Infuustherapie perifeer
Algemeen Informatie
Datum: 22/09/2025
Presentator: Mieke Van Craenenbroeck
Cursus: Infuustherapie, OLOD Algemene Medische Zorg
Dit onderdeel richt zich op de basisprincipes en praktische aspecten van infuustherapie, essentieel voor de algemene medische zorg.
Module Overzicht
Modulecursus ALMZ leerpad C - Leer aan de hand van de lesdoelen
Dit betekent dat de studenten actief de gedefinieerde leerdoelen moeten bestuderen om de kerncompetenties van de module te verwerven.
Let op bij lay-out van cursusonderdeel infuusgerelateerde complicaties: nummering is niet correct
Dit kan leiden tot verwarring; studenten moeten extra aandacht besteden aan de inhoud in plaats van uitsluitend op de nummering te vertrouwen.
Volg de verwijzingen naar het handboek
Handboek Studiemateriaal 3 | ALMZ – LPC infuustherapie
Dit handboek dient als de primaire bron voor uitgebreide informatie en aanvullende context bij de lesstof.
Inleiding tot Infuustherapie
Definitie en toepassing van infuustherapie:
Infuustherapie omvat de toediening van vloeistoffen, medicatie of nutriënten direct in de bloedbaan via een intraveneuze toegangsweg.
Bloed, vocht, voeding of medicatie: Wordt gebruikt voor rehydratatie (bijv. bij uitdroging, brandwonden, shock), elektrolytenbalans herstel, medicatietoediening (antibiotica, pijnstillers, chemotherapie), voeding (parenterale voeding bij onvoldoende orale inname) en bloedtransfusies.
Inspelen op volume en samenstelling van het bloed: Reguleert de hydratatiestatus, onderhoudt de osmotische druk en elektrolytenbalans, en kan afvalstoffen verdunnen of elimineren.
Risico's verbonden aan infuustherapie: Omvat potentiële infecties (lokale of systemische), flebitis (aderontsteking), extravasatie (lekkage van vloeistof buiten het vat), luchtembolie (zeldzaam maar ernstig), allergische reacties, en overvulling.
Verpleegkundige verantwoordelijkheden zijn verdeeld in 2 domeinen:
Bedside concrete gebruik en verzorging: Omvat het plaatsen, onderhouden, controleren en verwijderen van infusen, aseptisch werken, patiënteducatie en het monitoren van complicaties.
Expertiseniveau: Verwijst naar de kennis over indicaties, contra-indicaties, keuze van de juiste toegangsweg en vloeistof/medicatie, klinisch redeneren en het tijdig herkennen en escaleren van problemen.
Connectie tussen infuustherapie en klinisch redeneren:
Klinisch redeneren is cruciaal bij het bepalen van de noodzaak van IV-therapie. Het omvat het systematisch verzamelen en analyseren van patiëntgegevens om tot een weloverwogen besluit te komen.
Vraagstukken omtrent de noodzaak van IV-therapie: Is er een alternatief? Is de patiënt daadwerkelijk uitgedroogd of ondervoed?
Het type IV-therapie: Welke vloeistof of medicatie is het meest geschikt?
De duur van therapie: Hoe lang is de behandeling nodig? Wanneer kan worden overgeschakeld op orale toediening?
En de ideale IV kathetertype: Welke katheter garandeert de veiligste en meest effectieve toediening, rekening houdend met de duur van de therapie, de aard van de vloeistof en de conditie van het vaatstelsel?
Toegangswegen voor Infuustherapie
Soorten toegangswegen
Intraveneuze (IV) toegangsweg:
Perifeer veneuze toegangsweg: Wordt gebruikt voor kortdurende therapie en routinebehoeften, zoals hydratatie of medicatietoediening. De katheter wordt in een oppervlakkige ader geplaatst, meestal in de hand of onderarm.
Centraal veneuze toegangsweg: Biedt toegang tot grote, diepe aders, zoals de vena cava, en is geschikt voor langdurige therapie, toediening van irriterende medicatie, parenterale voeding en hemodialyse.
Osseuze toegangsweg (intraossale toegang): Wordt toegepast in noodsituaties (reanimatie) wanneer intraveneuze toegang niet snel kan worden verkregen. Medicatie en vloeistoffen worden direct in het beenmerg geïnfundeerd.
