Maatschappijwetenschappen periode 1 V6

Wat zijn de dimensies van hofstede?::

  • Grote machtsafstand versus kleine machtsafstand
  • Individualistisch versus collectivistisch
  • Lage onzekerheidsvermijding versus hoge onzekerheidsvermijding
  • Langetermijngerichtheid versus kortetermijngerichtheid
  • Masculien versus feminien

Wat is internaliseren?:: Mensen nemen waarden, normen, opvattingen en gedragingen over en maken ze zich eigen.

Wat is het verschil tussen sociaal en cultureel kapitaal?:: Sociaal kapitaal: connecties, netwerken, mate van respect Cultureel kapitaal: competenties → kennis, houdingen, opvattingen en smaak

Hoe denkt het functionalisme over politieke socialisatie?:: Identiteit is een product van de samenleving, want geïnternaliseerde rolverwachtingen kunnen identiteit vormen. Socialisatie is een middel om politieke cultuur over te dragen en voort te laten leven.

En het conflict?:: De betekenis van socialisatie voor sociale ongelijkheid. Ongelijke machtsverdeling kan blijven bestaan als iedereen het goedkeurt.

Het sociaalconstructivisme?:: Het persoonlijke ontwikkelingsproces wordt beïnvloed door socialisatie. Ervaring → identiteit. Er is beïnvloeding, maar ook een eigen wil.

Het rationele actor?:: Geen onderzoek

Wat is een politiek legitiem systeem?:: Het politieke regime wordt geaccepteerd door de bevolking.

Wat is de legitimiteit van de democratische rechtsstaat?:: Burgers moeten besluiten dat de rechterlijke macht onafhankelijk is en dat de overheid zich aan de wet houdt.

Wat zijn de zes politieke vereisten?::

  1. Gekozen volksvertegenwoordigers die de regering controleren
  2. Vrije, eerlijke en regelmatige verkiezingen
  3. Vrijheid van meningsuiting
  4. Toegang tot meerdere informatiebronnen, geen censuur of een monopolie voor staatsmedia
  5. Vrijheid van vereniging
  6. Inclusief burgerschap

Wat zijn de drie probleemgebieden bij politieke cohesie?::

  1. Politieke betrokkenheid
  2. De bestuurlijke schaalvergroting
  3. Gemankeerde communicatie

Wat zijn de drie visies op representatie in de democratie? Leg ze uit::

  1. Afspiegelingsmodel: volksvertegenwoordiging moet lijken op de volkssamenstelling
  2. Rolmodel: de representativiteit is hoog als de standpunten van de vertegenwoordigers lijkt op die van het volk
  3. Partijenmodel: verschillende partijen hebben verschillende standpunten die het volk vertegenwoordigen

Benoem de 4 dimensies::

  1. Links-rechts (hoeveel moet de overheid zich met de economie bemoeien?)
  2. Progressief-conservatief (hoeveel vrijheid hebben mensen rond ethische kwesties?)
  3. Nationalisme-internationalisme (op het binnen- of buitenland gericht?)
  4. Materialisme of postmaterialisme (gericht op tastbare of abstracte zaken?)

Schrijf de ideologieën van links naar rechts op:: Communisme → Socialisme → Liberalisme → Conservatisme → Fascisme

Waar staan het socialisme, het liberalisme en het confessionalisme voor?:: Socialisme: gelijkwaardigheid, sturende rol van de overheid Liberalisme: individuele rechten en vrijheden Confessionalisme: christelijke waarden, samenwerking en harmonie

Hoe moet de macht in de samenleving verdeeld worden door deze ideologieën?:: Socialisme: meer inspraak voor burgers Linkse liberalen: meer invloed voor burgers Confessionelen: burgers kiezen politici, geen referendum

En hoe de goederen geproduceerd en gedistribueerd?:: Socialisme: belangrijke rol van de overheid in de economie voor meer gelijkheid Liberalisme: economische vrijheid en eigen verantwoordelijkheid Confessionelen: naastenliefde en eigen verantwoordelijkheid → gemengde economie

