Farmacologie
Farmacologie
1. Polyfarmacie
1.1 Wat?
Gebruik van 5 of meer geneesmiddelen (GM).
Komt veel voor bij ouderen met meerdere aandoeningen.
Criteria binnen het geriatrisch profiel:
Aanwezigheid van polypathologie (astma, COPD, hartlijden, diabetes type 2, …).
Aanwezigheid van cognitieve stoornissen (NAH, dementieel beeld, …).
Valproblematiek (Parkinson, CVA, …).
Beperkte sociale ondersteuning (alleenstaand zonder (klein)kinderen, …).
Meerdere GM tegelijk nemen verhoogt de interactie:
Interacties.
Bijwerkingen.
Therapieontrouw
Impact
GM kan de opname, de afbraak en/of de uitscheiding van een ander GM beïnvloeden.
Gevolg!
Onvoldoende werking.
Toxische ophoping (cumulatie).
Elkaars werking in positieve of negatieve zin beïnvloeden.
Grote impact op:
Therapietrouw, meer interacties tussen GM, meer medicatiefouten.
Gevolgen polyfarmacie bij oudere personen:
Meer valaccidenten, heupfracturen, verwardheid.
Nierinsufficiëntie.
Delirium.
Oorzaken: aanwezigheid van enkele risicofactoren:
Verminderde nierfunctie → cumulatie → meer bijwerkingen of meer toxische verschijnselen.
Cognitieve stoornissen → meer vergeetachtig of dementie → verkeerde inname medicatie → foutief tijdstip, foutieve toedieningswijze, foutief GM en/of posologie, …
Groter valrisico → medicatie vergroot risico op verminderd reactiesnelheid, verminderd zicht, …
Acute hospitalisatie → evt. doorgeven verkeerde info over hun GM o.w.v. bruusk wegvallen structuur.
Indicaties:
Hypertensie.
Angina pectoris.
Hartfalen.
Slaapstoornissen.
Omgaan met polyfarmacie:
Hoe?
Regelmatig het GM-profiel van de zorgontvanger (ZO) evalueren.
Therapieën afbouwen of stoppen waar mogelijk.
Belangrijke rol als verpleegkundige (VPK):
Functie: totaaloverzicht van ZO hebben en de belangen van ZO behartigen.
Bij twijfel: huisarts (HA) of behandelend arts (BA) consulteren.
GEEN bevoegdheid dosis zelf aan te passen!!
Essentieel: interdisciplinaire samenwerking!
1. Farmacotherapeutische processen
Farmacodynamiek: wat het GM doet met het lichaam -> werking van het GM.
Hoe specifieker een GM is voor zijn aangrijpingspunt, hoe lager het risico op bijwerkingen.
Eiwitten als aangrijpingspunt.
Geneesmiddelen binden zich met de cellen
Werken op cellulair niveau
Op elke cel zitten eiwitten waar het GM aan bindt
In lichaam zeer veel verschillende soorten eiwitten met eigen specifieke bouw en taak
Ieder orgaan en weefsel heeft een eiwit specifiek voor dat orgaan en weefsel:
= als GM op een bepaald soort eiwit aangrijpt GM werkt op dat specifiek orgaan of weefsel
Sommige eiwitten die je met GM wil behandelen worden soms ook aangetroffen bij andere organen en weefsels
Mogelijks problemen omdat GM ook aan de eiwitten in die weefsels kunnen binden
Ongewenste bijwerkingen!
Vb: Bisoprolol is RR verlagend maar werken ook op stresshormoon Bijwerking vermoeidheid of indien COPD en bèta-blokker kortademigheid!
Bijwerkingen
Gewenst of ongewenst
Elke ZO reageert anders
Oorzaken:
Grootste deel identieke bouw, ook specifieke en unieke deeltjes van lichaamseiwitten
Opname – metabolisatie – uitscheiding afhankelijk van vb. leeftijd – ziekten
Leeftijd – lengte – gewicht – genetica (cfr. Antihypertensivum hypotensie)
Inwerking op verkeerd aangrijpingspunt (eiwitten) bijwerkingen
CAVE-combinaties:
Alcohol
Pompelmoes Zorgt voor meer bijwerkingen Beïnvloed de werking Meer kans op allergische reacties
Zuivelproducten
Koffie en thee (cafeïne)
Farmacodynamiek bij ouderen
Gevoeligheid receptoren voor sommige GM ↓ (vb. insuline).
