Arresten

1. Wagons-lits-arrest

Context: Dit arrest wordt aangehaald in het hoofdstuk over imperatief-dwingende rechtsregels en de openbare orde (punt 109). Het illustreert dat wetgeving die primair private belangen lijkt te beschermen, toch van openbare orde kan zijn vanwege een ruimer maatschappelijk belang.

Citeer uit de cursus (punt 109):

Zo oor­deel­de het Hof van Cassatie in het Wagons-lits arrest dat de regelgeving inzake de openbare overname van vennootschappen transparantie voor en gelijkheid onder de aandeelhouders wil creëren, maar ook een veel ruimer belang dient. Zij hangt dermate nauw samen met de orga- nisatie en de goede werking van de geldmarkt en derhalve met de economie van het land, dat zij van openbare orde is.


2. Grenswachterszaken (Duitsland)

Context: Dit voorbeeld wordt gebruikt in de bespreking van de Radbruch-formule (punt 96). Het toont hoe de Duitse rechter na de eenwording oordeelde dat de Oost-Duitse grensbewakingswetgeving, die het neerschieten van vluchtelingen toeliet, zo onrechtvaardig was dat ze als "vals recht" (onrecht) moest worden beschouwd.

Citeer uit de cursus (punt 96):

Na de Duitse eenmaking in 1990 werd de formule ook toegepast in de Grenswachterszaken, strafzaken tegen grenswachters uit de voor- malige Duitse Democratische Republiek (DDR). Die hadden Oost-Duitse burgers neerge- schoten tijdens hun vluchtpoging naar West-Berlijn (...).

Het Bundesgerichtshof, het hoogste rechtscollege in burgerlijke en strafzaken in Duits- land, verwees expliciet naar de Radbruch-formule van het “unrichtiges Recht”. (...)

Het hof besloot, met verwijzing ook naar internationale mensenrechten, dat dit het geval was. Het doodschieten van een on- gewapende vluchteling is uit zijn aard dermate verschrikkelijk dat deze handeling aan elke redelijke rechtvaardiging onttrokken is en indruist tegen het elementaire verbod op het doden van mensen dat voor eenieder, zelfs voor een geïndoctrineerde grenswacht, duidelijk is.


3. Nürnbergwetten (als rechtshistorisch voorbeeld)

Context: De Nürnbergwetten van 1935 worden uitgebreid besproken (punten 52-54) als schoolvoorbeeld van een formeel rechtszeker maar fundamenteel onrechtvaardig systeem. Het arrest van het Duitse Bundesverfassungsgericht dat hierover later oordeelde, wordt in punt 95 geciteerd.

Citeer uit de cursus (punt 95):

Op basis van een verder uitvoeringsbesluit van 1941 was aan Duitse Joden die Duitsland waren ontvlucht en buiten Duitsland verbleven, het rijksburgerschap ontnomen. Doordat zij staatloos waren geworden, vielen zij, ook na de Tweede Wereldoorlog, niet meer onder het Duitse erfrecht en waren hun familieleden uitgesloten om hun goederen te erven. Het Duitse Bundesverfassungsgericht (het Grondwettelijk Hof van de Duitse Bondsrepub- bliek) verklaarde dat deze regelgeving als nietig moet worden beschouwd. Volgens het Hof kan aan nationaalsocialistische wettelijke voorschriften de geldigheid als wet worden ontzegd als ze zo duidelijk in tegenspraak zijn met de fundamentele rechtvaardigheidsbeginselen, zo- danig dat de rechter die ze wil toepassen of de juridische gevolgen ervan wil erkennen, on- recht in plaats van recht zou spreken.


4. Franco Suisse Le Ski (Smeerkaasarrest)

Context: Dit is een mijlpaalarrest van het Hof van Cassatie uit 1971 (punt 412). Het besliste dat België het monistische stelsel volgt, waardoor internationaal recht met rechtstreekse werking voorrang heeft op nationale wetgeving.

