Encyclopedische Studiegids: Politieke Geschiedenis van België (1830-2022)

De Achtergrond en de Aanloop naar de Belgische Revolutie van 18301830

De Belgische Revolutie kan niet los worden gezien van de internationale context, in het bijzonder de invloed van de Atlantische revolutiegolf en de Julirevolutie in Frankrijk. Waar Frankrijk in juli 18301830 de Bourbon-dynastie zag sneuvelen, vond de overslag naar de Zuidelijke Nederlanden plaats in augustus 18301830. De politieke omwenteling die in Frankrijk begon, was bedoeld om de machthebbers van het Ancien Régime te verdrijven en bracht een conflict teweeg dat een generatie lang de Europese politiek zou domineren. De zogenaamde Heilige Alliantie, bestaande uit de conservatieve grootmachten Rusland, Oostenrijk en Pruisen, fungeerde als de grote vijand van de liberale principes van de Franse Revolutie. Naast de monarchie was de Katholieke Kerk een groot verliezer van de eerdere Franse omwentelingen; kerkeigendommen werden genationaliseerd en schatten werden geroofd om staatsschulden te betalen, wat leidde tot een sterke tegenreactie van de geestelijkheid en de opkomst van het liberalisme dat streefde naar vrije pers, verkiezingen en de scheiding der machten.

België fungeerde voor 18301830 als een speelbal in de internationale diplomatie. Na de val van Napoleon in 18141814 wilden de conservatieve grootmachten voorkomen dat Frankrijk opnieuw een bedreiging zou vormen. In 18151815 werd daarom besloten om het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden te creëren als een militaire bufferstaat. Deze nieuwe staat voegde de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden samen zonder de bevolking te raadplegen. Koning Willem II kreeg de opdracht om beide delen op gelijke voet te besturen, met twee hoofdsteden: Den Haag en Brussel. Een bijzonderheid was het Groothertogdom Luxemburg, dat formeel een apart land was om deel te kunnen uitmaken van de Duitse Bond, wat Pruisen de mogelijkheid gaf een garnizoen in de vestingstad Luxemburg te legeren als extra indamming tegen Frankrijk.

Het Beleid van Willem II en de Groeiende Oppositie

Hoewel België als politieke eenheid al bestond sinds de late 1616de eeuw onder de Habsburgers, zorgde de hereniging onder Willem II voor grote spanningen door de uiteenlopende identiteiten van Noord en Zuid. Het Noorden was overwegend calvinistisch en taalhomogeen met een focus op koloniale handel, terwijl het Zuiden katholiek was, een grote taaldiversiteit kende (met een Franstalige elite) en midden in de industriële revolutie zat. Willem II regeerde als een verlichte absolute monarch; hoewel er een grondwet was, bleef de vorstelijke soevereiniteit de hoeksteen. Hij streefde naar rationeel bestuur, overheidscontrole op onderwijs en religie, en stimuleerde de economie via de oprichting van de Société Générale in 18221822. Zijn taalpolitiek, die het Nederlands wilde opleggen in de Franstalige provincies en Brussel om het natiebesef te versterken, stuitte op fel verzet.

In de jaren 18201820 ontstond een unie van opposities, waarbij de katholieken en de liberalen elkaar vonden in hun afkeer van het autoritaire bewind. De katholieken eisten vrijheid van onderwijs om de staatsschoolvoogdij af te werpen, terwijl de jonge liberale intellectuelen streefden naar ministeriële verantwoordelijkheid en persvrijheid. Dit zogenaamde monsterverbond gebruikte vrijheid als een containerbegrip om hun programma's op elkaar af te stemmen. De scheve zetelverdeling in de Staten-Generaal — waarbij 22 miljoen Noorderlingen evenveel vertegenwoordigers (5555) hadden als de 33 miljoen Zuiderlingen (5555) — versterkte het gevoel van onrechtvaardigheid in het Zuiden.

