PP. 229-287

HOOFDSTUK 13. DE GRONDWETTELIJKE UITGANGSPUNTEN VAN DE BELGISCHE RECHTSORDE

13.1. DE BELGISCHE GRONDWET EN HAAR UITGANGSPUNTEN

A. Een nationale soevereiniteit (art. 33 Gw.)
  • Principe: "Alle machten gaan uit van de natie." Dit betekent dat geen van de gestelde machten (wetgevend, uitvoerend, rechterlijk) soeverein is. Ze zijn allen aan de Grondwet onderworpen en ontlenen hun macht aan de Natie (het constitutioneel georganiseerde volk).

  • Beperking: De nationale soevereiniteit is vandaag beperkt door het internationaal en supranationaal recht (art. 34 Gw., overdracht van machten aan volkenrechtelijke instellingen).

B. Een rechtsstaat (État de droit)
  • Principe: De overheid is onderworpen aan het recht.

  • Beperkingen op staatsmacht:

    1. Formele beperkingen: Scheiding der machten en bevoegdheidsverdeling (federalisme).

    2. Materiële beperkingen: Grondrechten (Titel II Gw. en internationale mensenrechtenverdragen).

C. De scheiding der machten (checks and balances)
  • Principe (Montesquieu) : Macht moet gespreid zijn om machtsmisbruik te voorkomen. Er is geen strikte scheiding, maar een systeem van samenwerking en controle.

    • Samenwerking: Parlement en regering maken samen wetten.

    • Controle: Parlement controleert regering (vertrouwensregel); rechter controleert overheid (art. 159 Gw.); Rekenhof controleert financiën.

  • Onafhankelijkheid rechterlijke macht: De scheiding der machten verzet zich tegen rechterlijke beoordeling van de opportuniteit (politieke geschiktheid) van bestuursbeslissingen, maar niet tegen de beoordeling van de wettigheid.

D. Een representatieve en parlementaire democratie
  • Onrechtstreekse vertegenwoordiging: Het volk kiest vertegenwoordigers die de wetgevende macht uitoefenen.

  • Parlementair systeem: De regering (uitvoerende macht) heeft het vertrouwen nodig van het parlement en is er politieke verantwoording aan verschuldigd.

E. Een erfelijke constitutionele monarchie
  • Erfopvolging: Het staatshoofd is niet verkozen maar wordt aangeduid door erfopvolging in de lijn van Leopold I (eerstgeboorterecht, Salische wet afgeschaft in 1991).

  • Constitutioneel: De macht van de koning is grondwettelijk beperkt (art. 105 Gw.). Hij regeert niet, maar bekrachtigt wetten en is de "eenheid en continuïteit" van de staat.

13.1.6. EEN FEDERALE STAAT

A. Staatsvormen

  1. Eenheidsstaat (unitaire staat)

    • Definitie: Wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht berusten bij een centrale overheid.

    • Nuance: Kan op uitvoerend vlak wel deconcentratie of decentralisatie kennen.

  2. Confederatie of statenbond

    • Definitie: Samenwerkingsvorm tussen soevereine staten, vastgelegd bij verdrag.

    • Kenmerk: De confederatie oefent bepaalde bevoegdheden uit, maar is zelf geen afzonderlijke Staat.

    • Belgische context: Confederalisme wordt soms genoemd als mogelijke volgende stap van het federalisme, gekenmerkt door een hoge mate van autonomie voor deelstaten en minder focus op cohesie op federaal niveau.

  3. Federale staat of bondsstaat

    • Definitie: Een staat waarin deelentiteiten (deelstaten) eigen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende bevoegdheden hebben die niet door het federale niveau kunnen worden uitgeoefend.

    • Gemeenschappelijke kenmerken:

      1. Onderscheiden bevoegdheidsniveaus: met eigen machten en instellingen.

      2. Grondwettelijk verankerde bevoegdheidsverdeling: tussen federaal niveau en deelstaten. Deze bevoegdheden kunnen:

        • Exclusief toegewezen zijn.

        • Parallel toegewezen zijn (verschillende aspecten op verschillende niveaus geregeld).

        • Concurrerend zijn (beide niveaus bevoegd, met een voorrangsregel).

        • Toegewezen (expliciete) bevoegdheden. Residuaire bevoegdheden (niet expliciet vermeld) komen toe aan het ene of andere niveau (meestal deelstaatniveau).

      3. Participatie: Deelstaten participeren in de totstandkoming van federale wetgeving en de Grondwet.

      4. Financiering: Specifieke regeling voor fiscaliteit en financiering van de diverse niveaus.

      5. Conflictenbeslechting: Regeling voor bevoegdheidsconflicten.

B. België: van unitaire staat naar federale staat

1) Het unitaire België
  • Franstalige unitaire staat (1831): Opgericht als Franstalige unitaire staat. Besluit van 16 november 1830 legde Frans op als enige officiële taal voor wetten en besluiten.

  • Streven naar culturele autonomie (Vlaamse kant):

    • Aanleiding: Terechtstelling van Vlamingen Coucke en Goethals na een Franstalig proces dat ze niet verstonden.

    • Evolutie: Gebruik van Nederlands geregeld in strafzaken (1873), bestuurszaken (1878), onderwijs (1883). In 1898 wordt Nederlands officiële taal op gelijke voet met Frans.

    • Resultaat (1962): Vastlegging van vier taalgebieden bij wet: Nederlands, Frans, Duits taalgebied en tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel (bestuurstaal = taal van het gebied).

  • Streven naar economische autonomie (Franstalige kant):

    • Aanleiding: Algemene staking (1960) tegen de Eenheidswet (besparingen en belastingverhogingen). Staking doofde uit, wat aan Franstalige kant werd geweten aan het reactionaire optreden van Vlaanderen.

    • Resultaat: André Renard richtte de Mouvement Populaire Wallon op voor anti-kapitalistische hervormingen en federale herinrichting met meer sociaal-economische beslissingsmacht voor Wallonië.

2) Zes staatshervormingen
  • 1970: Eerste staatshervorming (Grendelgrondwet)

    • Doel: Oplossingen voor problemen, nog geen federalisme.

    • Instrumenten:

      • Grendels ter bescherming van de Franse minderheid tegen een Vlaamse meerderheid:

        • Bijzondere meerderheidswet voor communautair belangrijke aangelegenheden.

        • Communautaire alarmbelprocedure.

        • Pariteit in de Ministerraad (Nederlandstaligen en Franstaligen, eerste minister uitgezonderd).

      • Cultuurgemeenschappen: Beperkte autonomie in taal, onderwijs en cultuur. Oprichting van Franse en Nederlandse Cultuurgemeenschap (voorlopers van huidige gemeenschappen). Zij krijgen wetgevende bevoegdheid via decreten. Hun organen (cultuurraden) bestaan uit nationale parlementsleden van de respectieve taalgroep. Geen eigen regering; uitvoering door nationale ministers van Cultuur.

      • Duitse Cultuurgemeenschap: Opgericht met een eigen verkozen raad.

      • Gewestraden: Principe van gewestbevoegdheden in sociaaleconomische aangelegenheden opgenomen in Grondwet. Voorlopige gewestraden geïnstalleerd in 1974.

  • 1980: Tweede staatshervorming

    • Gemeenschappen: Cultuurgemeenschappen worden gemeenschappen (Vlaamse, Franse, Duitse). Zij krijgen bijkomende bevoegdheden in persoonsgebonden aangelegenheden.

    • Gewesten: Oprichting van Vlaamse en Waalse Gewestraad met eigen wetgevende bevoegdheden in plaatsgebonden aangelegenheden.

    • Instellingen: Gemeenschappen en Gewesten krijgen eigen regering en parlement. Parlementsleden zijn nationaal verkozen parlementsleden uit de overeenstemmende taalgroep (dubbelmandaat).

    • Conflicten: Procedure ter voorkoming van belangenconflicten uitgebreid. Oprichting van Arbitragehof (nu Grondwettelijk Hof) voor bevoegdheidsconflicten.

  • 1988-1989: Derde staatshervorming

    • Onderwijs: Gemeenschappen verwerven de gehele bevoegdheid inzake onderwijs (enkele uitzonderingen federaal).

