Farmacologie

Farmacologie

1. Polyfarmacie

  • 1.1 Wat?

    • Gebruik van 5 of meer geneesmiddelen (GM).

    • Komt veel voor bij ouderen met meerdere aandoeningen.

    • Criteria binnen het geriatrisch profiel:

      • Aanwezigheid van polypathologie (astma, COPD, hartlijden, diabetes type 2, …).

      • Aanwezigheid van cognitieve stoornissen (NAH, dementieel beeld, …).

      • Valproblematiek (Parkinson, CVA, …).

      • Beperkte sociale ondersteuning (alleenstaand zonder (klein)kinderen, …).

  • Meerdere GM tegelijk nemen verhoogt de interactie:

    • Interacties.

    • Bijwerkingen.

    • Therapieontrouw

  • Impact

    • GM kan de opname, de afbraak en/of de uitscheiding van een ander GM beïnvloeden.

      • Gevolg!

        • Onvoldoende werking.

        • Toxische ophoping (cumulatie).

        • Elkaars werking in positieve of negatieve zin beïnvloeden.

    • Grote impact op:

      • Therapietrouw, meer interacties tussen GM, meer medicatiefouten.

  • Gevolgen polyfarmacie bij oudere personen:

    • Meer valaccidenten, heupfracturen, verwardheid.

    • Nierinsufficiëntie.

    • Delirium.

  • Oorzaken: aanwezigheid van enkele risicofactoren:

    • Verminderde nierfunctie → cumulatie → meer bijwerkingen of meer toxische verschijnselen.

    • Cognitieve stoornissen → meer vergeetachtig of dementie → verkeerde inname medicatie → foutief tijdstip, foutieve toedieningswijze, foutief GM en/of posologie, …

    • Groter valrisico → medicatie vergroot risico op verminderd reactiesnelheid, verminderd zicht, …

    • Acute hospitalisatie → evt. doorgeven verkeerde info over hun GM o.w.v. bruusk wegvallen structuur.

  • Indicaties:

    • Hypertensie.

    • Angina pectoris.

    • Hartfalen.

    • Slaapstoornissen.

  • Omgaan met polyfarmacie:

    • Hoe?

      • Regelmatig het GM-profiel van de zorgontvanger (ZO) evalueren.

      • Therapieën afbouwen of stoppen waar mogelijk.

    • Belangrijke rol als verpleegkundige (VPK):

      • Functie: totaaloverzicht van ZO hebben en de belangen van ZO behartigen.

      • Bij twijfel: huisarts (HA) of behandelend arts (BA) consulteren.

      • GEEN bevoegdheid dosis zelf aan te passen!!

      • Essentieel: interdisciplinaire samenwerking!

1. Farmacotherapeutische processen

  • Farmacodynamiek: wat het GM doet met het lichaam -> werking van het GM.

    • Hoe specifieker een GM is voor zijn aangrijpingspunt, hoe lager het risico op bijwerkingen.

    • Eiwitten als aangrijpingspunt.

      • Geneesmiddelen binden zich met de cellen

        • Werken op cellulair niveau

        • Op elke cel zitten eiwitten waar het GM aan bindt

      • In lichaam  zeer veel verschillende soorten eiwitten met eigen specifieke bouw en taak

      • Ieder orgaan en weefsel heeft een eiwit specifiek voor dat orgaan en weefsel:

        • = als GM op een bepaald soort eiwit aangrijpt  GM werkt op dat specifiek orgaan of weefsel

      • Sommige eiwitten die je met GM wil behandelen worden soms ook aangetroffen bij andere organen en weefsels

        • Mogelijks problemen omdat GM ook aan de eiwitten in die weefsels kunnen binden

          • Ongewenste bijwerkingen!

          • Vb: Bisoprolol is RR verlagend maar werken ook op stresshormoon  Bijwerking vermoeidheid of indien COPD en bèta-blokker  kortademigheid!