Citeer uit de cursus (punt 412):

Uiteindelijk heeft het Hof van Cassatie (...) in deze duidelijkheid ge- bracht. Lange tijd volgde het Hof de dualistische opvatting: de nationale en internationale rechtsorde waren van elkaar gescheiden rechtsorden.

Daarin is verandering gekomen in het befaamde mijlpaalarrest Franco Suisse Le Ski, ook wel gekend als het Smeerkaasarrest, waarin het Hof voor de monistische opvatting op- teerde:

Overwegende dat wanneer er een conflict bestaat tussen een internrechtelijke norm en een internationaalrechtelijke norm die rechtstreekse gevolgen heeft in de interne rechtsorde, de door het verdrag bepaalde regel moet voorgaan; dat deze voorrang volgt uit de aard zelf van het bij verdrag bepaald internationaal recht.


5. Van Gend en Loos

Context: Dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (punt 424) is een fundamenteel arrest dat de rechtstreekse werking van het Europese recht bevestigde.

Citeer uit de cursus (punt 424):

In het arrest van 5 februari 1963 in de zaak van Gend en Loos heeft het Hof met betrekking tot artikel 12 EEG-verdrag, dat een verbod van nieuwe invoer- heffingen inhoudt, bepaald dat het gemeenschapsrecht (le droit communautaire) rechtstreekse werking kan hebben zodat de gemeenschapsregel rechtstreeks kan worden ingeroepen voor de nationale rechter.


6. Costa t. Enel

Context: Dit arrest van het Hof van Justitie (punt 425) bevestigde het principe van de voorrang van het Europees recht boven het nationale recht van de lidstaten.

Citeer uit de cursus (punt 425):

In het arrest van 15 juli 1964 in de zaak Costa tegen Enel heeft het Hof van Justitie, m.b.t. de overeenstemming van een Italiaanse nationalisatiewet met het Europes kartelverbod, geoordeeld dat de Europese rechtsregel met rechtstreekse werking voor- rang heeft op de ermee strijdige nationale wet.


7. Internationale Handelsgesellschaft

Context: Dit arrest (punt 426) bevestigde de absolute voorrang van het Europese recht, zelfs boven de nationale grondwet.

Citeer uit de cursus (punt 426):

In het arrest van 17 december 1970, in de zaak Internationale Handelsgesellschaft, heeft het Hof deze voorrang nog bevestigd door te stel- len dat de Europese rechtsregel niet dient in overeenstemming te zijn met de nationale rechtsregel, inclusief de nationale Grondwet.


8. Simmenthal

Context: Dit arrest van het Hof van Justitie (punt 427) legt de verplichting aan elke nationale rechter op om voorrang te verlenen aan rechtstreeks werkend Europees recht.

Citeer uit de cursus (punt 427):

In een arrest van 9 maart 1978, in de zaak Simmenthal, oordeelde het Hof dat de nationale rechter verplicht is rechtstreekse werking te verlenen aan de Europese rechtsregels die daarvoor vatbaar zijn, en daarbij aan deze rechtstreeks werkende bepaling voorrang te verlenen op de ermee strijdige nationale wet.


9. Francovich

Context: Dit arrest van het Hof van Justitie (punt 428) stelt de aansprakelijkheid van de lidstaat vast voor schade door het niet (correct) omzetten van een Europese richtlijn.

Citeer uit de cursus (punt 428):

Daarenboven heeft het Hof op 19 november 1991 in de zaak Francovich geoordeeld dat een lidstaat aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit de niet-omzet- ting van richtlijnen binnen de gestelde termijn.


10. Brasserie du Pêcheur

Context: Dit arrest (punt 429) legt de algemene voorwaarden vast voor de aansprakelijkheid van een lidstaat voor schendingen van het Unierecht, ongeacht welk overheidsorgaan de schending veroorzaakte.

Citeer uit de cursus (punt 429):

In het arrest Brasserie du Pêcheur van 5 maart 1996 heeft het Hof de basisregels inzake de aansprakelijkheid van de wetgever voor inbreuken op het ge- meenschapsrecht vastgelegd.