Gevoeligheid receptoren voor sommige GM ↑ (vb. psychofarmaca).
Aandacht voor nier- en leverinsufficiëntie!
Vaak tegelijk meerdere (chronische) aandoeningen → meerdere (chronische) GM → Kans op interacties en bijwerkingen ↑.
Bijkomend probleem: symptoommaskering, of –omkering of –armoede:
Bemoeilijkt diagnosestelling.
Bemoeilijkt evaluatie van (on)gewenste werking van GM
farmacokinetiek: wat het lichaam met het GM doe -> weg van inname tot uitscheiding
4 processen om dit te bereiken: ADME
Absorptie/resorptie (opname)
Distributie (verdeling)
Metabolisatie (omzetting)
Eliminatie (uitscheiding)
Fase 1: absorptie/resorptie (opname)
= Een eerste proces dat het GM ondergaat na toediening is de opname in de circulatie
Het actieve bestanddeel (=therapeutische fractie) terechtkomt bij het eindorgaan
Toedieningswijze:
Per os.
Rectaal.
Vaginaal.
Subcutaan
Voorkeur van toedieningswijze hangt af van verschillende voorkeuren:
Soort medicatie
Parentaraal (= rechtstreeks in de bloedbaan)
Geen injectievloeistof afhankelijk chemisch eigenschappen en samenstelling stof
Intra-dermaal
Intra-veneus
Intra- musculair
De plaats waar de werkzame stof zijn werking zal uitoefenen
Plaats al dan niet bereikbaar?
Lokaal? (oog, oor)
Systemisch -> in de bloedbaan, meestal via maagdarmstelsel (bv. hart)
Inwerkingssnelheid
Inwerken na korte tijd toediening via bloedbaan
Medicatie aan buitenzijde lichaam minder snel inwerken (IV tov IM)
Toestand ZO
Kinderen, dementieprofielen, coma en dysfagie hebben moeite om te slikken alternatief zoeken voor tabletten (vb. suppo, injectie, siroop, …)
Gewenste effect op een bepaalde plaats
Lokaal bij wondzorg of insectenbeet
Meestal geen direct verband tussen TW en plaats van werking
Systemisch effect
Uiteindelijke doel: GM moet in de bloedbaan terechtkomen bloed bereikt alle weefsels GM komt in alle cellen terecht
Verdeling in enteraal en parenteraal (= binnen en buiten maagdarmstelsel)
Rechtstreekse toedieningswijze:
= Rechtstreeks en onveranderd aanbrengen op de te behandelen plaats
Lokale of plaatselijke werking
Voordelen
GM komt ongewijzigd op de inwerkingsplaats
Onmiddellijk opvolgen van reacties op inwerkingsplaats
Zeer eenvoudige TW: zalf op wonde, druppel in het oog, …
Complexe TW ook mogelijk: injectie in het hart, in de gewrichtsholte
Onrechtstreekse toedieningswijze:
= systemische of onrechtstreekse toedieningswijze
Toedieningsplaats ≠ beoogde behandelplaats (vb.: suppo bij keelpijn)
Zeer belangrijke omweg vooraleer het GM de inwerkingplaats bereikt
Niet rechtstreeks op inwerkingsplaats wel via bloedbaan naar receptor
Bloed = beste transportmiddel intracellulair
Orale toedieningswijze:
= Inname via de mond
Enteraal/onrechtstreeks
Voordelen
Gemakkelijke TW
Geen infectiegevaar
Nadelen
GM door maagzuur omgezet in een onwerkzame stof
Geen opname door darmslijmvlies van GM
ZO mag/kan geen GM PO nemen
Grotere bijwerkingen
Tijdstip
Volgens doktersvoorschrift
Tijdstip vaak in functie van de maaltijden
Eetlustopwekkend GM vóór de maaltijd
Aanvullend GM tijdens de maaltijd
Andere bepalingen tijdstip toediening:
Werking GM
Resorptiesnelheid GM
Eliminatiesnelheid GM
Doel GM
GM voor de vertering na de maaltijd
Oromucosale en sublinguale toediening
GM in mondholte op bepaalde plaats houden, via vele bloedvaatjes van slijmvlies in het bloed
