Bio 1.6. p81-82

De regeling van enzymen

  • Het lichaam heeft mechanismen om enzymen aan en uit te zetten of hun activiteit bij te sturen.

  • Belangrijke spelers in deze regeling zijn:

    • Inhibitoren (remmers)

    • Co-enzymen (organische hulpstoffen)

    • Cofactoren (meestal metaalionen)

  • lichaam kan reguleren wanneer:

    • een reactie snel moet verlopen

    • waar deze mag plaatsvinden

    • en wanneer het beter is dat de reactie afgeremd wordt.

  • Veel geneesmiddelen werken als enzymremmers:

    • Aspirine

      • een inhibitor van enzymen betrokken bij ontstekingsreacties.

    • ACE-remmers verlagen de bloeddruk

      • door een enzym te blokkeren dat normaal gesproken bloedvaten laat samentrekken.

Inhibitoren: remmers van enzymactiviteit

  • inhibitoren: werking van enzymen afremt of volledig blokkeert

    • toegang tot actief centrum te verhinderen.

  • Er zijn twee hoofdtypes van inhibitoren:

    • Competitieve inhibitor

    • Niet-competitieve inhibitor

Competitieve inhibitor

  • Heeft een vorm die sterk lijkt op het substraat.

  • Kan passen in het actief centrum van het enzym.

    • De inhibitor neemt de plaats van het substraat in.

    • Echte substraat kan tijdelijk niet binden.

    • De reactie vertraagt of stopt zolang de inhibitor in het actief centrum bevindt.

  • Verhoging van substraatconcentratie vergroot de kans dat het substraat het actief centrum bereikt:

    • waardoor het effect van de competitieve inhibitor gedeeltelijk kan worden overwonnen.

Voorbeeld
  • Methotrexaat is een geneesmiddel dat op foliumzuur lijkt en blokkeert een enzym dat nodig is voor DNA-aanmaak in snel delende cellen, bv. kankercellen.

Niet-competitieve inhibitor

  • Bindt niet aan het actief centrum, maar aan een andere plaats op het enzym:

    • Verandert de 3D-vorm van het enzym.

    • Het actief centrum wordt vervormd.

    • Het substraat past niet meer goed.

  • Extra substraat toevoegen helpt niet, omdat het actief centrum zelf is vervormd.

Voorbeeld
  • Zware metalen zoals lood of kwik kunnen enzymen blijvend uitschakelen door binding aan het enzym en het vervormen ervan.

  • Deze metalen zijn toxisch omdat ze de enzymstructuur veranderen en de enzymactiviteit remmen.

Co-enzymen: de tijdelijke organische helpers

  • Sommige enzymen hebben een organische hulpstof nodig, genaamd een co-enzym.

  • Een co-enzym kan worden gezien als een tijdelijke partner die een deel van de reactie voor zijn rekening neemt.

  • co-enzym, organische molecule die vaak afgeleid is van:

    • een vitamine, die tijdelijk bindt aan het enzym en na de reactie terug lost

Voorbeeld
  • NAD⁺ is een co-enzym dat waterstofatomen opneemt tijdens de celademhaling en zo helpt bij de energieproductie.

Cofactoren: het ontbrekende puzzelstuk

  • een cofactor is een niet-organische hulpstof, vaak een metaalion

  • enzym zonder cofactor: apo-enzym

  • enzym met cofactor: holo-enzym

  • Cofactoren helpen het enzym de juiste vorm te krijgen of maken een bepaalde reactie chemisch mogelijk.

  • Vaak is een enzym inactief zonder cofactor

  • cofactoren zijn blijvend gebonden aan het enzym

Voorbeeld
  • Het enzym carbonic anhydrase zet koolstofdioxide (CO₂) om in bicarbonaat (HCO₃⁻) en heeft zinkionen als cofactor nodig om goed te functioneren.