  • Bijwerkingen

    • Gewenst of ongewenst

    • Elke ZO reageert anders

    • Oorzaken:

      • Grootste deel identieke bouw, ook specifieke en unieke deeltjes van lichaamseiwitten

      • Opname – metabolisatie – uitscheiding  afhankelijk van vb. leeftijd – ziekten

      • Leeftijd – lengte – gewicht – genetica (cfr. Antihypertensivum  hypotensie)

      • Inwerking op verkeerd aangrijpingspunt (eiwitten)  bijwerkingen

    • CAVE-combinaties:

      • Alcohol

      • Pompelmoes  Zorgt voor meer bijwerkingen  Beïnvloed de werking  Meer kans op allergische reacties

      • Zuivelproducten

      • Koffie en thee (cafeïne)

  • Farmacodynamiek bij ouderen

    • Gevoeligheid receptoren voor sommige GM ↓ (vb. insuline).

    • Gevoeligheid receptoren voor sommige GM ↑ (vb. psychofarmaca).

    • Aandacht voor nier- en leverinsufficiëntie!

    • Vaak tegelijk meerdere (chronische) aandoeningen → meerdere (chronische) GM → Kans op interacties en bijwerkingen ↑.

    • Bijkomend probleem: symptoommaskering, of –omkering of –armoede:

      • Bemoeilijkt diagnosestelling.

      • Bemoeilijkt evaluatie van (on)gewenste werking van GM

  • farmacokinetiek: wat het lichaam met het GM doe -> weg van inname tot uitscheiding

    • 4 processen om dit te bereiken: ADME

      • Absorptie/resorptie (opname)

      • Distributie (verdeling)

      • Metabolisatie (omzetting)

      • Eliminatie (uitscheiding)

  • Fase 1: absorptie/resorptie (opname)

    • = Een eerste proces dat het GM ondergaat na toediening is de opname in de circulatie

      • Het actieve bestanddeel (=therapeutische fractie) terechtkomt bij het eindorgaan

    • Toedieningswijze:

      • Per os.

      • Rectaal.

      • Vaginaal.

      • Subcutaan

    • Voorkeur van toedieningswijze hangt af van verschillende voorkeuren:

      • Soort medicatie

        • Parentaraal (= rechtstreeks in de bloedbaan)

        • Geen injectievloeistof  afhankelijk chemisch eigenschappen en samenstelling stof

          • Intra-dermaal

          • Intra-veneus

          • Intra- musculair

      • De plaats waar de werkzame stof zijn werking zal uitoefenen

        • Plaats al dan niet bereikbaar?

        • Lokaal? (oog, oor)

        • Systemisch -> in de bloedbaan, meestal via maagdarmstelsel (bv. hart)

      • Inwerkingssnelheid

        • Inwerken na korte tijd toediening  via bloedbaan

        • Medicatie aan buitenzijde lichaam  minder snel inwerken (IV tov IM)

      • Toestand ZO

        • Kinderen, dementieprofielen, coma en dysfagie hebben moeite om te slikken  alternatief zoeken voor tabletten (vb. suppo, injectie, siroop, …)

      • Gewenste effect op een bepaalde plaats

        • Lokaal bij wondzorg of insectenbeet

        • Meestal geen direct verband tussen TW en plaats van werking

      • Systemisch effect

        • Uiteindelijke doel: GM moet in de bloedbaan terechtkomen  bloed bereikt alle weefsels  GM komt in alle cellen terecht

      • Verdeling in enteraal en parenteraal (= binnen en buiten maagdarmstelsel)

  • Rechtstreekse toedieningswijze:

    • = Rechtstreeks en onveranderd aanbrengen op de te behandelen plaats

      • Lokale of plaatselijke werking

      • Voordelen

        • GM komt ongewijzigd op de inwerkingsplaats

        • Onmiddellijk opvolgen van reacties op inwerkingsplaats

        • Zeer eenvoudige TW: zalf op wonde, druppel in het oog, …

        • Complexe TW ook mogelijk: injectie in het hart, in de gewrichtsholte

  • Onrechtstreekse toedieningswijze:

