2. Stoffen

Materiaaleigenschappen worden bepaald door de combinatie van stofeigenschappen.


Stofeigenschappen: Waaraan we stoffen kunnen herkennen.


  • De kleinste deeltjes waaruit een stof bestaat, meestal moleculen, bepalen de stofeigenschappen.


Zuivere stof of mengsel

  • Zuivere stof: een stof

Zuiver water; alleen water.

Kristalsuiker, aluminum

  • Mengsel: twee of meerdere stoffen

Kraanwater: water en kalk.


Onderscheid in mengsels: homogene en hetrogene mengsels.

  • Een zuivere stof heeft een kookpunt en een smeltpunt.

  • Mengsel heeft een kooktraject en smelttraject.


Homogene mengsels

  • Mengsels waarin je de verschillende stoffen niet kunt zien

Lucht (78% stikstof, 21% zuurstof%, 0.03% koolstofdioxide)

  • Deze mengsels noemen we ook wel oplossingen

Altijd helder (je kunt er doorheen kijken)

Soms gelkeurd

Water + suiker: water is het oplosmiddel.


Hetrogene mengsels

  • Mengsels waarin je de verschillende stoffen wel kunt zien

Water + zand of water + olie

  • Twee vormen van hetrogene mengsels.

Suspensie (water + zand)

Emulsie (water + olie)


Supsensie

  • Een vloeistof waarin kleine brokjes van een waste stof zweven

Altijd troebel (je kunt er niet doorheen kijken)

Vaak gekleurd

  • Als je een supsensie langere tijd laat staan zinkt de waste stof naar de bodem. Dit noemen we bezinken


Emulsie

  • Een vloeistof waarin druppels van een andere vloeistof zweven

Altijd troebel.


Je ziet vaak 2 lager ontstaan, dan noemen we een emulsie ontmengd.

Om de emulsie gemengd te houden voegen we een emulator toe.

Zeep.


Emulsie, oplossing en suspensie


Overzicht mengels

Samenstelling van mengsels

  • Smaenstelling geeft aan welje stoffen en hoeveel daarvan in 100 gram van een levensmiddel voorkomen

  • Hoeveelheid stof in een mengsel drunken we uit in het massapercentage.

Massapercentage stof = massa : massa mengsel x 100%

  • Soms kom je het volumepercentage tegen

Volumepercentage stof = volume stof : volume mengsel × 100%