Elke voldoende gekwalificeerde schending van het Unierecht kan tot aansprakelijkheid leiden, ongeacht welk overheidsorgaan de schade veroorzaakt.


11. Loodsenaansprakelijkheid (Arbitragehof / Grondwettelijk Hof & EHRM)

Context: Deze reeks uitspraken (punt 467) betreft een conflict over een Belgische wet die met terugwerkende kracht de aansprakelijkheid van de Staat voor loodsen uitsloot. Het Arbitragehof (later Grondwettelijk Hof) oordeelde dat de terugwerkende kracht de rechtszekerheid aantastte maar in dit geval gerechtvaardigd was. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) oordeelde echter dat de terugwerkende kracht een schending was van het recht op eigendom (art. 1 Eerste Protocol).

Citeer uit de cursus (punt 467):

Aanleiding tot deze wet was een arrest van het Hof van Cassatie van 15 december 1983. (...)

Deze wet werd voor het Arbitragehof aangevochten. Het Hof stelde: (...)

Op klacht van een rederij die zich benadeeld voelde, oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in totaal andere zin. De schadevergoedingseis, die ontstaat op het ogenblik dat de schade zich manifesteert, moet volgens het Hof wel degelijk beschouwd wor- den als een patrimoniale waarde, en dus als een goed in de zin artikel 1 van het Eerste toegevoegd protocol EVRM. (...)

De wet met 30 jaar terugwer- kende kracht die de rechten van de schadelijkers zo radicaal aantastte, miste volgens het Hof dat evenwicht.

Het Hof van Cassatie is die zienswijze nadien bijgetreden.


12. Waleffe

Context: Dit arrest van het Hof van Cassatie uit 1950 (punt 432) wordt aangehaald in de historiek van de grondwettigheidstoetsing. Het stelt dat een rechter, bij meerduidige wettekst, de interpretatie moet kiezen die in overeenstemming is met de Grondwet.

Citeer uit de cursus (punt 432):

Wel heeft het Hof van Cassatie in het arrest Waleffe (1950) aangegeven dat wanneer een wetsbepaling voor meerdere interpretaties vatbaar is, waarvan de ene interpretatie strijdig is met de Grondwet en de andere niet strijdig, de rechter die grondwetsconforme interpretatie moet toepassen.


13. Marbury v. Madison

Context: Dit historische arrest van het Amerikaanse Hooggerechtshof uit 1803 (punt 434) wordt besproken in de context van de verschillende modellen van grondwettigheidstoetsing. Het staat voor het Amerikaanse model, waarbij elke rechter een wet ongrondwettig kan verklaren en buiten toepassing laten.

Citeer uit de cursus (punt 434):

In het Amerikaanse model, genoemd naar de rechterlijke toetsingspraktijk die het Hoog- gerechtshof van de Verenigde Staten zich in 1803 in de befaamde uitspraak Marbury v. Madison heeft toegeëigend, behoort het tot de taak van elke rechter om de grondwettigheid van de wetgeving die hij moet toepassen in de uitoefening van zijn rechterlijke taken (...) na te gaan.


14. Flandria-arrest (5 november 1920)

Cursusreferentie: P. 308 (scan p. 28 van bestand "BBR scan P281-330.pdf")

Citaat:
"In het Flandria-arrest van 5 november 1920 is die opvatting verlaten.577 Thans wordt algemeen aanvaard dat het optreden of het niet optreden van het bestuur (inzake verordeningen, beschikkingen of feitelijke handelingen) onrechtmatig (strijdig met de wet of onzorgvuldig) kan zijn in de zin van artikel 1382 oud BW (thans art. 6.5 BW) en tot schadevergoeding aanleiding kan geven."

Toelichting:
Dit arrest markeert het einde van de opvatting dat de rechterlijke macht het handelen van de overheid niet zou mogen beoordelen op grond van de scheiding der machten. Sindsdien kan een onrechtmatige bestuursdaad leiden tot een schadevergoeding.


