De smartphone van haar moeder vinden.
  • Verklaring van Fiens gedrag: Fien kan haar denkproces verwoorden omdat ze ouder is dan Nelle. Ze kan zich verplaatsen in de gedachten van haar moeder. Fien weet dat er in elk glas evenveel water zit, ook al verschilt de vorm van het glas.
Casus Jean Piaget

Jean Piaget legt uit hoe het denken zich ontwikkelt en introduceert de concreet-operationele fase (zeven tot twaalf jaar).

  • Sensomotorisch stadium (geboorte tot twee jaar).
  • Preoperationeel stadium (twee tot zeven jaar).
  • Concreet-operationeel stadium (zeven tot twaalf jaar).
  • Formeel-operationeel stadium (> twaalf jaar).

Een lagereschoolkind bevindt zich in de concreet-operationele fase. In deze fase zet het kind op cognitief vlak grote stappen vooruit. Lagereschoolkinderen maken minder denkfouten omdat ze systematisch, concreet en logisch denken.

Casus Lisse

Lisse (8 jaar) ruimt haar slaapkamer op. Ze ordent haar boeken van groot naar klein en haar knuffels per soort en kleur. Ze rangschikt haar familieleden in gedachten van oud naar jong en vormt een logisch verband tussen de twee families.

  • Boeken en knuffels: Ze rangschikt haar boeken van groot naar klein en haar knuffels per soort en kleur.
  • Familiefoto: Ze rangschikt haar familieleden in gedachten van oud naar jong en vormt een logisch verband tussen de twee families.
Experiment

Bekijken van een experiment en bespreken van de verschillen tussen een kleuter en een lagereschoolkind.

  • Jonge kinderen wijzen het beeld aan dat overeenkomt met hun eigen perspectief en niet met dat van de volwassene. Een achtjarig kind kan het perspectief van een andere gemakkelijk innemen.
Observatie Noor

Observatie van Noor in twee situaties (4 jaar en 7 jaar) waarbij water wordt overgegoten in een glas met een andere vorm.

  • 4 jaar: Noor zegt dat er in het hoogste glas het meeste water zit omdat het andere glas kleiner is.
  • 7 jaar: Noor zegt dat er in de twee glazen evenveel water zit omdat het oorspronkelijk evenveel water was, enkel de vorm van het glas is anders.
Boekenplanken

Bekijken van twee boekenplanken en noteren welke van de jongere en welke van het lagereschoolkind is. De verhalen van een lagereschoolkind zijn een mix tussen de herkenbare wereld en fantasie.

Omschrijvingen

Het plaatsen van voorbeelden bij de juiste omschrijvingen:

  • Een kind moet alles kunnen waarnemen, alles wordt aanschouwelijk voorgesteld. (D)
  • Een kind kan niet nadenken over situaties die ze niet kunnen ervaren of waarnemen. (A)
  • Het kind heeft aandacht voor zowel de begin- als de eindtoestand en houdt rekening met het proces ertussenin. (B)
  • Het kind is niet gefocust op een opvallend kenmerk, maar brengt verschillende elementen met elkaar in verband. (E)
  • Kinderen kunnen handelingen mentaal omkeren om terug te komen bij het beginpunt. (C)
Samenvatting

Een lagereschoolkind, tussen zeven en twaalf jaar, bevindt zich in het concreet-operationele stadium. Ze denken systematisch, concreet en logisch.

  • Systematisch denken:

    • Seriatie: Voorwerpen ordenen volgens een bepaalde dimensie (bijvoorbeeld van groot naar klein).
    • Transitieve interferentie: Voorwerpen in gedachten ordenen (bijvoorbeeld Jomme is groter dan Finn en Finn is groter dan Danil, dus Jomme is groter dan Danil).
    • Classificatie: Voorwerpen sorteren volgens meerdere ordeningsprincipes (bijvoorbeeld blokken eerst per kleur, dan per grootte).
  • Logisch denken:

    • Decentreren: Niet gefocust op een opvallend kenmerk, maar verschillende elementen met elkaar in verband brengen (bijvoorbeeld twee auto's vertrekken op hetzelfde beginpunt en komen op hetzelfde moment aan op hetzelfde eindpunt. Auto A legt een langere weg af, dus auto B heeft trager gereden).
    • Reversibel denken: Handelingen mentaal omkeren om terug te komen bij het beginpunt (bijvoorbeeld een pannenkoek is gemaakt van deeg, dat deeg is gebakken in de pan en gemaakt uit melk, bloem en eieren).
    • Perspectief nemen: Zich verplaatsen in andermans gezichtspunt (bijvoorbeeld Ijvi kan vertellen wat papa ziet).
    • Het conservatieprobleem oplossen: Begrijpen dat iets van vorm kan veranderen, maar dat de inhoud gelijk blijft (bijvoorbeeld een lang, smal glas kan evenveel water bevatten als een breed, laag glas).
    • Aandacht voor begin- en eindtoestand: Aandacht voor zowel de begin- als de eindtoestand en rekening houden met het proces ertussenin (bijvoorbeeld sinaasappelsap zat in sinaasappels en er werd uitgehaald door ze te persen).
  • Concreet denken:

    • Kinderen zitten nog vast in het concreet-fysiek denken. Ze moeten een situatie zelf kunnen waarnemen of ervaren.
    • Kinderen kunnen nog niet abstract denken. Leerkrachten moeten de leerstof concreet voorstellen.
    • Lagereschoolkinderen kunnen nog niet realistisch denken omdat ze nog magisch denken. Ze hebben een grote fantasie.
Oefencasus Maité, Cain, Pipa en Paulina
  • Maité ordent in gedachten: transitieve interferentie.
  • Cain ordent de blokjes per kleur en per vorm: classificatie.
  • Pipa ordent haar boeken van groot naar klein: seriatie.
  • Paulina begrijpt dat iets van vorm kan veranderen, maar dat de hoeveelheid hetzelfde blijft: conservatie.
  • Meester Oussem stelt de leerstof aanschouwelijk voor. De leerlingen kunnen de breuken waarnemen. Dat is concreet-fysiek denken.
Casus Hanae

Hanae (9 jaar) bakt met haar papa een cake en gebruikt per ongeluk zout in plaats van suiker.

  • Decentralisatie Lagereschoolkinderen kunnen het proces van cake bakken mentaal omkeren: Hanae haalt met haar vinger een restje van het deeg uit de kom en proeft er eens van. Ze spuwt het goedje uit. 'Bah, dit is echt heel vies!' roept Hanae uit.
  • Reversibel denken
    Hanae kan het proces van cake bakken mentaal omkeren: mixen, bloem, eieren, boter, suiker.
  • Perspectief nemen: Ze kan zich inbeelden wat haar papa zag toen hij met zijn rug naar haar stond. Hij sprak over 'links' vanuit zijn oogpunt.
  • Aandacht voor begin- en eindtoestand: Ze ziet in dat de smaak wordt bepaald door de combinatie van stappen: zout toevoegen, beslag mixen.
Algemeen

Fien is in staat om reversibel te denken, ze kan handelingen mentaal omkeren om zo te achterhalen waar ze de smartphone van mama vergeten zijn. Dankzij het magisch denken houden zowel Fien als Nelle van #Like me.

2 HOE VERLOOPT DE PERSOONLIJKHEIDS-ONTWIKKELING EN DE MORELE ONTWIKKELING VAN EEN LAGERESCHOOLKIND?

Casus Linde

Linde (10 jaar) vertelt aan haar vriendin Stephanie (10 jaar) dat ze geen zin heeft in de toets van Frans. Linde vergelijkt zichzelf met Stephanie. Ze weet dat ze minder goed is in Frans, maar wel beter scoort op wiskunde of W.O. Ze is ook leniger dan Stephanie.

Casus Juf Eva

Juf Eva, leerkracht van 4A, bespreekt de situatie van Ishak, die wordt uitgesloten in de klas.

  • Gevolgen voor Ishak: Ishak kan gevoelens van minderwaardigheid, boosheid of frustratie ontwikkelen.
  • Nature: Ishak is een jongen van ongeveer tien jaar oud. Zijn brein is nog niet helemaal ontwikkeld.
  • Nurture: De moeilijke thuissituatie maakt dat hij zich op dit moment minder goed voelt thuis, verdrietig en boos is. Met die gevoelens gaat hij naar school, waar het ook al niet goed loopt. Dat maakt het voor hem dubbel zo moeilijk.
  • Zelfbepaling: Hij wil niet aan zijn mama vertellen wat er scheelt.
  • Emoties: Een lagereschoolkind heeft meer inlevingsvermogen. De klasgenoten begrijpen dat het niet fijn is voor Ishak en dat ze het zelf ook niet fijn zouden vinden. Ze kunnen hun emoties beter verwoorden, maar hebben wel nog steeds angsten.
  • Sociale vergelijking: Kyra mocht als enige meisje niet naar een verjaardagsfeestje komen.
Erik Erikson

Erik Erikson legt uit dat de identiteit van de mens zich ontwikkelt in acht verschillende fasen met telkens een conflict dat je zelf moet oplossen.

  • Vertrouwen tegenover wantrouwen (0-1 jaar).
  • Autonomie tegenover schaamte en twijfel (2-3 jaar).
  • Initiatief tegenover schuldgevoel (3-6 jaar).
  • Competentie tegenover minderwaardigheid (7-12 jaar).
  • Identiteit tegenover identiteitsverwarring (12-18 jaar).
  • Intimiteit tegenover isolement (18-35 jaar).
  • Generativiteit tegenover stagnatie (35-65 jaar).
  • Integriteit tegenover wanhoop (65 tot de dood).