    • Arbitragehof: Uitbreiding bevoegdheid om wetten en decreten te toetsen aan artikelen 10 (gelijkheidsbeginsel), 11 (discriminatieverbod) en 24 (vrijheid van onderwijs) Gw.

    • Brussels Hoofdstedelijk Gewest: Inrichting geregeld met bescherming voor Nederlandstaligen (pariteit in regering, alarmbelprocedure). Samenwerkingsakkoorden erkend.

  • 1993: Vierde staatshervorming (Sint-Michielsakkoord)

    • Federale Staat: België wordt formeel in de Grondwet een federale Staat.

    • Senaat: Samenstelling gewijzigd naar een vertegenwoordigingskamer van de gemeenschappen.

    • Bevoegdheden: Uitbreiding bevoegdheden gemeenschappen en gewesten. Zij krijgen rol in internationaal forum (verdragssluitingsbevoegdheid, exportpromotie).

    • Verkozen raden: Raden van gemeenschappen en gewesten worden voortaan rechtstreeks verkozen.

    • Constitutieve autonomie: Gemeenschappen en gewesten krijgen een beperkte constitutieve autonomie.

  • 2001-2003: Vijfde staatshervorming (Lambermont- en Lombard-akkoorden)

    • Wijze: Enkel via herziening van bijzondere wetten, geen grondwetswijziging.

    • Bevoegdheden gewesten: Uitbreiding met buitenlandse handel, landbouw en administratief toezicht op ondergeschikte besturen.

    • Financiering: Herziening financieringsregeling gemeenschappen; gewesten krijgen bijkomende fiscale bevoegdheden.

    • Grondwettelijk Hof: Uitbreiding bevoegdheid Arbitragehof tot alle rechten en vrijheden in Titel II Grondwet. Wordt een volwaardig grondwettelijk hof.

  • 2011-2012: Zesde staatshervorming (Vlinderakkoord)

    • Brussel: Splitsing van gerechtelijk arrondissement en kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Beperkte hervorming Brusselse instellingen.

    • Financiering: Financieringswet regelt financieringsmechanismen, fiscale autonomie van gewesten en financiering van Brusselse instellingen.

C. Een duaal federalisme

1) De federale Staat
  • Expliciete bevoegdheden: Federale overheid beschikt over expliciet toegekende federale bevoegdheden (wetgevende en uitvoerende macht).

  • Residuaire bevoegdheden: Federale overheid is ook bevoegd voor aangelegenheden die niet uitdrukkelijk aan een ander beleidsniveau zijn opgedragen.

  • Rechterlijke macht: Federaal geregeld.

2) De gemeenschappen
  • Vier taalgebieden (art. 4 Gw.): Nederlands, Frans, Duits taalgebied en tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

  • Drie gemeenschappen (art. 2 Gw.):

    • Vlaamse Gemeenschap (la Communauté flamande)

    • Franse Gemeenschap (la Communauté française; sinds 2011: la Fédération Wallonie-Bruxelles)

    • Duitse Gemeenschap (la Communauté germanophone; sinds 2017: Ostbelgien)

  • Bevoegdheden ratione materiae (materiële bevoegdheid):

    • Grondwettelijk verankerd: Taal, cultuur, onderwijs en persoonsgebonden aangelegenheden.

      • Art. 127 Gw.: Onderwijs en culturele aangelegenheden (nader bepaald bij bijzondere wet).

      • Art. 129 Gw.: Taalgebruik in bestuurszaken, onderwijs, sociale betrekkingen, wettelijke akten en bescheiden van ondernemingen.

      • Art. 128, §1 Gw.: Persoonsgebonden aangelegenheden (nader bepaald bij bijzondere wet).

    • Duitse Gemeenschap: Oefent dezelfde bevoegdheden uit (art. 130, §1 Gw.), nader bepaald in de wet van 1 december 1983.

  • Bevoegdheid ratione loci (territoriale bevoegdheid):

    • Territoriaal: Decreten van elke gemeenschap hebben kracht van wet in hun respectieve taalgebied (art. 127, §2 Gw.; art. 128, §2 Gw.).

    • Brussel-Hoofdstad (tweetalig gebied): Zowel Vlaamse als Franse Gemeenschap actief. Toepasselijke decreetgeving hangt af van het criterium:

      • Culturele, onderwijs- en persoonsgebonden aangelegenheden:

        • Unicommunautaire instellingen: Respectieve gemeenschappen bevoegd.

          • Criterium onderwijs/cultuur: Activiteiten van de instelling.

          • Criterium persoonsgebonden: Organisatie van de instelling.

        • Bicommunautaire instellingen: Federale overheid bevoegd voor culturele en onderwijsaangelegenheden (residuaire bevoegdheid). Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) bevoegd voor persoonsgebonden aangelegenheden.

      • Delegatie aan Franse Gemeenschapscommissie (COCOF): Franstalige Gemeenschap heeft sinds 1994 haar wetgevende en uitvoerende bevoegdheden in Brussel (unicommunautaire Franstalige instellingen) deels overgedragen aan de COCOF.

      • Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC): Treedt op als inrichtende macht voor overheidsinstellingen in onderwijs, cultuur en persoonsgebonden aangelegenheden.

  • Wetgevende en uitvoerende macht: Elke gemeenschap heeft een parlement (oorspronkelijk "raad") en een regering (oorspronkelijk "executieve").

3) De gewesten
  • Drie gewesten (art. 3 Gw.):

    • Vlaamse Gewest (la Région flamande)

    • Waals Gewest (la Région wallonne)

    • Brussels Hoofdstedelijk Gewest (la Région de Bruxelles-Capitale)

  • Bevoegdheden ratione materiae (art. 134 Gw.): Bijzondere wetgever legt gewestbevoegdheden vast.

    • Vlaamse en Waalse Gewest: Geregeld in artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.

    • Brussels Gewest: Geregeld in de bijzondere wet van 12 januari 1989.

    • Gemeenschappelijk kenmerk: Territoriaal gebonden bevoegdheden die een sociaaleconomisch beleid mogelijk maken (ruimtelijke ordening, huisvesting, tewerkstelling, leefmilieu, economie, energie, openbare werken, enz.).

    • Brussels Gewest (specifiek): Beperkte bevoegdheid in culturele aangelegenheden (sportinfrastructuur, beroepsopleidingen, biculturele aangelegenheden van gewestelijk belang).

    • Waals Gewest (specifiek): Franse Gemeenschap heeft sommige bevoegdheden overgeheveld (bv. integratiebeleid nieuwkomers).

  • Bevoegdheid ratione loci:

    • Grondgebied: Gewesten oefenen bevoegdheden uit binnen hun territorium.

    • Duitstalige Gemeenschap: Grondgebied behoort tot het Waalse Gewest. Het Waalse Gewest heeft een deel van zijn bevoegdheden overgedragen aan de Duitstalige Gemeenschap (art. 139 Gw.).

4) Overzicht van de wetgevende en uitvoerende macht
  • Vlaanderen (institutionele fusie - art. 137 Gw.): Eén Vlaams Parlement en één Vlaamse Regering oefenen zowel gemeenschaps- als gewestbevoegdheden uit.

    • Nuance: In gemeenschapsaangelegenheden: ook bevoegd voor unicommunautaire Nederlandse instellingen in Brussel.

    • Nuance: In gewestaangelegenheden: Vlaamse wetgeving geen toepassing op grondgebied Brussels Gewest.

  • Franse Gemeenschap (herschikking - art. 138 Gw.): Deel van bevoegdheden overgeheveld naar Waals Gewest (bv. integratiebeleid nieuwkomers) en naar COCOF in Brussel.

  • Duitse Gemeenschap (art. 139 Gw.): Waals Gewest heeft deel van zijn bevoegdheden overgedragen aan de Duitstalige Gemeenschap.