Subcutane toegangsweg (hypodermoclyse): Geschikt voor de toediening van kleine volumes isotone vloeistoffen en bepaalde medicatie bij patiënten die orale inname moeilijk vinden, vaak in palliatieve zorg. Het absorptieproces is trager dan IV.
Arteriële toegangsweg (NIET geschikt voor infuustherapie en medicatietoediening): Wordt uitsluitend gebruikt voor arteriële bloedgasafnames en continue bloeddrukmonitoring, nooit voor de toediening van vloeistoffen of medicatie vanwege de hoge druk en het risico op ischemie en weefselschade.
Perifere intraveneuze katheters (PIVC)
Meest gebruikte toegangswegen voor een breed scala aan toepassingen.
Soorten:
Korte perifere katheter (<5 ext{cm}): Meest voorkomende type, geschikt voor kortdurende intraveneuze therapie (tot 96 uur, max 4 dagen) in oppervlakkige aders. Verkrijgbaar in verschillende gauge-maten (bijv. groen, roze, blauw, geel), waarbij een kleinere gauge een grotere diameter betekent.
Lange perifere katheter (): Een tussenoplossing voor therapie van matige duur. Deze katheters worden dieper ingebracht in de perifere aders, wat leidt tot een langere verblijfstijd.
Midline katheter (): Geplaatst in een perifere ader (meestal in de bovenarm) met het tipje eindigend onder de oksel, maar boven de cavo-atriale junctie. Geschikt voor therapie van weken, waarbij medicatie met een tussen en osmolariteit onder veilig kan worden toegediend.
Centraal veneuze toegangswegen
Worden gebruikt voor langdurige therapie, toediening van vesicante medicatie, parenterale voeding en monitoring van de centrale veneuze druk. Het tipje van de katheter ligt altijd in de vena cava superior, nabij de rechtervoorkamer.
Typen:
Acute centraal veneuze katheter (CVC):
Wordt acuut geplaatst via de vena jugularis interna, vena subclavia of vena femoralis.
Geschikt voor intensieve en kortdurende therapieën (gemiddeld dagen, afhankelijk van het materiaal en de plaats).
Kan meerdere lumen hebben voor gelijktijdige toediening van verschillende vloeistoffen.
Perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter (PICC):
Geplaatst via een perifere ader (bijv. vena basilica of vena cephalica in de bovenarm), waarbij het tipje centraal in de vena cava superior ligt.
Geschikt voor middellange tot langdurige therapie (weken tot maanden).
Minder risico op pneumothorax dan een acute CVC.
Getunnelde centraal veneuze katheter (Hickman, Broviac):
Een deel van de katheter wordt onder de huid getunneld voordat deze de ader binnengaat, wat het infectierisico vermindert en meer comfort biedt.
Geschikt voor langdurige therapie (maanden tot jaren), zoals chemotherapie of langdurige parenterale voeding.
Poortkatheter (Port-a-Cath):
Volledig onderhuids geïmplanteerd met een reservoir dat percutaan wordt aangeprikt.
Biedt intermittent toegang en is ideaal voor langdurige, intermitterende therapieën (maanden tot jaren), zoals de behandeling van kanker. Minder zichtbaar en verhoogt de levenskwaliteit van de patiënt.
Behandeling en Administratie
Voorbereiding en toedienen van IV therapie: Dit omvat aseptische techniek, handhygiëne, huidantisepsis, het correct aansluiten van infuussystemen, het controleren van de juiste infusievloeistof en medicatie, en het instellen van de juiste infusiesnelheid.
Handelingen gedefinieerd als B2-handeling: Dit zijn risicovolle handelingen die door speciaal opgeleid personeel (verpleegkundigen) mogen worden uitgevoerd onder gedelegeerde verantwoordelijkheid van een arts. Dit betekent dat er een specifieke competentie en autorisatie vereist zijn.
Plaatsen van een IV katheter in perifere vene, bloedafname, toedienen van isotone zoutoplossing: Dit zijn voorbeelden van veelvoorkomende B2-handelingen in de infuustherapie.
Therapieduur via perifere IV katheter:
Lange perifere IV katheter:
Factoren zoals de conditie van de ader, het type vloeistof/medicatie en de aanwezigheid van complicaties bepalen de feitelijke verblijfsduur.