Enteraal/onrechtstreeks
Voordelen
Gemakkelijke toediningswijze
Snellere werking dan PO directere opname GM in het bloed
Pijnloos en eenvoudig toe te dienen
ZO kan zelf instaan voor zijn medicatie
Geen afbraak mogelijk door maagzuur
Nadelen
Gemakkelijker toedieningsfouten
Niet geschikt voor alle GM en ZO (vb. kinderen)
Tijdstip
Volgens doktersvoorschrift
Rectale toediening
GM via rectum opname door bloedvaatjes van het slijmvlies bloedbaan
Enteraal/onrechtstreekse TW
Voordelen
Gemakkelijke TW
Geen prikangst bij kinderen
Voorkomen van ontbinding door maagzuur
Handig bij ZO die GM PO niet kunnen of mogen innemen,
Geen first-pass effect= niet via de lever
Nadelen
Niet alle GM opname via darmslijmvlies
Onzekerheid hoeveel opname GM t.g.v. onregelmatige en onvolledig absorptie
GM niet betrouwbaar bij diarree
Pijnlijk GM in grote hoeveelheden
Tijdstip
Volgens doktersvoorschrift
Toediening via nasogastrische sonde, PEG-sonde of PEJ-sonde
Via nasogastrische sonde: sonde via neus/mond SD maag
Via PEG-sonde (Percutane Endoscopische Gastrostomie-sonde) of kortweg gastrostomie:
Flexibele slangetje uit 2 schijfvormige plaatjes vastmaken sonde
1e plaatje binnenkant maag preventie uitvallen sonde
2e plaatje: driehoekig + buitenkant tegen buik.
Via PEJ-sonde (Percutane Endoscopische Jejunostomie-sonde) of kortweg jejunostomie:
Stoma op middelste deel van dunne darm (jejunum)
Endoscopie via arts
Sonde niet direct in maag, evt. verder doorschuiven
Enteraal/onrechtstreeks
Voordelen
GM oplossen in water of ander vloeistof door de sonde toedienen (vb. coma)
GM NOOIT oplossen in sondevoeding onzekerheid of ZO volledige dosis krijgt (bezinksel)
Nadelen
Niet alle GM zijn plet- of oplosbaar
Gevaar verstopping sonde altijd goed spoelen vóór en na het toedienen van GM
Tijdstip
Volgens doktersvoorschrift
Toediening via inspuiting
GM via injectie/inspuiting
Parenteraal/ rechtstreeks
Voordelen
Zeer goede TW bij bepaalde ZO (vb. kinderen, coma, onwil GM slikken, dysfagie, …)
Geen afbraak GM via maagzuur
Nadelen
Geen eenvoudige TW geen bevoegdheid voor iedereen noodzakelijk juiste plaatsbepaling!
Niet steriel werken infectiegevaar (= zuivere invasieve handeling)
Uitlokken van pijn en angst
Soms frequentere toediening nodig dan bij PO (snellere resorptie)
Tijdstip
Volgens doktersvoorschrift
Rechtsrteekse inspuitingen
Intra-pleuraal: in de pleuraholte
I.C.: Intra-cardiaal: in de hartspier
Intra-peritoneaal: in het peritoneum of buikvlies
I.L.: Intralumbaal: in het ruggenmergkanaal
Onrechtstreeks inspuitingen
I.V.: intraveneus: inspuiting in de vene
I.A.: intra-arterieel: inspuiting in de arterie
I.M.: intramusculair: inspuiting in de spier
I.D.: intradermaal: inspuiting in de huid
S.C.: subcutaan: onderhuidse inspuiting tragere opname GM minder bloedvaten onderhuids
Toediening via de luchtwegen
Opname GM via de luchtwegen door inademing opname via bloedvaatjes thv longblaasjes verder vervoeren naar de longen
Parenteraal/ rechtstreeks
Voordelen
Gemakkelijke TW
Zeer snelle werking
Geen wijziging van GM bij rechtstreekse TW geen afbraak om via bloedbaan te vervoeren rechtstreekse werking op plaats van gevraagde inwerking
Soms grotere verkrijgbare concentraties dan bij inspuitingen
I.A. Intra-articulair: in de gewrichtsholte
I.O. Intra-osseus: in de beenholte