  • Tabel 6: Federale Staat, Gemeenschappen, Gewesten (zie onderstaande tabel)

Tabel 6: Federale Staat, Gemeenschappen, Gewesten

Niveau

Macht

Instelling

Norm

Federaal

Wetgevende macht

• Kamer van Volksvertegenwoordigers
• Senaat (voor wetten art. 77 en 78 Gw.)
• Koning

Wet

Uitvoerende macht

• Koning
• Ministers

Besluit

Vlaamse Gemeenschap & Gewest

Wetgevende macht

Vlaams Parlement

Decreet

Uitvoerende macht

Vlaamse Regering

Besluit

Franse Gemeenschap

Wetgevende macht

Parlement van de Franse Gemeenschap

Decreet

Uitvoerende macht

Regering van de Franse Gemeenschap

Besluit

Waals Gewest

Wetgevende macht

Waals Parlement

Decreet

Uitvoerende macht

Waalse Regering

Besluit

Duitse Gemeenschap

Wetgevende macht

Parlement van de Duitstalige Gemeenschap

Decreet

Uitvoerende macht

Regering van de Duitstalige Gemeenschap

Besluit

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Wetgevende macht

Brussels Parlement

Ordonnantie

Uitvoerende macht

Brusselse Hoofdstedelijke Regering

Besluit

Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie

Wetgevende macht

Verenigde Vergadering

Ordonnantie

Uitvoerende macht

Verenigd College

Besluit


13.1.7. EEN SOCIALE WELVAARTSSTAAT EN DUURZAME STAAT

  • Sociale verzorgingsstaat:

    • Art. 23 Gw.: Erkent het recht van eenieder op een menswaardig leven. Legt wetgevers de verplichting op om economische, sociale en culturele rechten te bepalen. Overheden zijn verplicht een systeem van sociale zekerheid uit te bouwen.

    • Stand still-beginsel: Verbod voor wetgever om de bestaande bescherming in aanzienlijke mate te verminderen zonder redenen van algemeen belang.

  • Duurzame staat:

    • Art. 7bis Gw. (ingevoegd 2007, aangevuld 2024): Federale Staat, gemeenschappen en gewesten streven bij uitoefening van hun bevoegdheden naar duurzame ontwikkeling in sociale, economische en milieugebonden aspecten, met solidariteit tussen generaties. Sinds 2024: ook streven naar bescherming van en zorg voor dieren als wezens met gevoel.

    • Reikwijdte: Dit artikel is gericht tot de overheid en schept geen subjectieve rechten voor burgers. Overheden mogen geen beslissingen nemen zonder afweging van duurzaamheidsaspecten.


13.2. DE FEDERALE STAAT

13.2.1. HET FEDERALE PARLEMENT

A. Samenstelling
1) De Kamer van Volksvertegenwoordigers
  • Tweekamerstelsel: Kamer en Senaat vormen samen met de koning de wetgevende macht.

  • Legislatuur en zittingen: 150 rechtstreeks verkozen leden. Zittingsperiode (legislatuur) van principe 5 jaar. Onderverdeeld in zittingen (start: tweede dinsdag van oktober).

  • Evenredigheidsstelsel: Verkiezingen via evenredigheidsstelsel binnen provinciale kieskringen. Zetelverdeling per provincie naar bevolkingsaantal (bv. Antwerpen 24, Luxemburg 4). Geen landelijke kieskring. Verdeling volgens stelsel D'Hondt.

  • Taalgroepen: Verdeling op basis van kieskring. Verkozenen uit Brussel-Hoofdstad kunnen kiezen. Na verkiezingen mei 2024: 90 Nederlandstalige en 60 Franstalige leden.

  • Politiek belangrijkste kamer: Regering heeft vertrouwen nodig van de Kamer.

  • Legislatuurparlement: Kamer zetelt principe volledige 5 jaar.

    • Vervroegde ontbinding:

      • Van rechtswege: Na goedkeuring verklaring tot herziening Grondwet (verkiezingen binnen 40 dagen).

      • Door koning (art. 46 Gw.): Wanneer Kamer vertrouwen opzegt (motie van wantrouwen) en geen opvolger voor eerste minister voorstelt; of wanneer regering ontslag indient en Kamer instemt met ontbinding.

    • Scenario's bij conflict regering-Kamer:
      a. Constructieve motie van wantrouwen (art. 96 Gw.): Kamer zegt vertrouwen op en draagt opvolger voor eerste minister voor → nieuwe regering.
      b. Vertrouwen verworpen: Kamer verwerpt vertrouwensmotie en draagt binnen 3 dagen opvolger voor → nieuwe regering.
      c. Geen opvolger: Kamer zegt vertrouwen op zonder opvolger voor te dragen → koning kan Kamer ontbinden.
      d. Ontslag regering: Regering dient ontslag in en Kamer stemt in met ontbinding.

2) De Senaat
  • Kamer van de deelstaten: 60 leden.

  • Samenstelling (art. 67 Gw.):

    • 50 deelstaatsenatoren:

      • 29 leden van het Vlaams Parlement

      • 10 leden van het Parlement van de Franse Gemeenschap

      • 8 leden van het Waals Parlement

      • 2 leden van de Franse taalgroep van het Brussels Parlement

      • 1 lid van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap

    • 10 gecoöpteerde senatoren: verkozen door de taalgroep in de Senaat (6 Nederlandstalig, 4 Franstalig).

  • Toekomst: In juni 2025 akkoord om Senaat af te schaffen einde legislatuur 2029. Vereist grondwetswijziging (instemming oppositie). Functies (betrokkenheid deelstaten bij federale wetgeving, voordracht rechters, belangenconflicten) moeten worden overgenomen.

B. Bevoegdheden
1) Wetgevende functie
  • Hervorming bicameralisme (1993 en 2013): Taakverdeling tussen Kamer en Senaat.

  • Drie federale wetgevingsprocedures:

    • Monocamerale procedure (art. 74 Gw.): Kamer alleen bevoegd (gemeenrechtelijke procedure).

    • Verplicht bicamerale procedure (art. 77 Gw.): Kamer en Senaat op voet van gelijkheid.

    • Optioneel bicamerale procedure (art. 78 Gw.): Kamer eerste wetgever, Senaat kan evoceren.

b) De monocamerale wetgevingsprocedure
  • (1) Initiatief:

    • Wetsontwerp (projet de loi): Initiatief van de koning. Ingediend bij koninklijk besluit, vergezeld van memorie van toelichting.

    • Wetsvoorstel (proposition de loi): Initiatief van één of meerdere Kamerleden. Moet "in overweging" worden genomen (meerderheid bereid te behandelen).

  • (2) Advies van de Raad van State (afdeling Wetgeving):

    • Verplicht voor wetsontwerpen: Uitzonderingen: begrotingen, rekeningen, leningen, domeinverrichtingen, legercontingent. Hoogdringendheid: advies beperkt tot bevoegdheid en bicamerale/monocamerale procedure. Spoedadvies mogelijk (5 dagen of maand).

    • Mogelijkheid voor wetsvoorstellen: Op vraag van minister, voorzitter Kamer, 1/3 van leden, helft van een taalgroep, of 12 leden Parlementaire Overlegcommissie.

    • Advies: Juridisch, niet-bindend (wettigheid, inpasbaarheid, leesbaarheid, beginselen behoorlijke regelgeving, legislatieve technieken).

    • Bevoegdheidsconflict: Indien Raad van State oordeelt dat voorontwerp/voorstel buiten federale bevoegdheid valt → procedure opgeschort → doorgezonden naar Overlegcomité (paritair samengesteld: ministerraad + regeringen gemeenschappen/gewesten). Comité heeft 40 dagen om bij consensus advies te geven. Indien bevoegdheidsoverschrijding: verzoek om verbetering of amendementen. Geen consensus → procedure gaat verder.

    • Bekendmaking: Adviezen gepubliceerd in Parlementaire Stukken en sinds 2017 op website Raad van State.

  • (3) Behandeling in de bevoegde commissie:

    • Commissies: Gespecialiseerd in bepaalde aangelegenheden (grondwetsherziening, justitie, enz.).

    • Procedure: Onderzoek, amendering, verslag, stemming. Tweede lezing mogelijk op verzoek van één lid of 1/3 van commissieleden.

  • (4) Behandeling in plenaire vergadering:

    • Procedure: Algemene bespreking → behandeling en stemming per artikel → stemming over geheel.

    • Meerderheid: Gewone meerderheid. Vereisten: meerderheid leden aanwezig (1/2 + 1); meerderheid van uitgebrachte stemmen (1/2 + 1). Onthoudingen tellen niet mee.