Infuusvloeistoffen en Geneesmiddelen
Afleveringsvormen van infuusvloeistoffen
De osmotische druk van een oplossing heeft directe gevolgen voor de beweging van water over celmembranen in het lichaam.
Indeling op basis van osmotische druk:
Normale osmolariteit plasma: ().
Isotone oplossing: ; vloeistoffen hebben een vergelijkbare osmotische druk als bloedplasma. Ze veroorzaken geen significante vochtverschuivingen tussen de intra- en extracellulaire compartimenten. Bijv. Glucose 5% (), NaCl 0,9% (). Gebruikt voor hydratatie en het handhaven van de circulatie.
Hypertone oplossing: > 300 ext{ mOsm/L} ; hogere osmotische druk dan bloedplasma. Trekt vloeistof aan van het intracellulaire naar het extracellulaire compartiment, waardoor celvolumevermindering optreedt. Bijv. Mannitol 20% (), Glucose 10% (). Gebruikt bij hersenoedeem om intracraniale druk te verlagen of bij ernstige hyponatriëmie.
Hypotone oplossing: < 300 ext{ mOsm/L} ; lagere osmotische druk dan bloedplasma. Veroorzaakt een vochtverschuiving van het extracellulaire naar het intracellulaire compartiment, wat kan leiden tot celzwelling en hemolyse van rode bloedcellen.
Geen IV toediening voor hypotone oplossingen: Vanwege het risico op hemolyse van rode bloedcellen, wat levensbedreigend kan zijn. Steriel water, hoewel hypotone, mag nooit direct intraveneus worden toegediend.
Indeling op basis van samenstelling
Verschillende samenstellingen zijn ontworpen om specifieke fysiologische behoeften te vervullen.
Soorten oplossingen:
Suikeroplossing zonder elektrolyten: Bijv. Glucose 5%. Biedt calorieën en dient als een bron van vrij water na metabolisatie van glucose. Wordt gebruikt bij dehydratie en als dragervloeistof voor medicatie.
Elektrolytenoplossing (met/zonder calorieëntoevoer): Bijv. NaCl 0,9% (fysiologisch zout), Ringerlactaat, Glucose-zoutoplossingen. Gebruikt om vocht aan te vullen, elektrolytenbalans te herstellen en circulerend volume te handhaven. Ringerlactaat is een gebalanceerde elektrolytenoplossing die het bloedplasma nabootst.
Eiwitoplossingen (aminozurenoplossingen): Essentieel voor de opbouw en reparatie van weefsels en het handhaven van de osmotische druk. Onderdeel van totale parenterale voeding (TPN).
Vetoplossingen (lipide-emulsies): Geconcentreerde energiebron en leveren essentiële vetzuren. Ook een onderdeel van TPN.
Colloïdale of plasmavervangende oplossingen: Bevatten grote moleculen die in het intravasculaire compartiment blijven en de osmotische druk verhogen, waardoor vocht uit het interstitium naar de vaten wordt getrokken. Bijv. albumine, gelatines. Gebruikt bij hypovolemie en shock om het circulerend volume snel te herstellen.
Intraveneus toedienen van Geneesmiddelen
Stappen van toediening
Essentieel voor de veiligheid en effectiviteit van medicatietoediening.
Bereiden van IV medicatie:
Zorg voor een aseptische werkomgeving.
Ampulle, flacon met vloeistof of poeder: Controleer altijd de juiste medicatie, dosis, vervaldatum en eventuele verdunningsinstructies. Reconstitueer poedermedicatie zorgvuldig met het juiste oplosmiddel en volume, handhaaf de steriliteit.
Toedienen van IV medicatie:
IV medicatie toevoegen aan infuusvloeistof: Wordt meestal gebruikt voor medicatie die langzamer moet worden toegediend over een langere periode, om piekconcentraties te vermijden en de tolerantie te verbeteren.
IV medicatie in bolus via IV toegangspoort: Snelle, directe injectie in de ader via een poort op de katheter. Vereist nauwkeurige controle van de injectiesnelheid, vooral bij potentieel gevaarlijke medicatie, en spoelen voor en na toediening.