In een abces
Nadelen
Soms speciaal instrument vereist
Vb: O2 bril, O2 tent, aerosolmasker, puffer, …
Tijdstip
Volgens doktersvoorschrift
Toediening via de huid
Rechtstreekse TW
GM rechtstreeks op de huid aanbrengen inwerking werkzame stof
Percutaan:
Therapie doorheen de ongeschonden huid (Vb. zalf, crème, gel, … Voltaren® gel, Emulgel®, …
Intracutaan:
Therapie in de huid door inkrabben (krassen) of scarificatie (Vb. allergietesten)
Onrechtstreekse TW
Algemene werking GM
Vb.: TTS (Durogesic®)
Parenteraal/ rechtstreeks
Toediening via de slijmvliezen
Tewerkstelling
Via de neus
Via het oog bij aandoeningen van het oogslijmvlies druppels, zalf of gel
Via het oor druppels of zalf
Toediening via de blaas en urethra
Via een katheter spoeling van blaas en de urethra met fysiologisch water of GM
Inwerking GM = blaasinstillatie
Parenteraal
Sublinguaal enteraal!!!
Toediening via de vagina en baarmoeder
Aandoeningen van de vagina of baarmoederslijmvlies
Plaatselijke behandeling door spoelingen met bepaalde vloeistoffen door diep in de vagina inbrengen van GM in tabletvorm of ovules
Parenteraal
Resorptiesnelheid en resorptiefractie:
Resorptiesnelheid = snelheid van de opname van het GM
Resorptiefractie = hoeveelheid opgenomen GM
Passage door de lever
Orale GM opname via maag of darmvlokken
Na opname in het bloed GM passeert eerst de lever
Lever belangrijke rol in omzetting en afbraak vreemde stoffen waaronder GM
Direct na de opname onwerkzaam maken van een deel van het GM door omzetting in afbraakstof = first-pass effect
Biologische beschikbaarheid minder dan 100% van oorspronkelijk GM in het bloed wordt verspreid over verschillende weefsels, enkel bij IV 100% beschikbaar in het bloed
Na opname GM vervoert naar weefsels over het hele lichaam
Elk GM eigen voorkeur voor bepaalde organen en weefsels
Fase 2: distributie
= proces waardoor het GM via het bloed over het lichaam wordt verspreid
Via het bloed werkzame stof bereikt weefsels
De verdeling extracellulair of intracellulair.
Opgenomen GM in de circulatie homogene verspreiding GM over lichaam
Distributie voor ouderen:
Tijdens verouderingsproces % vetweefsel ↑ in verhouding met de totale hoeveelheid lichaamswater
Gevolgen
Voor de verdeling van GM over verschillende weefsels en voor de eliminatietijd
Een lipofiele stof (zoals diazepam) groter verdelingsvolume
de stof cumuleert in vetweefsel
eliminatiehalfwaardetijd ↑
Gevolg
Langere werking en bijwerking na stoppen van GM
Een hydrofiele stof kleiner verdelingsvolume
noodzakelijke oplaaddosis
Biologische beschikbaarheid:
Geeft het percentage (of de hoeveelheid) van een toegediende of ingenomen stof aan die uiteindelijk in de bloedbaan terechtkomt en dus ‘beschikbaar’ is op de benodigde plek(ken) in het lichaam
Fase 3: metabolisering (= omzetting)
Nauwelijks onmogelijk onveranderd GM passeert de lever
Het metabolisme van GM voornamelijk in de lever
Door stapsgewijze omzetting (= biotransformatie)
Metabolieten (= stofwisselingsproducten)
Halfwaardetijd:
= tijd dat een hoeveelheid GM nodig heeft in het bloed om tot de helft te verminderen
Verschilt van GM tot GM
Variatie van uur tot enkele dagen
Bepaald door snelheid:
Van de lever bij omzetting GM
Van de nieren bij eliminatie GM
Metabolisatie bij ouderen:
Afname volume lever