    • Communautaire alarmbel (art. 54 Gw.): 3/4 van leden van een taalgroep kunnen alarmbel luiden wanneer wetsontwerp/voorstel betrekkingen tussen gemeenschappen ernstig in gedrang brengt. Procedure opgeschort; motie verwezen naar paritair samengestelde ministerraad (evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers, eerste minister uitgezonderd). Ministerraad geeft binnen 30 dagen gemotiveerd advies. Kamer spreekt zich uit over advies of geamendeerd ontwerp. Heeft voornamelijk preventieve werking.

    • Tweede lezing (art. 76, derde lid Gw.): Mogelijk op verzoek van voorzitter Kamer of 1/3 van leden voor stemming over geheel. Amendementen mogelijk op in eerste lezing aangenomen artikelen. Eventueel derde lezing mogelijk.

  • (6) Bekrachtiging, afkondiging en bekendmaking:

    • Bekrachtiging (ratificatie): Koning (als tak van wetgevende macht) betuigt instemming. Wet bestaat na bekrachtiging. Koning bezit geen vetorecht.

      • Constitutionele crisis 1990: Koning Boudewijn weigerde abortuswet te ondertekenen wegens gewetensbezwaren. Uitweg: morele onmogelijkheid gelijkgesteld met onmogelijkheid te regeren (art. 93 Gw.). Ministerraad nam grondwettelijke macht van koning over (analogie art. 90, tweede lid Gw.), bekrachtigde wet, kondigde af en publiceerde. Daarna werd vastgesteld dat koning niet langer in de onmogelijkheid verkeerde. Aangenomen dat dit niet voor herhaling vatbaar is.

    • Afkondiging (promulgatie): Koning (als hoofd uitvoerende macht) stelt definitief vast dat wet regelmatig tot stand is gekomen. Maakt wet uitvoerbaar (executoire). Rechter (zelfs Grondwettelijk Hof) onderzoekt niet of reglementen van wetgevende kamers in acht zijn genomen.

    • Bekendmaking (publicatie): Nodig opdat wet verbindend is (art. 190 Gw.). Na bekendmaking is wet tegenstelbaar (opposable). Minister van Justitie (zegelbewaarder) belast met bekendmaking in Belgisch Staatsblad.

    • Data:

      • Bekrachtiging: Wet bestaat.

      • Afkondiging: Wet is uitvoerbaar (datum in titel wet).

      • Bekendmaking: Wet is tegenstelbaar.

      • Inwerkingtreding: Rechten en plichten treden in werking. Tenzij anders bepaald: tiende dag na publicatie.

c) De verplicht bicamerale wetgevingsprocedure
  • Aangelegenheden (art. 77 Gw.): Kamer en Senaat op voet van gelijkheid.

    1. Verklaring tot herziening van de Grondwet, herziening en coördinatie Grondwet.

    2. Aangelegenheden die krachtens Grondwet door beide kamers dienen te worden geregeld (bv. monarchie).

    3. Wetten aan te nemen met meerderheid bepaald in art. 4, laatste lid.

    4. Wetten met betrekking tot instellingen Duitstalige Gemeenschap en financiering ervan.

    5. Wetten met betrekking tot financiering politieke partijen en controle verkiezingsuitgaven.

    6. Wetten met betrekking tot organisatie van de Senaat en statuut van senator.

  • Procedure: Initiatief in beide kamers mogelijk (art. 75, eerste lid Gw.). Goedgekeurd ontwerp/voorstel wordt overgemaakt aan andere kamer. Daar wordt procedure overgedaan. Bij amendementen: over-en-weer-gaan totdat beide kamers zelfde tekst hebben aangenomen.

d) De optioneel bicamerale wetgevingsprocedure
  • Aangelegenheden (art. 78 Gw.): Kamer bevoegd, Senaat kan evoceren.

    • Wetten ter uitvoering van wetten met meerderheid art. 4, laatste lid.

    • Wetten bedoeld in opgesomde artikelen Grondwet (o.a. 5, 39, 115, 117, 118, 121, 123, 127-129, 131, 135-137, 141-143, 163, 165, 166, 167, 169, 170, 175, 177).

    • Wetten aangenomen overeenkomstig art. 169 (naleving internationale verplichtingen).

    • Wetten op Raad van State en federale administratieve rechtscolleges.

  • Procedure: Initiatief bij Kamer (art. 75, tweede lid Gw.). Senaat kan evoceren op verzoek van meerderheid van leden met minstens 1/3 van elke taalgroep, binnen 15 dagen na ontvangst ontwerp. Senaat heeft 30 dagen om te beslissen:

    • Geen amendering: ontwerp naar koning.

    • Amendering: ontwerp terug naar Kamer, die definitieve beslissing neemt (laatste woord). Parlementaire Overlegcommissie (paritair Kamer-Senaat) regelt bevoegdheidsconflicten en kan termijn verlengen (art. 82 Gw.).

2) Parlementair onderzoek
  • Onderzoeksrecht (art. 56 Gw.): Kamer kan diepgaand onderzoek verrichten naar specifieke kwesties van openbaar belang.

  • Parlementaire onderzoekscommissie: Opgericht bij meerderheidsbesluit. Bevoegdheid: getuigen oproepen, documenten opvragen, deskundigen horen.

13.2.2. DE KONING EN DE FEDERALE REGERING

A. Samenstelling
  • Ministers:

    • Benoeming en ontslag: door koning (art. 96 Gw.).

    • Voorwaarden: Alleen Belgen (art. 97 Gw.); leden koninklijke familie uitgesloten (art. 98 Gw.).

    • Ministerraad: Maximaal 15 leden. Taalpariteit (art. 99 Gw.): eerste minister eventueel uitgezonderd, evenveel Nederlandstalige als Franstalige ministers.

    • Verhouding met parlement: Ministers kunnen niet tegelijk lid zijn van wetgevende vergadering (worden vervangen door opvolger). Ministers hebben zitting (zonder stemrecht) in beide kamers; woord moet worden verleend. Kamers kunnen aanwezigheid vorderen.

  • Staatssecretarissen (art. 104 Gw.):

    • Benoemd en ontslagen door koning. Lid van federale regering met eigen beleidsterrein.

    • Geen deel van ministerraad, dus geen taalpariteit. Toegevoegd aan minister. Koning bepaalt bevoegdheid en grenzen van medeondertekening.

    • Overige grondwettelijke bepalingen voor ministers van toepassing.

B. Bevoegdheden
  • Toegewezen bevoegdheid (art. 105 Gw.): Koning heeft geen andere macht dan die welke Grondwet en bijzondere wetten hem uitdrukkelijk toekennen.

  • Uitvoering van wetten (art. 108 Gw.): Koning voert wetten uit.

    • Koninklijk besluit: Kan bijkomende normen (wetten in materiële zin) uitvaardigen nodig voor toepassing.

    • Grenzen: Mag draagwijdte van wet niet uitbreiden, noch beperken (Hof van Cassatie).

  • Attributie van normatieve bevoegdheid: Wetgever kan aan koning normatieve bevoegdheid toekennen via:

    • Kaderwetten (loi-cadre)

    • Opdrachtwetten (loi d'habilitation ordinaire)

    • Bijzondere machtenwetten / volmachtwetten (loi de pouvoirs spéciaux)

C. Reglementaire koninklijke besluiten
  • Adviesverplichting (art. 3, §1 RvS-Wet): Alle voorontwerpen aan Raad van State ter advies, behoudens "met bijzondere redenen omklede hoogdringendheid".

  • Overleg en ondertekening:

    • Medeondertekening (art. 106 Gw.): Minister tekent mee en draagt politieke verantwoordelijkheid.

    • Overleg in ministerraad: Vereist voor gewichtige aangelegenheden.

  • Bekendmaking: Verbindend tiende dag na bekendmaking in Belgisch Staatsblad, tenzij anders bepaald. Besluiten met individuele werking verbindend vanaf kennisgeving of bekendmaking.