Hoeveel vrijheid hebben mensen om af te wijken van collectieve normen?:: Socialisme: vrijheid om eigen cultuur na te leven, mag de emancipatie niet in de weg staan Liberalisme: individuele vrijheid Confessionelen: harmonie → eigen cultuur naleven, maar het mag niet ten koste gaan van de Nederlandse cultuur

Noem voor alle drie de ideologieën minstens twee politieke partijen:: Socialisme: GroenLinks, SP, PvdA, PvdD, 50plus, DENK Liberalisme: D66, VVD Confessionalisme: CU, CDA, SGP

Wat houdt het politiek systeem in?:: Het geheel van betrekkingen waardoor opvattingen, verlangens en eisen van individuen, groepen en instellingen in bindende beslissingen worden omgezet.

Wat is de rol van de politiek? Noem twee dingen::

  1. Het bepalen van waarden en belangen in de samenleving
  2. Het hebben van gezag

Wat zijn de vierde, vijfde en zesde macht?::

  1. Ambtenaren
  2. Massamedia
  3. Externe adviseurs

Wie maken de wetten?:: Het parlement en kabinet, met hulp van de ambtenaren en in overleg met de coalitiepartijen

Wie heeft de uitvoerende macht?:: Het kabinet

Wat is het initiatiefrecht?:: Een partij uit de Tweede Kamer heeft het recht zelf een wet te maken

Noem alle zes de posities in een partij::

  1. Partijvoorzitter
  2. Tweede Kamerlid
  3. Politiek leider
  4. Gedeputeerde in Provinciale Staten
  5. Lokale afdeling
  6. Partijcoryfee (oud-leider)

Wat zijn de vijf functies van politieke partijen in politiek en samenleving?::

  1. Rekrutering en selectie
  2. Articulatie (inventarisatie van wensen, eisen en belangen en deze in de politieke agenda plaatsen)
  3. Participatie
  4. Aggregatie (afweging van wensen, eisen en belangen)
  5. Communicatie

Wat is een pressiegroep?:: Een groep die geen kandidaten heeft bij de verkiezingen, maar zich richt op één specifiek terrein van de samenleving.

Noem vier veranderingen in de media::

  1. Het medialandschap (zuil → commercieel en concurrerend)
  2. Berichtgeving is persoonlijker
  3. Meer mediahypes
  4. Media en mediahypes spelen een rol in de vraag of een kwestie wel of niet als een probleem wordt beschouwd.

Hoe kunnen politici berichten de wereld insturen via hun eigen mediakanalen?::

  1. Framing: werkelijkheid wordt beïnvloed door woorden
  2. Priming: politici claimen een onderwerp, waardoor hun gezag vergroot.

Wat is het systeemmodel?:: Input → conversie → output → feedback

Wat is het verschil tussen actieve en passieve steun?:: Actief: iets doen om je voor- of afkeur te laten blijken Passief: niets doen om je goedkeuring te laten blijken, acceptatie

Wat zijn poortwachters?:: Zij bepalen of een probleem besproken gaat worden. Media / politieke partijen / pressiegroepen geven een onderwerp wel of geen aandacht.

Wat zijn de subfasen in het proces van omzetting?::

  1. Politieke agendavorming (wordt een probleem aangepakt of niet?)
  2. Beleidsvoorbereiding (adviezen)
  3. Beleidsbepaling (beslissing en uitvoering)

Wat zijn de zes aspecten van ontwikkeling?::

  1. Demografisch
  2. Ecologisch
  3. Cultureel
  4. Economisch
  5. Technologisch
  6. Sociaal

Wat is het barrièremodel? Maak ook een schets:: Meer nadruk op conversie. Door barrières te nemen wordt een wens of eis omgezet in een wet of maatregel

Wat is het stromenmodel en welke drie stromen zijn er?:: In het stromenmodel speelt toeval een rol

  1. Problemenstroom
  2. Oplossingenstroom
  3. Partijenstroom

Wat is de Window of Opportunity?::

