Duits werkwoorden

Modale werkwoorden

Dürfen

Iets wel/niet mogen (toestemming hebben)

  • Darf man hier rauchen?

Mögen

Zin hebben in, lusten, houden van , aardig vinden

  • Ich mag heute nicht an den strand gehen

  • Ich mag meine Freundin sehr!

Möchten

Konjunktiv II vervoeging van het werkwoord Mögen en dat betekent zou graag willen Duitsers zijn in de regek doorgaans erg beleefd. Ze zullen eerder “Ich Möchte”, dan “Ich will eine Tasse Kaffee” zeggen.

Wollen: willen

  • Ich will morgen neue Schuhe kaufen.

Wissen: weten

  • Weißt du die Antwort?

Können: kunnen

  • Er kann gut Deutsch reden.

Müssen: moeten

Gebruiken als iets een: Noodzaak, goede raad of onvermijdelijk is.

  • Ich muss aufs Klo.

  • Ihr müsst jetzt gehen.

Sollen: moeten

Gebruiken wanneer de mening van een ander weergegeven wordt of naar de mening van een ander wordt gevraagd

  • Dus sollst den Mund halten!

  • Soll ich dich nach Hause fahren?

  • Boris soll ein guter Sänger sein

Werden/sollen: vertaling van “zullen”

Zulen vertaal je bijna altijd met het werkwoord werden. Als ie iets van plan bent om te gaan doen, gebruik dan “werden”:

  • Er wird seine Hausaufgaben maken

  • Das werde ich nicht tun!

Zullen vertaal je met het werkwoord sollen, als je naar de mening van een ander vraagt.

  • Sollen wir dir etwas mitbringen?

  • Soll ich dir helfen?