Gevolg: afname totale capaciteit van de lever om stoffen om te zetten
Gevolgen per ZO en per GM niet goed voorspelbaar
Cumulatie:
= ophoping van de GM
Fase 4: eliminatie (= uitscheiding)
Door stofwisseling en excretie verwijdering GM
In de lever GM uit bloed gehaald omgezet in
Wateroplosbaar afbraakproduct (= hydrofiel)
Uitscheiding via de nieren
Vet oplosbaar afbraakproduct (= lipofiel)
Uitscheiding via de gal naar darmen
Eliminatie bij de ouderen:
Nierfunctie neemt af
2. Zuurstoftherapie
Bepaling
Zuurstof is een vitaal gas en is geur- en kleurloos
Zuurstofwisseling:
Zuurstof in lichaam via ademhaling longen nemen zuurstof op via bloed naar lichaam/weefsels/cellen
In lichaam omzetting zuurstof naar energie vrijkomen van afvalstoffen zoals koolzuurgas of koolstofdioxide = CO2
Afvalstoffen (o.a. CO2) naar bloed naar longen uitademen
Indicaties
Saturatie = weergave zuurstofgehalte bloed normaalwaarden 95%-100%
Hypoxemie= laag zuurstofgehalte in het bloed
Hypoxie= laag zuurstofgehalte in de weefsels
Volgende oorzaken kunnen leiden tot een te lage saturatiewaarde:
Slechte staat van de ademhalingswegen door longziekten
Bv: COPD, astma, longCa, …
Slechte staat van de bloedsomloop door hartziekten
Bv: angina pectoris, myocardinfarct, …
Slechte samenstelling van het bloed
Bv: anemie, …
Slechte samenstelling van de ingeademde lucht
Bv: CO-intoxicatie, smog, …
Belangrijke begrippen en medische termen
Symptomen zuurstoftekort:
Hypoxemie
Sufheid
Vergeetachtigheid
Carbonnarcose
Zie schema
Symptomen:
Zwakke bradypnoe
Hoofdpijn
Slaperigheid = lethargie
Onduidelijke spraak
Apnoe en coma
Bronnen van zuurstoftherapie
Zuurstofcilinder
Zuurstofconcentrator
Vloeibare zuurstof
Toedienen van zuurstof
Via zuurstofbril (= neusbril)
Voordeel:
Goedkoop en eenvoudig: ZO kan zelf neusbril aan- en afzetten
Niet-invasieve manier om extra zuurstof toe te dienen
Nadeel:
Veel en gemakkelijk O2 verlies toegediende O2 stroomt terug uit de neusgaten
Via Zuurstofmasker
Voordeel:
Sluit goed aan rond de neus en mond
Geschikt voor grotere zuurstoftoediening
Nadeel:
Zuurstoftoediening via masker irritatie van de ogen
Optiflow
Voordeel:
Opdrijven O2 toediening zodat ZO op dat moment 100% toegediende 02 inademt
Zet de luchtwegen zeer goed open
Preventieve maatregelen bij gebruik van zuurstoftherapie
Zuurstofbril of masker regelmatig vervangen
Gezicht van de ZO regelmatig laten verfrissen
Comfortabele houding van de ZO
Extra aandacht bij ZO met slaapmedicatie of pijnstillers
Veiligheidsvoorschriften
Geen katoenen kledij
Brandgevaar
Nooit roken bij zuurstofgebruik
Irritatie aan neus geen vaseline
Korsten verwijderen met fysiologisch water
Nooit plaatsen in omgeving warmtebron of ontstekingsbron
Geen haarspray of parfum in buurt van een warmtebron
Vloeibare zuurstof niet aanraken van bevroren onderdelen bij basiseenheid en onderaan bij draagbare eenheid CAVE-vrieswonden
Keuze
Verwardheid
Onrustig slapen
Gestoorde slaap
Keuze van de ZO
Overweging van de behandelende arts
Mobiliteit van de ZO
Financiële mogelijkheden
3. Inhalatietherapie
Bepaling
= manier om GM op een eenvoudige manier toe te dienen
Onder de vorm van aerosolen
Vast deeltje of druppeltjes gedragen door drijfgas of lucht
Waarom inhalatietherapie
Snel effect
Eenvoudige toediening
Weinig systemische nevenwerkingen