Er ontstaat ontwikkeling als genoeg partijen het probleem aan willen pakken en daar een oplossing aan gekoppeld kan worden. Als dit gebeurt, wordt het probleem waarschijnlijk opgelost

Wat betekent beleid?:: het streven naar het bereiken van bepaalde doelen met bepaalde middelen op bepaalde tijdstippen

Wat is een causale relatie?:: Variabele A leidt tot variabele B

Wat is een finale relatie?:: De relatie tussen doel en middel

Wat is causaliteit?:: Verandering in de ene variabele veroorzaakt verandering in de andere variabele

Wat is het zandlopermodel?:: Het causaal en finaal model onder elkaar

Wat houdt de maakbaarheid van de samenleving in?:: Het ingrijpen van mensen in de samenleving op een positieve manier zorgt voor meer maatschappelijk geluk

Wat is het verschil tussen politics, polity en policy?:: Politics: debat Polity: systeem Policy: beleid

Wat is het verschil tussen persoonlijke, sociale en collectieve identiteit?:: Persoonlijk: zelfbeeld Sociaal: sociaal deel van de groep waar iemand deel van uitmaakt Collectief: het beeld bij een groep

Wat zijn de vier typen bindingen?::

  1. Politiek
  2. Affectief
  3. Cognitief
  4. Economisch

Wat zegt het functionalisme hierover?:: Bindingen en sociale cohesie, instabiliteit wanneer functies niet meewerken

En het conflict?:: Groepen hebben bindingen, samenlevingen niet. De samenleving wordt gedomineerd door de groep met de meeste macht.

En het sociaalconstructivisme?:: Persoonlijkheid en identiteit, het handelen van personenen ten opzichte van elkaar

De rationele actor?:: Groepsvorming kan alleen door nutsmaximalisatie, bindingen zijn ruilrelaties.

Wat zijn de vier verschillende soorten groepen?::

  1. Formeel (vastgelegde regels)
  2. Informeel (niet vastgelegd, stilzwijgend)
  3. Primair (persoonlijk, socialisatie op micro- en mesoniveau)
  4. Secundair (doelgericht, onpersoonlijk socialisatie op macroniveau)

Wat zijn de vijf fasen van groepsvorming?::

  1. Oriëntatiefase
  2. Conflictfase
  3. Integratiefase
  4. Uitvoeringsfase
  5. Ordefase

Wanneer horen mensen niet meer bij een groep?:: Niet willen, mogen of kunnen

Hoe wordt sociale cohesie versterkt?::

  1. Wederzijdse afhankelijkheid
  2. Dwang
  3. Saamhorigheidsbesef

Wat zijn twee indicatoren van sociale cohesie?::

  1. Het aantal groepen waar mensen zich bij betrokken voelen (mesoniveau)
  2. Het aantal gewelddadige conflicten in de samenleving (macroniveau)

Noem drie verschillen tussen een traditionele en een moderne samenleving::

  1. Mechanische of organische solidariteit
  2. Productie is gericht op eigen gebruik of op de markt
  3. Iedereen dezelfde taak of individuele vrijheid

Wat is het verschil tussen de modernistische en nationalistische school?:: Modernistische school: staat → natie Nationalistische school: natie → staat

Wat is het dilemma van de collectieve actie?:: Actoren willen alleen meewerken aan een collectief goed als er geen freeriders zijn en als ze niet worden uitgesloten.