Tegenindicaties voor perifere toediening
Deze contra-indicaties zijn belangrijk om flebitis, veneuze schade, extravasatie en andere ernstige complicaties te voorkomen.
Relatieve tegenindicaties:
pH <5 of pH >9: Oplossingen met een extreem zure of basische pH kunnen de intima van het bloedvat irriteren en leiden tot flebitis en veneuze schade. Een centrale lijn is dan vaak geïndiceerd.
Vasoconstrictoren: Medicatie die vaatvernauwing veroorzaakt (bijv. dopamine, noradrenaline). Bij extravasatie kunnen deze middelen ernstige weefselnecrose veroorzaken. Toediening via een centrale lijn is veiliger.
Cytotoxische producten: Chemotherapeutica die celdodend zijn. Ze kunnen bij extravasatie ernstige lokale schade (necrose) veroorzaken. Centrale lijnen zijn hier de voorkeur.
Osmolariteit > 500 mOsm/L: Oplossingen met een osmolariteit tussen zijn irriterend voor de perifere venewand en kunnen chemische flebitis veroorzaken. Hoewel soms kortdurend toegestaan, is het risico verhoogd.
Absolute tegenindicaties:
Vesicante producten: Geneesmiddelen die, indien ze buiten de ader lekken (extravasatie), blaarvorming, ernstige weefselschade en necrose kunnen veroorzaken. Voorbeelden zijn bepaalde chemotherapeutica en hoge concentraties CaCl. Deze moeten altijd via een centrale lijn worden toegediend.
Osmolariteit > 850 mOsm/L: Oplossingen met een zeer hoge osmolariteit, zoals totale parenterale voeding (TPN), zijn absoluut gecontra-indiceerd voor perifere toediening, omdat ze onvermijdelijk ernstige flebitis en trombose van de perifere aders veroorzaken. Centrale toediening is hierbij essentieel.
Praktische Problemen bij IV Medicatie Toediening
Instabiliteit van medicatie kan optreden, bijv. amoxicilline-clavulaanzuur: Sommige geneesmiddelen zijn chemisch instabiel in oplossing, wat betekent dat ze na verloop van tijd afgebroken worden, hun werkzaamheid verliezen of toxische metabolieten vormen. Zo moet amoxicilline-clavulaanzuur relatief snel na reconstitutie worden toegediend en heeft het een beperkte houdbaarheid in oplossing.
Incompatibiliteit tussen medicaties en oplosmiddelen: Dit treedt op wanneer twee of meer geneesmiddelen of een geneesmiddel en een oplosmiddel fysiek of chemisch niet verenigbaar zijn wanneer ze gemengd worden. Dit kan leiden tot:
Zichtbare veranderingen: Neerslag, vertroebeling, verandering van kleur of gasvorming.
Onzichtbare veranderingen: Afbraak van het geneesmiddel, verlies van werkzaamheid, vorming van toxische producten.
Deze incompatibiliteit kan grote impact hebben op werking en veiligheid van IV therapie door verminderde therapeutische effectiviteit, verhoogde toxiciteit of potentieel levensbedreigende complicaties zoals een luchtembolie of embolieën door neerslag.
Aanpak van problemen
Regelmatige controle in BCFI of ziekenhuisapotheek: Het Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) en de ziekenhuisapotheek (met hun gespecialiseerde kennisbanken) zijn onmisbare bronnen voor informatie over stabiliteit en compatibiliteit van geneesmiddelen. Raadpleeg deze bronnen proactief bij twijfel.
Visuele controle en spoelen met NaCl 0,9% voor, tussen en na toediening: Dit voorkomt het mengen van incompatibele medicatie en onderhoudt de openheid van de katheter.
bij perifere katheter: Voldoende om de lumen van een perifere katheter te reinigen.
voor toegangspoort: Een groter volume wordt gebruikt om de gehele lijn tot aan de kathetertip te spoelen, om zo er zeker van te zijn dat alle medicatieresten zijn verwijderd.
bij centrale katheter: Een substantieel groter volume is nodig vanwege de grotere lengte en diameter van centrale lijnen en om een adequate spoeling van het distale deel van de katheter in de vena cava te garanderen. Dit spoelen gebeurt met een 'pulserende' techniek om turbulentie te creëren en de katheter effectief te reinigen.