15. Wegverkeerstekenarrest (1963)

Cursusreferentie: P. 309 (scan p. 29 van bestand "BBR scan P281-330.pdf")

Citaat:
"Het Hof van Cassatie erkende onder meer dat de rechterlijke macht kan nagaan of de overheid haar algemene verplichting van voorzichtigheid heeft nageleefd (het wegverkeerste- kenarrest, 1963'78) […]"

Toelichting:
Dit arrest bevestigt dat de rechterlijke macht kan toetsen of de overheid de algemene zorgvuldigheidsplicht heeft nageleefd.


16. Koepokkenarrest (1963)

Cursusreferentie: P. 309 (scan p. 29 van bestand "BBR scan P281-330.pdf")

Citaat:
"[…] paste het de zorgvuldigheidsnorm toe op de uitoefening van de verordende of reglementaire bevoegdheid van het bestuur (het koepokkenarrest, 1963'79) […]"

Toelichting:
De rechter past de zorgvuldigheidsnorm toe op de uitoefening van de verordenende bevoegdheid van het bestuur.


17. Arrest Cuvelier (1965)

Cursusreferentie: P. 309 (scan p. 29 van bestand "BBR scan P281-330.pdf")

Citaat:
"[…] op de geschillen over politieke rechten (arrest Cuvelier, 1965'80) […]"

Toelichting:
De rechterlijke macht wordt bevoegd geacht om geschillen over politieke rechten te beoordelen.


18. Postontvangersarrest (1971)

Cursusreferentie: P. 309 (scan p. 29 van bestand "BBR scan P281-330.pdf")

Citaat:
"[…] alsook op het overheidsverzuim in de uitoefening van de verordenende functie (het postontvangersarrest, 1971'81)."

Toelichting:
Ook het nalaten (verzuim) van de overheid bij de uitoefening van de verordenende functie kan onrechtmatig zijn.


19. Clifit-arrest (HvJ EG, 6 oktober 1982)

Cursusreferentie: P. 344 (scan p. 15 van bestand "BBR scan P331-365.pdf")

Citaat:
"In het arrest Cliffi verduidelijkte het Hof dat de verplichting tot vraagstelling niet geldt wanneer de rechter vaststelt a) dat de opgeworpen vraag niet relevant is; b) dat de betrokken bepaling van het Unierecht reeds door het Hof is uitgelegd (de zgn acte eclairé), of c) dat de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (de zgn acte clair).608"

Toelichting:
Het Hof van Justitie van de EU legt uit wanneer een nationale rechter niet verplicht is een prejudiciële vraag te stellen. Dit wordt het Clifit-criterium genoemd.


20. ANCA-arresten (Hof van Cassatie, 19 december 1991 en 8 december 1994)

Cursusreferentie: P. 319-320 (scan p. 40-41 van bestand "BBR scan P281-330.pdf")

Citaat (eerste arrest):
"Het Hof van Cassatie oordeelde op 19 december 1991 592 in de ANCA-zaak dat de Belgische Staat op grond van artikel 1382 en 1383 oud BW (thans artikel 6.5 e.v. BW) kan aansprakelijk gesteld worden voor schade veroorzaakt door een fout van een rechter of magistraat van het openbaar ministerie."

Citaat (tweede arrest):
"In een tweede arrest in dezelfde ANCA-zaak van 8 december 1994 593 heeft het Hof van Cassatie gesteld dat een ambtsfout van een magistraat een gedraging is die ofwel niet voldoet aan het criterium van het handelen op de wijze van de normale zorgvuldige en omzichtige magistraat geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden, ofwel […] een schending inhoudt van een internrechtelijke norm of van een internationaal verdrag met rechtstreekse werking […]."

Toelichting:
De ANCA-arresten zijn mijlpaalarresten inzake de aansprakelijkheid van de Staat voor fouten van de rechterlijke macht. Ze introduceren het criterium van de "normaal zorgvuldige en omzichtige magistraat".