Wat is het verschil tussen een natiestaat en een multinationale staat?:: Natiestaat: één natie Multinationale staat: meerdere naties

Leg uit wat invented traditions zijn:: Mythes, bedacht om de sociale cohesie te versterken, stereotypen

Wat zijn vier kenmerken van een institutie?::

  1. Lange traditie
  2. Stabiel, maar veranderlijk door gedragspatronen
  3. Eigen realiteit
  4. Gebaseerd op gezag

Wat zijn vier ontwikkelingen die hebben gezorgd voor minder autonomie?::

  1. Multinationals krijgen meer invloed
  2. Internationale samenwerkingsverbanden
  3. Problemen zijn grensoverschrijdend
  4. Conflicten overs staatsgrenzen hen

Wat zijn vier redenen voor minder sterke bindingen met de EU dan met de nationale staten?::

  1. Geen gemeenschappelijke lotsbestemming
  2. Verschillen in cultuur
  3. Tegenstrijdige belangen
  4. Geen gezamenlijke media over politieke ontwikkelingen

Wat is neo-nationalistisch cultureel verzet?:: Veel nationale bindingen. Nationale identiteit is een relatief gegeven

Wat is de rol van internationale ontwikkelingen in de veranderingen in de Nederlandse cultuur en identiteit?::

  1. Internationaal kapitalisme
  2. Technologische ontwikkelingen

Wat is het verschil tussen positietoewijzing en positieverwerving?:: Positietoewijzing: oorzaken en factoren aan de kant van de samenleving Positieverwerving: oorzaken en factoren aan de kant van etnische minderheden

Wat is een transnationale identiteit en wat ontstaat hierdoor?:: Een identiteit die niet bij één natie of land hoort

Wat is het verschil tussen cultuuruniversalisme en cultuurrelativisme?:: Cultuuruniversalisme: universele waarden in alle culturen.Cultuurrelativisme: elke cultuur verschilt en is gelijkwaardig

Wat is identificatie, wat zijn de drie vormen hiervan en wat houden deze in?:: Een dynamisch proces van het leggen, onderhouden en verbreken van bindingen

  1. Functioneel: lidmaatschap van een groep
  2. Normatief: inbreng van de normen van een groep in een debat
  3. Emotioneel: gevoel van verbondenheid met een groep

Door welke twee kernconcepten vindt verandering plaats?:: Globalisering en individualisering

Zijn traditionele of moderne samenlevingen gevarieerder? Noem 6 kernconcepten:: Traditionele samenlevingen. Rationalisering, staatsvorming, democratisering, institutionalisering, individualisering en globalisering

Wat bedoelt Max Weber met de onttovering van de wereld? Noem vier redenen:: Minder aandacht voor:

  1. Tradities
  2. Emotionele bindingen
  3. Opvattingen
  4. Het bovennatuurlijke

Wat zijn de vier voordelen van rationalisering volgens Weber?::

  1. Uitbouw van de wetenschap
  2. Rationele en efficiënte vormgeving van arbeidsorganisaties
  3. Formalisering en rationalisering van het recht
  4. Meten van opbrengst en aandacht voor de juist persoon op de juiste plaats

Wat zijn de vijf nadelen van rationalisering volgens Weber?::

  1. Middelen overheersen doelen
  2. Vervreemding en machtsverschillen
  3. Onpersoonlijke, formele en bureaucratische relaties
  4. Onderklasse voor mensen die niet aan de eisen kunnen voldoen
  5. Toename van de macht van bureaucratische organisaties

Hoe denkt het functionalisme over rationalisering?:: Positief voor kapitalistische economie en materiële welvaart

Wat is de Theorie van Durkheim?:: Arbeidsverdeling, onderscheid tussen mechanische en organische solidariteit En het conflict? Vervreemding (Marx), maatschappelijke ongelijkheidsverhouding

Rationele actor?:: Doelrationeel handelen. Doelen → gedrag.

Wat is het beginpunt van modernisering?:: De verlichting

Op welke vijf gebieden zijn er verschillen in samenlevingen door modernisering?:: Politiek, economisch demografisch, sociaal en cultureel

Wat zijn de vier kenmerken van moderne westerse samenlevingen?::

  1. Democratische rechtsstaten
  2. Burgers hebben recht en macht
  3. Volkssoevereiniteit
  4. Klassieke grondrechten

Wat zijn de twee kenmerken van het economisch systeem?::

  1. Het productiesysteem is gerationaliseerd en gedifferentieerd
  2. Een kenniseconomie

Wat is de ideologie van modernisering?:: Wenselijke veranderingen in de samenleving