13.2.3. DE RECHTSPREKENDE FUNCTIE

A. De Hoge Raad voor de Justitie
  • Samenstelling: 44 leden. Nederlandstalig College en Franstalig College van elk 22 leden. Elk college: 11 magistraten (verkozen door gelijken) en 11 niet-magistraten (benoemd door Senaat met 2/3 meerderheid). Elk college heeft:

    • Benoemings- en aanwijzingscommissie (BAC)

    • Advies- en onderzoekscommissie (AOC)

  • Bevoegdheid BAC:

    • Voordracht kandidaten benoeming rechter of lid openbaar ministerie.

    • Voordracht kandidaten aanwijzing korpschef.

    • Toegang tot ambt rechter of ambtenaar openbaar ministerie.

    • Vorming rechters en ambtenaren openbaar ministerie.

  • Bevoegdheid AOC:

    • Adviezen en voorstellen over werking en organisatie rechterlijke orde.

    • Algemeen toezicht en bevordering interne controlemiddelen.

    • Ontvangen en opvolgen klachten over werking rechterlijke orde (geen tuchtrechtelijke of strafrechtelijke bevoegdheid).

    • Instellen onderzoek naar werking rechterlijke orde.

B. De rechterlijke macht
1) De zittende en de staande magistratuur
  • Zittende magistratuur: Rechters (rechtbanken) en raadsheren (hoven). Behoren tot rechterlijke macht.

  • Staande magistratuur: Magistraten van het parket (procureurs, arbeidsauditeurs, procureurs-generaal, advocaten-generaal, substituten). Behoren tot rechterlijke orde, niet tot rechterlijke macht. Benoemd en ontslagen door koning (art. 153 Gw.).

    • Taken (strafzaken): Opsporing, vervolging, vordering van straf, tenuitvoerlegging veroordeling.

    • Gezag: Staan onder gezag van minister van Justitie (politiek verantwoordelijk). Minister heeft positief injunctierecht: kan vervolging bevelen, maar kan niet beletten strafonderzoek verder te zetten (art. 151, §1 Gw.). Openbaar ministerie is onafhankelijk in individuele opsporingen en vervolging.

    • Taken (andere zaken): Adviezen aan hoven en rechtbanken wanneer wezenlijke belangen van maatschappij in geding.

2) Het vredegerecht
  • Organisatie: 162 gerechtelijke kantons (gemiddeld 70.000 inwoners). Per kanton 1 of 2 vrederechters. Bijgestaan door griffier. Geen openbaar ministerie.

  • Materiële bevoegdheid:

    • Vorderingen tot 5000 euro (art. 590 Ger.W.), behalve die aan zijn rechtsmacht onttrokken.

    • Tot 2000 euro: in laatste aanleg (geen hoger beroep) (art. 617 Ger.W.).

    • Ongeacht bedrag: uitdrukkelijk opgesomde aangelegenheden (art. 591 Ger.W.): huurgeschillen, pachtgeschillen, enz.

  • Hoger beroep: Bij rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement.

3) De politierechtbank
  • Organisatie: 15 politierechtbanken (één per gerechtelijk arrondissement, maar twee in Brussel en drie in Vlaams-Brabant). Politierechter bijgestaan door griffier. Procureur des Konings (of substituut) als openbaar ministerie.

  • Materiële bevoegdheid (Strafwetboek 1867):

    • Overtredingen: politiestraf (gevangenis 1-7 dagen, werkstraf 20-45 uur, geldboete 1-25 euro).

    • Wanbedrijven: correctionele straf (gevangenis 8 dagen-5 jaar, werkstraf 46-300 uur, geldboete minstens 26 euro).

    • Misdaden: criminele straf (opsluiting/hechtenis minstens 5 jaar, geldboete minstens 26 euro).

    • Opdecimes: verhoging geldboeten i.v.m. muntontwaarding. Thans 70 decimes = vermenigvuldiging met 8.

  • Bevoegdheid politierechter:

    • Overtredingen en gecontraventionaliseerde wanbedrijven (wanbedrijven waarvan straf wegens verzachtende omstandigheden tot politiestraf wordt verminderd).

    • Verkeerszaken: alle verkeersinbreuken, doodslag en slagen en verwondingen in verkeersongeval, ontbreken verzekering. Ook vordering tot schadevergoeding uit verkeersongeval, ongeacht bedrag (art. 601bis Ger.W.).

    • Bijzondere strafwetten (boswetboek, veldwetboek, dronkenschap, GAS-boetes).

  • Nieuw Strafwetboek (inwerkingtreding 9 april 2026):

    • Geen driedeling meer. Misdrijven (overkoepelende term) ingedeeld in acht strafniveaus (niveau 1: geen gevangenisstraf; niveau 8: zwaarste).

  • Hoger beroep: Bij correctionele rechtbank van het arrondissement.

4) De rechtbank van eerste aanleg
  • Organisatie: 13 rechtbanken voor 12 arrondissementen. Brussel heeft twee (Nederlandstalig en Franstalig). Bestaan uit vier secties:

    • Burgerlijke rechtbank

    • Correctionele rechtbank

    • Familie- en jeugdrechtbank

    • Strafuitvoeringsrechtbank

  • Magistraten: Voorzitter, afdelingsvoorzitters, rechters. Openbaar ministerie: procureur des Konings met substituten.

  • Hoger beroep: Bij hof van beroep.

b) De burgerlijke rechtbank

  • Residuaire bevoegdheid (art. 568 Ger.W.): Oordeelt over alle burgerlijke zaken die niet aan andere rechter zijn toegewezen.

  • Bevoegdheid:

    • Vorderingen boven 5000 euro.

    • Specifiek toegewezen vorderingen (art. 569 e.v. Ger.W.): tenuitvoerlegging uitspraken, nationaliteit, belastingwetten.

    • Hoger beroep tegen vonnissen vrederechter (boven 2000 euro) en politierechtbank (boven 2000 euro, behalve verkeerszaken).

  • Beperkt hoger beroep: Geschillen tot 2500 euro: uitspraak in laatste aanleg (art. 617 Ger.W.).

c) De familie- en jeugdrechtbank

  • Samenstelling: Familiekamer + kamer voor minnelijke schikking + jeugdkamer.

  • Familiekamer: Geschillen binnen gezin (staat van personen, echtscheiding, ouderlijk gezag, verblijfsregeling, onderhoudsverplichtingen, huwelijksvermogensrecht, erfopvolging, enz.).

  • Kamer voor minnelijke schikking: Bemiddeling in familiale geschillen.

  • Jeugdrechtbank:

    • Minderjarige die feiten pleegt (MOF): Maatregelen van bewaring, behoeding en opvoeding (berisping, ondertoezichtstelling, alternatieve bestraffing, plaatsing). Vanaf 14 jaar en bij ernstige misdrijven: max. 2 weken in gevangenis zonder contact met andere gevangenen. Uit handen geven mogelijk voor 16+ bij verkeersmisdrijven of wanneer maatregelen niet geschikt.

    • Problematische opvoedingssituatie (POS) / verontrustende opvoedingssituatie (VOS): bescherming minderjarigen.

d) De correctionele rechtbank

  • Bevoegdheid:

    • Hoger beroep tegen politierechtbank.

    • Bestraffen wanbedrijven.

    • Bestraffen gecorrectionaliseerde misdaden (art. 25 oud Sw.; wet 4 oktober 1867).

      • Correctionalisering: misdaad wordt naar correctionele rechtbank verwezen wegens verzachtende omstandigheden of verschoning.

      • Verzachtende omstandigheden: redenen voor lagere veroordeling.

      • Verschoningsgronden: wettelijke redenen voor strafvermindering of -uitsluiting (bv. diefstal tussen familieleden).

  • Onderzoeksrechter: Oefent functies uit binnen correctionele rechtbank.

  • Raadkamer: Onderzoeksgerecht; toezicht op strafrechtelijk onderzoek en voorlopige hechtenis.

e) De strafuitvoeringsrechtbank

  • Organisatie: 6 strafuitvoeringsrechtbanken (één per rechtsgebied, twee in Brussel). Samenstelling: 1 beroepsrechter + 2 assessoren (penitentiair + sociale re-integratie). Openbaar ministerie: procureur des Konings.

  • Bevoegdheid: Beslissingen over uitvoering vrijheidsstraffen >3 jaar (beperkte detentie, elektronisch toezicht, voorwaardelijke invrijheidstelling), voorlopige invrijheidstelling met oog op verwijdering grondgebied en uitlevering.