Het kind wil het gevoel hebben dat het iets kan, dat het competent is. Zelfvertrouwen ontstaat als het kind succeservaringen heeft (in zijn gezin, relaties, school). Als het kind niet voldoende succes ervaart, kunnen gevoelens van minderwaardigheid ontstaan.

Casus Scout en Joe

Scout (6 jaar) omschrijft zichzelf als een meisje met bruine krulletjes en blauwe ogen dat goed kan dansen en lezen, maar ze heeft een kort lontje. Joe (12 jaar) is een rustige jongen met kort bruin haar, grote bruine ogen en hij is veel groter dan zijn vrienden. Hij vindt dat hij goed kan voetballen en rekenen, maar een opstel schrijven lukt hem niet. Hij helpt anderen graag.

  • Cognitief zelfbeeld Scout kan al goed lezen, Joe kan goed rekenen, maar geen opstel schrijven.
  • Sociaal zelfbeeld Joe is behulpzaam.
  • Emotioneel zelfbeeld Joe is rustig, Scout heeft een kort lontje.
  • Fysiek zelfbeeld Scout heeft bruine krulletjes en blauwe ogen. Joe heeft kort bruin haar en grote bruine ogen, hij is veel groter dan zijn vrienden.
Casus Reda

Reda (9 jaar) doet zijn best op school, maar zijn punten voor taal blijven laag. Reda heeft een negatief zelfbeeld. Kinderen met een laag zelfbeeld lopen het risico om in een vicieuze cirkel van mislukkingen terecht te komen

Dilemma

Wie is stouter? Een jongen die per ongeluk vijftien kopjes breekt terwijl hij zijn moeder helpt bij de afwas of een jongen die een kopje breekt wanneer hij stiekem iets lekkers steelt. Lagereschoolkinderen kijken naar wat de bedoeling is.

Ontwikkeling

Lagereschoolkinderen starten hun zoektocht naar een antwoord op de vraag 'Wie ben ik?'. Ze schenken minder aandacht aan fysieke eigenschappen, maar leggen meer nadruk op de psychische eigenschappen. Dankzij de vooruitgang op cognitief vlak slagen ze er meer en meer in om abstracter te denken.

Het zelfbeeld van lagereschoolkinderen wordt opgedeeld in vier domeinen:

  • Cognitief zelfbeeld.
  • Sociaal zelfbeeld.
  • Emotioneel zelfbeeld.
  • Fysiek zelfbeeld.

De identiteit van de mens ontwikkelt zich in acht verschillende fasen. Je moet telkens een conflict aanpakken:
Competentie tegenover minderwaardigheid. Tijdens de lagereschoolperiode ervaart het kind dat vlijt loont.

Oefencasus Souad, Jorg,Marie-Lou,Naomi.
  1. emotioneel zelfbeeld.
  2. sociaal zelfbeeld.
  3. fysiek zelfbeeld.
  4. cognitief zelfbeeld.
Kruiswoordraadsel
  1. Reversibel denken. (REVERSIBEL DENKEN)
  2. Lagereschoolkinderen hebben een grote fantasie. Dat is magisch denken (MAGI SCH DENKEN)
  3. Lagereschoolkinderen vergelijken zichzelf met anderen. Ze doen aan sociale vergelijking (SOCIALE_VERGELIJKING)
  4. Een lagereschoolkind, tussen zeven en twaalf jaar, bevindt zich in de concreet-operationele fase. (CONCREET - OPERATIONELE)
  5. Lagereschoolkinderen worden geconfronteerd met een belangrijk conflict dat ze moeten
    oplossen, namelijk competentie tegenover minderwaardigheid (MINDERWAARDIGHEID)
  6. Volgens Piaget maken lagereschoolkinderen minder denkfouten omdat ze systematisch, concreet en logisch denken. (DENKFOUTEN)
  7. Het beeld dat je hebt van je interactie met andere personen en groepen is het sociaal zelfbeeld (SOCIAAL-ZELFBEELD)
  8. Het beeld dat je hebt van je schoolse prestaties en intelligentie is je cognitief zelfbeeld. (COGNITIEF)
  9. Een kind is pas schoolrijp als het voldoende is ontwikkeld. (SCHOOLRIJP)
  10. Het beeld dat je hebt van je gevoelens in een bepaalde situatie is je emotioneel zelfbeeld(EMOTIONEEL-ZELFBEELD)
  11. Het kortetermijn geheugen verbetert aanzienlijk in de lagereschooltijd. (KORTE TERMIJN)
  12. Het beeld dat je hebt van je uiterlijke kenmerken en je lichamelijke prestaties is je fysiek zelfbeeld (FYSIEK_ZELFBEELD)