Wat denken cultuuruniversalisten over traditionele verhoudingen?:: Deze zullen allemaal vervangen worden door een moderne samenleving

Wat is bricolage?:: Mensen zoeken stukjes identiteit bij elkaar

Wat is doelrationeel handelen?:: Het uitstellen van behoeften om doelen te kunnen bereiken

Wat zijn vier kenmerken van het vormen van een identiteit in de moderne samenleving?::

  1. Een passieve en afhankelijke levensstijl
  2. Identiteit is minder stabiel en solide
  3. Afhankelijkheid van technologie
  4. Zelfsturend zijn

Heeft een traditionele of een moderne samenleving een betere sociale stratificatie?:: De moderne samenleving

Noem twee positieve en twee negatieve aspecten van de veranderingen in het verhoudingsvraagstuk:: Positief: meer kans om talenten te ontwikkelen en benutten. Bevrijd van sociale verbanden Negatief: belang van factoren wordt onderschat. Bedrijven worden machtiger

Wat zijn de drie onderdelen in het bindingsvraagstuk? Leg ze uit::

  1. Sociale integratie: rechten, onderwijs, arbeid en overleg
  2. Maatschappelijk middenveld: minder binding
  3. Sociale netwerken: flexibeler

Noem één positieve en vier negatieve aspecten van de veranderingen in het bindingsvraagstuk:: Positief: globalisering zorgt voor het behouden van de eigen identiteit Negatief: door etnische diversiteit minder sociale cohesie. Nationale culturen gaan verloren. Het netwerk is niet meer te overzien. De calculerende mentaliteit is een bedreiging voor de morele basis van de rechtsstaat

Rationeel en afhankelijk willen zijn, hangt af van drie verschillende dingen. Benoem ze::

  1. Verzelfstandiging versus verafhankelijking
  2. Generalisering versus pluralisering
  3. Rationeel versus emotioneel

Wat is een staat?:: Een interne soevereiniteit die regeert over een groep mensen binnen een bepaald grondgebied. Het heeft het gewelds- en belastingmonopolie en er moet externe soevereiniteit zijn.

Noem drie veranderingen van de politieke macht en de uitbreiding hiervan bij staatsvorming::

  1. Depersonalisering
  2. Formalisering
  3. Integratie

Noem twee positieve en drie negatieve ontwikkelingen van democratisering:: Positief: meer groepen krijgen meer rechten. Het ontstaan van een volksvertegenwoordiging Negatief: meer inspraak betekent minder daadkracht. Machtsbronnen kunnen ongelijk verdeeld zijn. Door internationale organisaties leidt het niet direct tot meer inspraak in regelingen en wetgeving.

Noem één positief en één negatief kenmerk van individualisering:: Positief: een emancipatieproces en een toename van individuele vrijheid. Negatief: het afbreken van maatschappelijke integratie, toenemend egoïsme, het losraken van bindingen en een toename van eenzaamheid.

Wat is het standpunt van de drie ideologieën hierop?:: Confessionelen: gemeenschap is belangrijk, maatschappelijk middenveld Liberalen: zelfontplooiing en zelfexpressie, zelf relaties aangaan en beëindigen Sociaaldemocraten: keuzevrijheid, maar leidt tot te veel sociale ongelijkheid

Noem één positief en één negatief kenmerk van globalisering. Benoem ook de vijf gebieden waarop dit van toepassing is:: Positief: groeiperspectief Negatief: kwetsbare wereldeconomieEconomisch, juridisch, politiek sociaal-cultureel en ecologisch gebied.

Wat is het standpunt van de drie ideologieën hierop?:: Confessionelen: bewustwording van schaarste, lokale gemeenschap moet niet worden opgegeven Liberalen: veel mogelijkheden, vrijhandel en marktmechanismeSociaaldemocraten: veel mogelijkheden om voor sociale ongelijkheid en rechtvaardigheid op te komen. Een internationale regelgeving en overeenkomsten voor een sterke economie.