    • = systemische of onrechtstreekse toedieningswijze

      • Toedieningsplaats ≠ beoogde behandelplaats (vb.: suppo bij keelpijn)

      • Zeer belangrijke omweg vooraleer het GM de inwerkingplaats bereikt

      • Niet rechtstreeks op inwerkingsplaats  wel via bloedbaan naar receptor

      • Bloed = beste transportmiddel  intracellulair

  • Orale toedieningswijze:

    • = Inname via de mond

      • Enteraal/onrechtstreeks

      • Voordelen

        • Gemakkelijke TW

        • Geen infectiegevaar

      • Nadelen

        • GM  door maagzuur omgezet in een onwerkzame stof

        • Geen opname door darmslijmvlies van GM

        • ZO mag/kan geen GM PO nemen

        • Grotere bijwerkingen

      • Tijdstip

        • Volgens doktersvoorschrift

        • Tijdstip vaak in functie van de maaltijden

          • Eetlustopwekkend GM vóór de maaltijd

          • Aanvullend GM tijdens de maaltijd

        • Andere bepalingen tijdstip toediening:

          • Werking GM

          • Resorptiesnelheid GM

          • Eliminatiesnelheid GM

          • Doel GM

          • GM voor de vertering  na de maaltijd

  • Oromucosale en sublinguale toediening

    • GM in mondholte op bepaalde plaats houden, via vele bloedvaatjes van slijmvlies in het bloed

      • Enteraal/onrechtstreeks

      • Voordelen

        • Gemakkelijke toediningswijze

        • Snellere werking dan PO  directere opname GM in het bloed

        • Pijnloos en eenvoudig toe te dienen

        • ZO kan zelf instaan voor zijn medicatie

        • Geen afbraak mogelijk door maagzuur

      • Nadelen

        • Gemakkelijker toedieningsfouten

        • Niet geschikt voor alle GM en ZO (vb. kinderen)

      • Tijdstip

        • Volgens doktersvoorschrift

  • Rectale toediening

    • GM via rectum  opname door bloedvaatjes van het slijmvlies  bloedbaan

      • Enteraal/onrechtstreekse TW

      • Voordelen

        • Gemakkelijke TW

        • Geen prikangst bij kinderen

        • Voorkomen van ontbinding door maagzuur

        • Handig bij ZO die GM PO niet kunnen of mogen innemen,

        • Geen first-pass effect= niet via de lever

      • Nadelen

        • Niet alle GM opname via darmslijmvlies

        • Onzekerheid hoeveel opname GM t.g.v. onregelmatige en onvolledig absorptie

        • GM niet betrouwbaar bij diarree

        • Pijnlijk GM in grote hoeveelheden

      • Tijdstip

        • Volgens doktersvoorschrift

  • Toediening via nasogastrische sonde, PEG-sonde of PEJ-sonde

    • Via nasogastrische sonde: sonde via neus/mond  SD  maag

    • Via PEG-sonde (Percutane Endoscopische Gastrostomie-sonde) of kortweg gastrostomie:

      • Flexibele slangetje uit 2 schijfvormige plaatjes  vastmaken sonde

        • 1e plaatje binnenkant maag  preventie uitvallen sonde

        • 2e plaatje: driehoekig + buitenkant tegen buik.

    • Via PEJ-sonde (Percutane Endoscopische Jejunostomie-sonde) of kortweg jejunostomie:

      • Stoma op middelste deel van dunne darm (jejunum)

      • Endoscopie via arts

      • Sonde niet direct in maag, evt. verder doorschuiven

      • Enteraal/onrechtstreeks

      • Voordelen

        • GM oplossen in water of ander vloeistof door de sonde toedienen (vb. coma)

        • GM NOOIT oplossen in sondevoeding  onzekerheid of ZO volledige dosis krijgt (bezinksel)

      • Nadelen

        • Niet alle GM zijn plet- of oplosbaar

        • Gevaar verstopping sonde  altijd goed spoelen vóór en na het toedienen van GM

      • Tijdstip

        • Volgens doktersvoorschrift

  • Toediening via inspuiting

    • GM via injectie/inspuiting

      • Parenteraal/ rechtstreeks

      • Voordelen

        • Zeer goede TW bij bepaalde ZO (vb. kinderen, coma, onwil GM slikken, dysfagie, …)

        • Geen afbraak GM via maagzuur

      • Nadelen

        • Geen eenvoudige TW  geen bevoegdheid voor iedereen  noodzakelijk juiste plaatsbepaling!