  • Enkel cassatieberoep.

f) De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg

  • Kort geding (art. 584 Ger.W.): In spoedeisende gevallen voorlopige maatregelen nemen. Beschikking mag geen nadeel toebrengen aan zaak zelf; bindt bodemrechter niet. Uitvoerbaar bij voorraad.

  • Zoals in kort geding: Versnelde procedure ten gronde (bv. staking discriminatie).

5) De ondernemingsrechtbank
  • Organisatie: 9 ondernemingsrechtbanken (voorheen rechtbank van koophandel). Georganiseerd per rechtsgebied (5 hoven van beroep), met uitzonderingen (Brussel, Leuven, Nijvel, Eupen). Samenstelling: voorzitter, afdelingsvoorzitters, rechters (beroepsmagistraten) en rechters in ondernemingszaken (lekenrechters). Lekenrechters treden op als rechter-commissaris (faillissement) en gedelegeerd rechter (gerechtelijke reorganisatie).

  • Bevoegdheid (art. 573 Ger.W.):

    • Geschillen tussen ondernemingen (art. I.1, 1° WER: personen die op duurzame wijze economisch doel nastreven), betrekking hebbend op handeling in kader van dat doel, en niet onder bijzondere bevoegdheid andere rechtscolleges.

    • Vorderingen tegen ondernemingen (onder bepaalde voorwaarden).

  • Voorzitter: Kort geding en zoals in kort geding (bv. staking oneerlijke handelspraktijken).

  • Hoger beroep: Bij hof van beroep, tenzij bedrag < 2500 euro (laatste aanleg).

6) De arbeidsrechtbank
  • Organisatie: 9 arbeidsrechtbanken (georganiseerd per rechtsgebied). Samenstelling: voorzitter, afdelingsvoorzitters, rechters (beroepsmagistraten) en rechters in sociale zaken (lekenrechters) uit werknemers- en werkgeversorganisaties. Openbaar ministerie: arbeidsauditeur.

  • Bevoegdheid (art. 578 e.v. Ger.W.): Sociale geschillen, ongeacht bedrag (individuele arbeidsovereenkomsten, sociale zekerheid, sociale bijstand, verplichte verzekeringen, schuldbemiddeling, enz.).

  • Voorzitter: Kort geding en zoals in kort geding.

  • Hoger beroep: Bij arbeidshof (steeds mogelijk, ook <2500 euro) (art. 617, tweede lid Ger.W.).

7) De arrondissementsrechtbank
  • Samenstelling: Voorzitter rechtbank van eerste aanleg + voorzitter ondernemingsrechtbank + voorzitter arbeidsrechtbank.

  • Bevoegdheid: Beslechting van betwistingen over respectieve bevoegdheid van deze rechtscolleges; duidt bevoegde rechter aan (art. 639 Ger.W.).

8) Het hof van assisen
  • Organisatie: In hoofdplaats van elke provincie (behoudens Limburg: Tongeren) en in Brussel. Per zaak samengesteld: jury van 12 gezworenen + voorzitter (raadsheer hof van beroep) + 2 rechters rechtbank van eerste aanleg.

  • Bevoegdheid: Drukpersmisdrijven (behalve racisme/xenofobie), politieke misdrijven, criminele zaken (misdaden).

  • Enkel cassatieberoep.

9) Het hof van beroep
  • Organisatie: 5 hoven van beroep (Brussel, Gent, Antwerpen, Luik, Bergen) per rechtsgebied (art. 156 Gw.). Gespecialiseerde kamers: burgerlijke, correctionele, familie- en jeugdzaken, minnelijke schikking. Samenstelling: eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren. Openbaar ministerie: procureur-generaal met (eerste) advocaten-generaal.

  • Bevoegdheid:

    • Beroepsinstantie: tegen vonnissen rechtbanken van eerste aanleg en ondernemingsrechtbanken (niet laatste aanleg); tegen beschikkingen voorzitters in kort geding.

    • Strafrechter in eerste aanleg: personen met voorrang van rechtsmacht en ministers (art. 103 Gw.).

    • Onderzoeksgerecht: kamer van inbeschuldigingstelling (hoger beroep tegen raadkamer, doorverwijzing naar hof van assisen).

  • Enkel cassatieberoep.

10) Het arbeidshof
  • Organisatie: 5 arbeidshoven (Brussel, Gent, Antwerpen, Luik, Bergen). Samenstelling: eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren (beroepsrechters), raadsheren in sociale zaken (lekenrechters). Openbaar ministerie: arbeidsauditoraat-generaal.

  • Bevoegdheid: Hoger beroep tegen vonnissen arbeidsrechtbanken en beschikkingen voorzitter in kort geding.

  • Enkel cassatieberoep.

11) Het Hof van Cassatie
  • Organisatie: Gevestigd in Brussel. Samenstelling: eerste voorzitter, voorzitter, raadsheren. Openbaar ministerie: procureur-generaal met (eerste) advocaten-generaal. Bijgestaan door 5-30 referendarissen.

  • Bevoegdheid:

    • Cassatierechter: bewaart eenheid in rechtspraak; vernietigt vonnissen en arresten in laatste aanleg.

    • Specifieke bevoegdheden: beslechten attributieconflicten (art. 158 Gw.); bevoegdheden art. 609-615 Ger.W.; berechting ministers; beantwoording prejudiciële vragen over interpretatie mededingingswetgeving.

C. De administratieve of bestuurlijke rechtscolleges
  • Bestuurlijke rechtscolleges: Opgericht door federale wetgever, decreet- of ordonnantiegever voor beslechting geschillen over politieke subjectieve rechten.

D. Het Grondwettelijk Hof
  • Positie: Rechtscollege buiten de rechterlijke macht (art. 142 Gw.; bijzondere wet 6 januari 1989). Zetelt in Brussel.

  • Samenstelling: 12 rechters. Dubbele pariteit: evenveel Nederlandstalige als Franstalige rechters; evenveel rechters met politieke ervaring (5 jaar parlement) als met juridische bekwaamheid (5 jaar magistraat, referendaris, hoogleraar). Geen openbaar ministerie. Bijgestaan door referendarissen.

  • Bevoegdheid (beperkt): Toetsing aan:

    • Bevoegdheidsverdelende regels (Grondwet, bijzondere wetten).

    • Titel II Grondwet (art. 10, 11, enz.).

    • Art. 143, §1, 170, 172 en 191 Gw.

    • Geen rechtstreekse toetsing aan andere grondwetsbepalingen of internationaal recht. Schending kan worden "vertaald" naar schending art. 10/11 j° geschonden bepaling.

  • Wijze van aanhangig maken:

    • Beroep tot vernietiging (abstracte normcontrole)

    • Prejudiciële vraag (concrete normcontrole)

2) Abstracte normcontrole: het beroep tot vernietiging
  • Verzoekende partij: Elke belanghebbende, ministerraad, regeringen, voorzitters wetgevende vergaderingen (op verzoek 2/3 leden).

  • Termijn: Binnen 6 maanden na bekendmaking. Voor instemmingswetten met internationaal verdrag: 60 dagen.

  • Schorsing: Mogelijk tijdens procedure indien:

    1. Ernstige middelen + onmiddellijke toepassing veroorzaakt moeilijk te herstellen ernstig nadeel; of

    2. Norm identiek/gelijkaardig aan reeds vernietigde norm.

    • Vordering tot schorsing binnen 3 maanden na bekendmaking.

  • Gevolgen vernietiging: Norm verdwijnt uit rechtsorde. Hof kan rechtsgevolgen voor bepaalde periode in stand houden (rechtszekerheid).

3) Concrete normcontrole: de prejudiciële vraag
  • Verplichting: Elk rechtscollege in beginsel verplicht prejudiciële vraag te stellen over overeenstemming wetten, decreten, ordonnanties met toetsingsnormen.

  • Uitzonderingen verplichting (art. 26, §2 en 3 Bijz.Wet GwH):

    1. Zaak niet behandeld om redenen onbevoegdheid/niet-ontvankelijkheid (tenzij die redenen zelf onderwerp van prejudiciële vraag).