Veel lagere dosissen om hetzelfde effect te krijgen dan bij toedieningen PO of IV
Direct inwerken op juiste plaats in lichaam van afgifte
Indicaties
Bronchodilaterend bij luchtwegobstructie (COPD)
Bv: Ventolin®
Preventieve, beschermende of onderdrukkende werking van ontstekingsreacties bij astma
Bv: Pulmicort®
Mucolytica bij chronische bronchitis
Bv: Lysomucil®
AB bij patiënten met resistente luchtweginfecties (mucovisidose)
Bv: Geomycine® voorlopig onbeschikbaar in België -
farmacon gentamycine wel nog verkrijgbaar
Basisprincipes:
Zo nodig procedure herhalen
Apparaat rechtop houden
Hoofd ZO achteroverbuigen
ZO erna rustig uitademen door de mond
Toestel sluiten + bewaren op droge en koele plaats
Zorgvuldig lezen van bijsluiter voor elke nieuw gebruik
Krachtig schudden toestel indien nodig (zie bijsluiter)
Inhalatietoestellen
Dosisaërosol
Zonder voorzetkamer:
Voordelen
Compact
Goedkoop
Handig in gebruik
Hygiënisch – geen contaminatie
Nadelen
Hand-ademcoördinatie
Drijfgas
Geen dosisteller
Voorbeelden
Zakverstuiver
Autoinhaler
Met voorzetkamer:
Voordelen
Vertraging van deeltjes → daling impactie
Vermindering van diameter deeltjes tgv verdamping van oplossing → Betere penetratie in luchtwegen
Mindere afkoeling → van orofaryngale mucosa door verdamping van drijfgas
Niet op hetzelfde moment dosisaerosol activeren en inademen
Voorzien van 1-richtingsklep
Nadelen
Grote afmetingen → bemoeilijkt transport
Je moet het apparaat goed onderhouden
Poederinhalator
= GM is zuiver poeder of aggregaat met lactose als draagstof in capsule of meerdosissysteem
Soorten:
Single dose
GM verpakt in individuele capsules
Capsules plaatsen in inhalator + doorprikken → openen capsule
Bij elke inhalatie → nieuwe capsule insteken (2 inhalaties om capsule leeg te krijgen)
Multiple dose
GM opgeslagen in reservoir → niet telkens herladen
Dosisindicator aanwezig → dosisteller
Voordelen:
Geen hand-ademcoördinatie
Geen drijfgas
Dosisteller
Nadelen:
ZO → snelle en diepe inademing vereist → voldoende inspiratoire flow
Single-doses → telkens herladen na gebruik
Bij elke dosis → kleine afgifte hoeveelheid GM
Vernevelaars
= Apparaten mbv luchtstroom of ultratonen → waterige GM-oplossing + eventueel aangelengd met fysiologisch water → omzetten in aerosol
Via mondstuk of neusmondmasker → Nevel in zeer kleine partikeltjes via inhalatie in de luchtwegen
Vraagt weinig inspanning
Geen leiding- of flessenwater → zeer prikkelend voor luchtwegen
Minimum 3 tot 4ml vloeistof → CAVE medicatieverlies in vernevelpotje (reservoir), mondstuk of masker → evt. aanlengen met fysiologisch water
Voordelen:
Meer passief
Verschillende medicaties samen vernevelen
Hoge dosissen
Samen met zuurstof
Nadelen:
Vereist externe krachtbronnen
Omslachtige voorbereiding
Lange verneveltijd 10min
Weinig efficiënt
Luidruchtige apparaten
Hoge dosissen
Toediening:
ZO recht opzittende houding
Masker over mond en neus of omsluit het mondstuk met de lippen
Hoofd ZO lichtjes achteroverbuigen
Rustig in- en uitademen
ZO begeleiden en observeren
Mond spoelen met water → CAVE-schimmelinfecties!
Veelvoorkomende fouten:
Niet lang genoeg vernevelen
Doseerfouten bij klaarmaken GM
Onvoldoende perslucht (min. 6l/min)
Tijdens verneveling → hoofd vooroverbuigen
Geen mondspoeling na inhalatie met ICS
Gebruik van slechte of verouderde vernevelsysteem