        • Niet steriel werken  infectiegevaar (= zuivere invasieve handeling)

        • Uitlokken van pijn en angst

        • Soms frequentere toediening nodig dan bij PO (snellere resorptie)

      • Tijdstip

        • Volgens doktersvoorschrift

  • Rechtsrteekse inspuitingen

    • Intra-pleuraal: in de pleuraholte

    • I.C.: Intra-cardiaal: in de hartspier

    • Intra-peritoneaal: in het peritoneum of buikvlies

    • I.L.: Intralumbaal: in het ruggenmergkanaal

  • Onrechtstreeks inspuitingen

    • I.V.: intraveneus: inspuiting in de vene

    • I.A.: intra-arterieel: inspuiting in de arterie

    • I.M.: intramusculair: inspuiting in de spier

    • I.D.: intradermaal: inspuiting in de huid

    • S.C.: subcutaan: onderhuidse inspuiting  tragere opname GM  minder bloedvaten onderhuids

  • Toediening via de luchtwegen

    • Opname GM via de luchtwegen door inademing  opname via bloedvaatjes thv longblaasjes  verder vervoeren naar de longen

      • Parenteraal/ rechtstreeks

      • Voordelen

        • Gemakkelijke TW

        • Zeer snelle werking

        • Geen wijziging van GM bij rechtstreekse TW  geen afbraak om via bloedbaan te vervoeren  rechtstreekse werking op plaats van gevraagde inwerking

        • Soms grotere verkrijgbare concentraties dan bij inspuitingen

    • I.A. Intra-articulair: in de gewrichtsholte

    • I.O. Intra-osseus: in de beenholte

    • In een abces

    • Nadelen

      • Soms speciaal instrument vereist

        • Vb: O2 bril, O2 tent, aerosolmasker, puffer, …

      • Tijdstip

        • Volgens doktersvoorschrift

  • Toediening via de huid

    • Rechtstreekse TW

      • GM rechtstreeks op de huid aanbrengen  inwerking werkzame stof

        • Percutaan:

          • Therapie doorheen de ongeschonden huid (Vb. zalf, crème, gel, …  Voltaren® gel, Emulgel®, …

        • Intracutaan:

          • Therapie in de huid door inkrabben (krassen) of scarificatie (Vb. allergietesten)

    • Onrechtstreekse TW

      • Algemene werking GM

        • Vb.: TTS (Durogesic®)

      • Parenteraal/ rechtstreeks

  • Toediening via de slijmvliezen

    • Tewerkstelling

      • Via de neus

      • Via het oog  bij aandoeningen van het oogslijmvlies  druppels, zalf of gel

      • Via het oor  druppels of zalf

  • Toediening via de blaas en urethra

    • Via een katheter  spoeling van blaas en de urethra met fysiologisch water of GM

      • Inwerking GM = blaasinstillatie

      • Parenteraal

      • Sublinguaal  enteraal!!!

  • Toediening via de vagina en baarmoeder

    • Aandoeningen van de vagina of baarmoederslijmvlies

      • Plaatselijke behandeling door spoelingen met bepaalde vloeistoffen door diep in de vagina inbrengen van GM in tabletvorm of ovules

      • Parenteraal

  • Resorptiesnelheid en resorptiefractie:

    • Resorptiesnelheid = snelheid van de opname van het GM

    • Resorptiefractie = hoeveelheid opgenomen GM

  • Passage door de lever

    • Orale GM  opname via maag of darmvlokken

      • Na opname in het bloed  GM passeert eerst de lever

        • Lever  belangrijke rol in omzetting en afbraak vreemde stoffen waaronder GM

        • Direct na de opname  onwerkzaam maken van een deel van het GM  door omzetting in afbraakstof = first-pass effect