    2. Grondwettelijk Hof reeds uitspraak over identiek onderwerp.

    3. Beslissing vatbaar voor hoger beroep, verzet, cassatie, of beroep tot vernietiging Raad van State en rechter meent dat norm klaarblijkelijk niet schendt of antwoord niet onontbeerlijk is.

    4. Spoedeisend karakter + voorlopig karakter (kort geding, voorlopige hechtenis) tenzij ernstige twijfel over verenigbaarheid en geen vraag/beroep metzelfde onderwerp aanhangig.

  • Gevolg: Indien Hof strijdigheid vaststelt, mag rechter de norm niet toepassen. Bepaling blijft formeel bestaan. Uitspraak heropent termijn voor beroep tot vernietiging.

  • Samenloop met schending analoge verdragsbepaling (Smeerkaasarrest):

    • Rechter mag rechtstreeks toetsen aan internationaal recht, maar moet voor toetsing aan Grondwet prejudiciële vraag stellen.

    • Verplichting prejudiciële vraag bij samenloop, tenzij:

      1. Uitzonderingen art. 26, §2 en 3 Bijz.Wet GwH van toepassing.

      2. Rechter oordeelt dat bepaling Titel II klaarblijkelijk niet geschonden.

      3. Uit arrest internationaal rechtscollege blijkt dat bepaling internationaal recht klaarblijkelijk geschonden.

      4. Uit arrest Grondwettelijk Hof blijkt dat bepaling Titel II klaarblijkelijk geschonden.

E. De Raad van State
  • Positie: Rechtscollege buiten rechterlijke macht (afdeling Bestuursrechtspraak). Zetelt in Brussel.

  • Samenstelling (wet 23 december 1946): Eerste voorzitter, voorzitter, staatsraden, assessoren (afdeling wetgeving). Eigen auditoraat (auditeur-generaal) als openbaar ministerie.

  • Annulatierechter (objectief vernietigingscontentieux):

    • Bevoegdheid: Legaliteitstoezicht op "akten en reglementen van administratieve overheden".

    • Administratieve overheden: In beginsel alle organen van federaal, communautair, gewestelijk, provinciaal, gemeentelijk of functioneel gedecentraliseerd bestuur met eenzijdige beslissingsmacht, niet behorend tot wetgevende of rechterlijke macht.

    • Beroep tot nietigverklaring: Iedere belanghebbende binnen 60 dagen na bekendmaking.

    • Vernietigingsgronden: Machtsoverschrijding, machtsafwending, schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

    • Gevolgen vernietiging: Vernietigde bestuurshandeling verdwijnt uit rechtsorde (effect erga omnes).

  • Administratief kort geding:

    • Schorsing: In spoedeisendheid kan Raad tenuitvoerlegging schorsen. Voorwaarde: ernstig middel.

    • Uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN): Spoedprocedure.

    • Evenredigheidstoets: Raad houdt rekening met gevolgen schorsing voor alle belangen, inclusief openbaar belang; kan schorsing weigeren indien nadelige gevolgen onevenredig zwaarder wegen.

  • Bestuurlijke lus (art. 38 RvS-Wet): Procedure kan worden onderbroken; bestuur krijgt kans begane onwettigheid te herstellen (intrekking oorspronkelijk besluit + nieuwe herstelbeslissing). Indien herstel voldoende → vernietigingsberoep afgewezen.

  • Dwangsom: Kan worden toegekend om uitvoering arrest te bevorderen. Raad kan aangeven hoe overheid tot rechtsherstel moet komen.

  • Schadevergoeding tot herstel: Na vernietiging kan verzoeker Raad verzoeken om schadevergoeding toe te kennen (op basis van onwettige handeling = fout). Dan kan men zich niet meer tot gewone rechtbank wenden.

  • Geen prejudiciële vraagstelling aan Raad van State: Rechters toetsen zelf wettigheid van bestuurlijke akten op basis van art. 159 Gw. (exceptie van onwettigheid).

  • Cassatierechter: T.a.v. beslissingen van administratieve rechtscolleges, tenzij wetgever anders bepaald.


13.3. DE GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN

13.3.1. DE VLAAMSE GEMEENSCHAP

A. De wetgevende macht
  • Vlaams Parlement: 124 leden (6 uit Brussel-Hoofdstad). Deze 6 mogen uitsluitend stemmen in gemeenschapsmateries (geen gewestbevoegdheden in Brussel). Verkozen voor 5 jaar; geen vervroegde ontbinding.

  • Wetgevingsprocedure: Gelijkt met federale wet (decreet), maar geen bicameralisme.

    • Initiatief: Leden (voorstel) en regering (ontwerp).

    • Advies Raad van State: Analoge voorwaarden als federaal.

    • Bevoegdheidsconflict: Overlegcomité op analoge wijze toepasselijk.

    • Commissie en openbare vergadering: Behandeling in bevoegde commissie, daarna plenum.

    • Geen communautaire alarmbel (geen taalminderheid).

    • Ideologische alarmbel: Bescherming tegen discriminatie om ideologische/filosofische redenen.

      • Motie ondertekend door minstens 1/4 leden.

      • College van voorzitters (Kamer, Senaat, twee gemeenschapsparlementen) onderzoekt ontvankelijkheid.

      • Bij ontvankelijkheid: behandeling geschorst; ontwerp en motie verwezen naar federale wetgevende kamers.

      • Hervatting pas nadat beide kamers motie ongegrond hebben verklaard.

    • Bekrachtiging, afkondiging, bekendmaking: Na goedkeuring door parlement bekrachtigt regering, staat in voor afkondiging en bekendmaking in Belgisch Staatsblad.

B. De uitvoerende macht
  • Vlaamse Regering: Maximaal 11 ministers (inclusief minister-president). Benoemd door Vlaams Parlement. Minstens 1 minister met woonplaats in Brussels Hoofdstedelijk Gewest (verantwoordelijk voor Vlaamse Gemeenschapsaangelegenheden in Brussel).

  • Legislatuurregering: Blijft in functie voor 5 jaar (gelijklopend met parlement). Bij verlies vertrouwen: nieuwe meerderheid zoeken (geen vervroegde ontbinding).

13.3.2. DE BRUSSELSE INSTELLINGEN

  • Dubbele hoedanigheid:

    • Gewestaangelegenheden: Brussels Parlement en Brusselse Regering treden op als organen van Brussels Gewest.

    • Bi-persoonsgebonden aangelegenheden (in Brussel niet door Vlaamse/Franse Gemeenschap geregeld): treden op als organen van Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC). Parlementsleden: Verenigde Vergadering; regeringsleden: Verenigd College.

  • Bescherming van de Vlaamse minderheid:

    • Pariteit in Brusselse regering: Minister-president uitgezonderd, evenveel Franstalige als Nederlandstalige ministers.

    • Alarmbel in Brussels Parlement: 3/4 van een taalgroep kan alarmbel luiden indien ontwerp of voorstel van ordonnantie betrekkingen tussen gemeenschappen ernstig in gedrang brengt. Procedure opgeschort; motie verwezen naar (paritair samengestelde) Brusselse Regering. Regering geeft binnen 30 dagen gemotiveerd advies en kan amenderen. Parlement stemt over amendementen, dan over geheel. Kan slechts eenmaal per ontwerp/voorstel.

    • Meerderheidsvereiste in Verenigde Vergadering (GGC): Ordonnanties aangenomen met meerderheid in elke taalgroep. Indien niet gehaald: tweede stemming. Dan beslissing bij volstrekte meerderheid van Verenigde Vergadering + minstens 1/3 van stemmen in elke taalgroep.

  • Wetgevingsprocedure: Analoog aan andere gewestparlementen. Voorstellen en ontwerpen van ordonnantie in commissies en plenum. Na goedkeuring: bekrachtiging en afkondiging door Brusselse Regering (gewest) of Verenigd College (GGC). Bekendmaking in Belgisch Staatsblad.


13.4. DE INWONERS

13.4.1. BELGEN

  • Belgische nationaliteit (art. 8 Gw.): Verkregen, behouden en verloren volgens regels burgerlijke wet (Wetboek van Belgische Nationaliteit).

  • Verkrijging en verlies: Regels vastgelegd in Wetboek van Belgische Nationaliteit.