          • Biologische beschikbaarheid  minder dan 100% van oorspronkelijk GM in het bloed wordt verspreid over verschillende weefsels, enkel bij IV 100% beschikbaar in het bloed

        • Na opname GM  vervoert naar weefsels over het hele lichaam

        • Elk GM  eigen voorkeur voor bepaalde organen en weefsels

  • Fase 2: distributie

    • = proces waardoor het GM via het bloed over het lichaam wordt verspreid

      • Via het bloed  werkzame stof bereikt weefsels

        • De verdeling  extracellulair of intracellulair.

        • Opgenomen GM in de circulatie  homogene verspreiding GM over lichaam

  • Distributie voor ouderen:

    • Tijdens verouderingsproces  % vetweefsel ↑ in verhouding met de totale hoeveelheid lichaamswater

    • Gevolgen

      • Voor de verdeling van GM over verschillende weefsels en voor de eliminatietijd

        • Een lipofiele stof (zoals diazepam)  groter verdelingsvolume

          • de stof cumuleert in vetweefsel

          • eliminatiehalfwaardetijd ↑

            • Gevolg

              • Langere werking en bijwerking na stoppen van GM

        • Een hydrofiele stof  kleiner verdelingsvolume

          • noodzakelijke oplaaddosis

  • Biologische beschikbaarheid:

    • Geeft het percentage (of de hoeveelheid) van een toegediende of ingenomen stof aan die uiteindelijk in de bloedbaan terechtkomt en dus ‘beschikbaar’ is op de benodigde plek(ken) in het lichaam

  • Fase 3: metabolisering (= omzetting)

    • Nauwelijks onmogelijk  onveranderd GM passeert de lever

      • Het metabolisme van GM  voornamelijk in de lever

        • Door stapsgewijze omzetting (= biotransformatie)

          • Metabolieten (= stofwisselingsproducten)

  • Halfwaardetijd:

    • = tijd dat een hoeveelheid GM nodig heeft in het bloed om tot de helft te verminderen

      • Verschilt van GM tot GM

      • Variatie van uur tot enkele dagen

      • Bepaald door snelheid:

        • Van de lever bij omzetting GM

        • Van de nieren bij eliminatie GM

  • Metabolisatie bij ouderen:

    • Afname volume lever

      • Gevolg: afname totale capaciteit van de lever om stoffen om te zetten

        • Gevolgen per ZO en per GM niet goed voorspelbaar

  • Cumulatie:

    • = ophoping van de GM

  • Fase 4: eliminatie (= uitscheiding)

    • Door stofwisseling en excretie  verwijdering GM

      • In de lever  GM uit bloed gehaald  omgezet in

        • Wateroplosbaar afbraakproduct (= hydrofiel)

          • Uitscheiding via de nieren

        • Vet oplosbaar afbraakproduct (= lipofiel)

          • Uitscheiding via de gal naar darmen

  • Eliminatie bij de ouderen:

    • Nierfunctie neemt af

2. Zuurstoftherapie

  • Bepaling

    • Zuurstof is een vitaal gas en is geur- en kleurloos

  • Zuurstofwisseling:

    • Zuurstof in lichaam  via ademhaling  longen nemen zuurstof op  via bloed  naar lichaam/weefsels/cellen

      • In lichaam  omzetting zuurstof naar energie  vrijkomen van afvalstoffen zoals koolzuurgas of koolstofdioxide = CO2

      • Afvalstoffen (o.a. CO2) naar bloed  naar longen  uitademen

  • Indicaties

    • Saturatie = weergave zuurstofgehalte bloed  normaalwaarden 95%-100%

    • Hypoxemie= laag zuurstofgehalte in het bloed

    • Hypoxie= laag zuurstofgehalte in de weefsels

      • Volgende oorzaken kunnen leiden tot een te lage saturatiewaarde:

        • Slechte staat van de ademhalingswegen door longziekten

          • Bv: COPD, astma, longCa, …

        • Slechte staat van de bloedsomloop door hartziekten

          • Bv: angina pectoris, myocardinfarct, …

        • Slechte samenstelling van het bloed

          • Bv: anemie, …

        • Slechte samenstelling van de ingeademde lucht

          • Bv: CO-intoxicatie, smog, …

  • Belangrijke begrippen en medische termen

  • Symptomen zuurstoftekort:

    • Hypoxemie

    • Sufheid

    • Vergeetachtigheid

  • Carbonnarcose

    • Zie schema

    • Symptomen:

      • Zwakke bradypnoe

      • Hoofdpijn

      • Slaperigheid = lethargie

      • Onduidelijke spraak

      • Apnoe en coma

  • Bronnen van zuurstoftherapie

    • Zuurstofcilinder

    • Zuurstofconcentrator

    • Vloeibare zuurstof

  • Toedienen van zuurstof

    • Via zuurstofbril (= neusbril)

      • Voordeel:

        • Goedkoop en eenvoudig: ZO kan zelf neusbril aan- en afzetten

        • Niet-invasieve manier om extra zuurstof toe te dienen

      • Nadeel:

        • Veel en gemakkelijk O2 verlies  toegediende O2 stroomt terug uit de neusgaten

    • Via Zuurstofmasker

      • Voordeel:

        • Sluit goed aan rond de neus en mond

        • Geschikt voor grotere zuurstoftoediening

      • Nadeel:

        • Zuurstoftoediening via masker  irritatie van de ogen

    • Optiflow

      • Voordeel:

        • Opdrijven O2 toediening zodat ZO op dat moment 100% toegediende 02 inademt

        • Zet de luchtwegen zeer goed open

  • Preventieve maatregelen bij gebruik van zuurstoftherapie

    • Zuurstofbril of masker regelmatig vervangen

    • Gezicht van de ZO regelmatig laten verfrissen

    • Comfortabele houding van de ZO

    • Extra aandacht bij ZO met slaapmedicatie of pijnstillers

  • Veiligheidsvoorschriften

    • Geen katoenen kledij

    • Brandgevaar

    • Nooit roken bij zuurstofgebruik

    • Irritatie aan neus  geen vaseline

    • Korsten verwijderen met fysiologisch water

    • Nooit plaatsen in omgeving warmtebron of ontstekingsbron

    • Geen haarspray of parfum in buurt van een warmtebron

    • Vloeibare zuurstof  niet aanraken van bevroren onderdelen bij basiseenheid en onderaan bij draagbare eenheid  CAVE-vrieswonden

  • Keuze

    • Verwardheid

    • Onrustig slapen

    • Gestoorde slaap

    • Keuze van de ZO

    • Overweging van de behandelende arts

    • Mobiliteit van de ZO

    • Financiële mogelijkheden

3. Inhalatietherapie

  • Bepaling

    • = manier om GM op een eenvoudige manier toe te dienen

      • Onder de vorm van aerosolen

        • Vast deeltje of druppeltjes  gedragen door drijfgas of lucht

  • Waarom inhalatietherapie

    • Snel effect

    • Eenvoudige toediening

    • Weinig systemische nevenwerkingen

    • Veel lagere dosissen om hetzelfde effect te krijgen dan bij toedieningen PO of IV

      • Direct inwerken op juiste plaats in lichaam van afgifte

  • Indicaties

    • Bronchodilaterend bij luchtwegobstructie (COPD)

      • Bv: Ventolin®

    • Preventieve, beschermende of onderdrukkende werking van ontstekingsreacties bij astma

      • Bv: Pulmicort®

    • Mucolytica bij chronische bronchitis

      • Bv: Lysomucil®

    • AB bij patiënten met resistente luchtweginfecties (mucovisidose)

      • Bv: Geomycine®  voorlopig onbeschikbaar in België -

        • farmacon gentamycine wel nog verkrijgbaar

  • Basisprincipes:

    • Zo nodig procedure herhalen

    • Apparaat rechtop houden

    • Hoofd ZO achteroverbuigen

    • ZO erna rustig uitademen door de mond

    • Toestel sluiten + bewaren op droge en koele plaats

    • Zorgvuldig lezen van bijsluiter voor elke nieuw gebruik

    • Krachtig schudden toestel indien nodig (zie bijsluiter)

  • Inhalatietoestellen

    • Dosisaërosol

      • Zonder voorzetkamer:

        • Voordelen

          • Compact

          • Goedkoop

          • Handig in gebruik

          • Hygiënisch – geen contaminatie

        • Nadelen

          • Hand-ademcoördinatie

          • Drijfgas

          • Geen dosisteller

        • Voorbeelden

          • Zakverstuiver

          • Autoinhaler

      • Met voorzetkamer:

        • Voordelen

          • Vertraging van deeltjes → daling impactie

          • Vermindering van diameter deeltjes tgv verdamping van oplossing → Betere penetratie in luchtwegen

          • Mindere afkoeling → van orofaryngale mucosa door verdamping van drijfgas

          • Niet op hetzelfde moment dosisaerosol activeren en inademen

            • Voorzien van 1-richtingsklep

        • Nadelen

          • Grote afmetingen → bemoeilijkt transport

          • Je moet het apparaat goed onderhouden

    • Poederinhalator

      • = GM is zuiver poeder of aggregaat met lactose als draagstof in capsule of meerdosissysteem

      • Soorten:

        • Single dose

          • GM verpakt in individuele capsules

          • Capsules plaatsen in inhalator + doorprikken → openen capsule

          • Bij elke inhalatie → nieuwe capsule insteken (2 inhalaties om capsule leeg te krijgen)

        • Multiple dose

          • GM opgeslagen in reservoir → niet telkens herladen

          • Dosisindicator aanwezig → dosisteller

      • Voordelen:

        • Geen hand-ademcoördinatie

        • Geen drijfgas

        • Dosisteller

      • Nadelen:

        • ZO → snelle en diepe inademing vereist → voldoende inspiratoire flow

        • Single-doses → telkens herladen na gebruik

        • Bij elke dosis → kleine afgifte hoeveelheid GM

    • Vernevelaars

      • = Apparaten mbv luchtstroom of ultratonen → waterige GM-oplossing + eventueel aangelengd met fysiologisch water → omzetten in aerosol

        • Via mondstuk of neusmondmasker → Nevel in zeer kleine partikeltjes via inhalatie in de luchtwegen

        • Vraagt weinig inspanning

        • Geen leiding- of flessenwater → zeer prikkelend voor luchtwegen

        • Minimum 3 tot 4ml vloeistof → CAVE medicatieverlies in vernevelpotje (reservoir), mondstuk of masker → evt. aanlengen met fysiologisch water

        • Voordelen:

          • Meer passief

          • Verschillende medicaties samen vernevelen

          • Hoge dosissen

          • Samen met zuurstof

        • Nadelen:

          • Vereist externe krachtbronnen

          • Omslachtige voorbereiding

          • Lange verneveltijd 10min

          • Weinig efficiënt

          • Luidruchtige apparaten

          • Hoge dosissen

    • Toediening:

      • ZO recht opzittende houding

      • Masker over mond en neus of omsluit het mondstuk met de lippen

      • Hoofd ZO lichtjes achteroverbuigen

      • Rustig in- en uitademen

      • ZO begeleiden en observeren

      • Mond spoelen met water → CAVE-schimmelinfecties!

      • Veelvoorkomende fouten:

        • Niet lang genoeg vernevelen

        • Doseerfouten bij klaarmaken GM

        • Onvoldoende perslucht (min. 6l/min)

        • Tijdens verneveling → hoofd vooroverbuigen

        • Geen mondspoeling na inhalatie met ICS

        • Gebruik van slechte of verouderde vernevelsysteem

4. Vacc