13.4.1. BELGEN (vervolg van p. 281)

  • Verkrijging van de Belgische nationaliteit (Wetboek van Belgische Nationaliteit):

    • Geboorte uit of adoptie door een Belgische ouder.

    • Nationaliteitsverklaring door personen die gedurende een bepaalde tijd voortdurend in België hebben verbleven.

    • Naturalisatie: handeling waarbij de Kamer van Volksvertegenwoordigers de Belgische nationaliteit toekent omwille van een bijzondere bijdrage aan België.

  • Verlies van de Belgische nationaliteit:

    • Verklaring van afstand.

    • Verlies door de ouders of door adoptie door buitenlandse ouders (bij minderjarig kind).

    • Gebrek aan een verklaring van behoud voor de leeftijd van 28 jaar door bepaalde in het buitenland geboren en verblijvende Belgen.

    • Vervallenverklaring door een rechter voor bepaalde categorieën Belgen, omwille van fraude bij nationaliteitsverklaring, ernstige tekortkoming aan de plichten van Belgisch burger, of veroordeling tot bepaalde ernstige misdrijven.

  • Stemrecht (art. 8, tweede lid Gw.): Belgen hebben stemrecht.

    • Unieburgers (art. 8, derde lid Gw.): Stemrecht voor verkiezingen Europees Parlement en lokale besturen (provincies, gemeenten, districten) na inschrijving op kiezerslijst. Ook verkiesbaar.

    • Onderdanen derde landen (art. 8, vierde lid Gw.): Kunnen stemrecht krijgen bij wet. Voorwaarden: 5 jaar ononderbroken wettig verblijf, inschrijving vreemdelingen- of bevolkingsregister, verklaring Grondwet, wetten en EVRM na te leven. Niet verkiesbaar.

13.4.2. NIET-BELGEN

A. Genot van rechten
  • Gelijk genot van rechten (art. 191 Gw.): Iedere vreemdeling op Belgisch grondgebied geniet bescherming verleend aan personen en goederen, behoudens uitzonderingen bij wet. Specifieke toepassing van algemeen gelijkheidsbeginsel (art. 10 en 11 Gw.).

  • Onderscheid tussen Belgen en niet-Belgen:

    • Wetgever kan bij wet uitzonderingen maken, maar moet gelijkheidsbeginsel eerbiedigen.

    • Gelijkheidsbeginsel: Gelijke gevallen gelijk, ongelijke gevallen ongelijk behandelen. Afwijking mogelijk mits objectieve en redelijke verantwoording (doel en gevolgen, principes democratische samenleving, evenredigheid).

    • Verdachte criteria: Nationaliteit, ras, geslacht (art. 11bis Gw.) zijn in beginsel geen verantwoorde onderscheidscriteria. EHRM onderwerpt onderscheid op basis van nationaliteit aan streng toezicht.

  • Onderscheid in de Grondwet:

    • Grondwet schrijft Belgische nationaliteit voor voor bepaalde rechten: politieke rechten (art. 8 Gw.), benoeming tot rechter.

    • Art. 191 Gw. staat wetgever toe onderscheid te maken, maar verantwoordingsplicht ligt zeer hoog.

  • Onderscheid onder niet-Belgen:

    • Vaak via andere criteria: legaal verblijf, hoedanigheid van Unieburger.

    • Unieburgers genieten beter statuut (verblijfsrecht, toegang arbeidsmarkt, sociale rechten) dan derdelanders.

    • Onderscheid tussen categorieën niet-Belgen moet voldoen aan art. 10 en 11 Gw. (art. 191 Gw. niet van toepassing).

B. Verblijfsrecht
1) Verblijf en de juridische staat van niet-Belgen
  • Verblijfswetgeving (Vreemdelingenwet 15 december 1980): Bepalen wie op grondgebied mag verblijven behoort tot soevereiniteit van de Staat.

  • Gevolgen onwettig verblijf: Persoon wordt niet rechteloos, rechtsonbekwaam of handelingsonbekwaam. Kan rechten uit Burgerlijk Wetboek uitoefenen. Enkel wanneer wetgever wettig verblijf als voorwaarde stelt (bv. gezinsbijslag, leefloon), kan onwettig verblijvende die rechten niet uitoefenen.

2) Gedeelde bevoegdheid
  • EU asiel- en migratiebeleid (art. 76-80 VWEU): Lidstaten hebben deel van soevereine beslissingsmacht over migratie overgedragen aan EU. Secundair Unierecht (richtlijnen, verordeningen) beperkt nationale soevereiniteit.

  • Vrij verkeer van Unieburgers (art. 20 en 21 VWEU): Unieburgers die recht op vrij verkeer uitoefenen genieten nagenoeg zelfde rechten als Belgen (verschillen voor economisch niet-actieven). Belgische wetgeving moet rechten erkennen.

  • Migratie door derdelanders: EU heeft bevoegdheid asiel- en migratierecht te ontwikkelen. België kan, als lidstaat, via EU-besluitvorming mee bepalen.

  • Federale bevoegdheidsverdeling: Toegang van derdelanders tot verblijf als werknemer/zelfstandige is gedeelde bevoegdheid:

    • Federaal: aspect verblijf (afgifte verblijfsmachtiging).

    • Gewesten: aspect toegang tot arbeidsmarkt (toelating tot werk).

3) Types van verblijfstatuten
  • Types verblijf qua duur:

    • Kort verblijf: maximum 90 dagen (derdelanders: vaak visum vereist).

    • Lang verblijf: meer dan 90 dagen (vooraf machtiging tot verblijf en verblijfsvergunning aanvragen).

    • Vestiging: na 5 jaar verblijf; meest solide statuut, toegang tot nagenoeg alle rechten als Belgen.

  • Machtiging tot verblijf door de minister:

    • Minister/staatssecretaris bevoegd voor migratie bepaalt wie naar België mag komen.

    • Discretionaire bevoegdheid: in beginsel moet machtiging vanuit buitenland worden aangevraagd. Bij regularisatie van verblijf (persoon zonder verblijfsrecht) kan machtiging in België worden verleend. Minister (Dienst Vreemdelingenzaken) heeft discretionaire bevoegdheid.

  • Door de wetgever toegestane verblijfscategorieën (recht op verblijf mits voldaan aan wettelijke voorwaarden):

    • Rol minister beperkt tot nazicht voorwaarden en openbare orde/veiligheid. Geen discretionaire ruimte.

    • Categorieën:

      • Burgers van de Europese Economische Ruimte (EER) en Zwitserland en hun gezinsleden.

      • Studenten in hoger onderwijs en onderzoekers.

      • Werknemers met arbeidsvergunning van de gewesten.

      • Gezinsleden van personen (Belgen en niet-Belgen) die wettig in België verblijven.

      • Staatloze personen.

  • Asiel en internationale bescherming:

    • Vluchtelingen: personen die niet kunnen terugkeren wegens gegronde vrees voor vervolging omwille van ras, religie, nationaliteit, sociale groep, politieke overtuiging.

    • Subsidiaire bescherming: personen die niet kunnen terugkeren wegens reëel risico op ernstige schade (doodstraf, foltering, onmenselijke/vernederende behandeling, bedreiging door willekeurig geweld in gewapend conflict).

    • Procedure: bij Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (CGVS) wordt nagegaan of vrees/risico's gegrond zijn.

  • Ernstig zieke personen: kunnen tot verblijf worden gemachtigd indien reëel risico voor leven/fysieke integriteit of onmenselijke/vernederende behandeling bij gebrek aan adequate behandeling in land van herkomst.

4) De invloed van fundamentele rechten en vrijheden
  • Verbod op refoulement:

    • Art. 3 EVRM: verbiedt terugsturen naar land waar persoon dreigt te worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of vernederende behandeling.

    • Art. 3 Antifolterverdrag: zelfde verbod.

  • Verstoring van het gezinsleven (art. 8 EVRM): Verwijdering die onevenredig nadelige gevolgen heeft voor gezinsleven kan in strijd zijn met recht op gezinsleven.

  • Verschil in behandeling: Verblijfswetgeving maakt onderscheid op basis van nationaliteit (Unieburgers-derdelanders) of migratiemotieven. Toegestaan mits verantwoord onder gelijkheidsbeginsel (art. 10 Gw.) en discriminatieverbod (art. 11 Gw.).