Het Verloop van de Revolutie en de Onafhankelijkheid

De directe aanleiding voor de opstand in Brussel was de opvoering van de opera La Muette de Portici in de Muntschouwburg op 2525 augustus 18301830. Wat begon als rellen tegen het beleid van Willem II, radicaliseerde toen de koning troepen stuurde om de stad te onderwerpen. Tijdens de septemberdagen van 2323 tot 2626 september slaagden Hollandse troepen er niet in Brussel in te nemen, wat leidde tot de vorming van een Voorlopig Bewind van negen mannen. Op 44 oktober 18301830 werd de onafhankelijkheid uitgeroepen. Een Nationaal Congres van 200200 rechtstreeks verkozen leden stelde de Belgische Grondwet van 77 februari 18311831 op, die gold als de meest liberale van haar tijd en een parlementaire monarchie naar Brits model instelde. Leopold van Saksen-Coburg legde op 2121 juli 18311831 de eed af als eerste Koning der Belgen.

De consolidatie van de nieuwe staat was sterk afhankelijk van de internationale constellatie. De Heilige Alliantie kon niet ingrijpen omdat Rusland de Poolse opstand (18301830) moest onderdrukken en Pruisen vreesde voor onrust in de Rijnprovincies. Groot-Brittannië koos uiteindelijk voor de Belgen uit sympathie voor de liberale revolutie en om de haven van Antwerpen te neutraliseren. In de Conferentie van Londen (44 november 18301830) werd België erkend als eeuwige neutrale staat. Willem II weigerde echter de XVIII Artikelen te accepteren en viel op 22 augustus 18311831 aan tijdens de Tiendaagse Veldtocht. Hoewel de Belgen werden verslagen bij Hasselt en Leuven, dwong Frans militair ingrijpen de Hollanders tot terugtocht. De definitieve scheiding werd vastgelegd in de XXIV Artikelen van 18391839, waarbij België Maastricht en een deel van Luxemburg en Limburg verloor aan Willem II.

Het Belgische Politieke Systeem in de Negentiende Eeuw

De Belgische grondwet was gebaseerd op het principe dat alle machten uitgaan van de natie, zoals vastgelegd in Artikel 2525. Het systeem was een parlementaire monarchie waarin de koning onschendbaar was en ministers verantwoordelijk waren; elke handeling van de koning vereiste een medeondertekening van een minister. Het parlement bestond uit een tweekamerstelsel: de democratische Kamer van Volksvertegenwoordigers en de aristocratische Senaat. De Senaat was bedoeld als evenwichtsorgaan en bestond uit adellijke grootgrondbezitters die aan een hoge cijns (belasting) moesten voldoen. De machtsverdeling volgde de principes van Montesquieu, hoewel er geen strikte scheiding maar een spreiding van machten was, aangezien de koning zowel deel uitmaakte van de uitvoerende als de wetgevende macht.

De grondwet waarborgde fundamentele rechten zoals gelijkheid voor de wet, vrijheid van meningsuiting, persvrijheid en vrijheid van eredienst. Toch kende de praktijk vele restricties. Vrouwen en arbeiders werden volledig uitgesloten van het kiesrecht en de Code Napoléon bleef gelden, wat betekende dat gehuwde vrouwen handelingsonbekwaam waren. De persvrijheid werd gehinderd door het dagbladzegel (een belasting op kranten) en de vrijheid van vereniging werd beperkt omdat verenigingen geen rechtspersoonlijkheid hadden om kapitaalaccumulatie door kloosters te voorkomen. Ook het coalitieverbod bleef tot 18661866 van kracht, wat collectieve actie door arbeiders strafbaar maakte.

De Unitaire Staat en de Taalpolitiek

België werd ingericht als een centralistische unitaire staat om regionale verscheidenheid uit te schakelen. De provincies, negen in totaal, hadden slechts beperkte autonomie en stonden onder toezicht van een door de regering benoemde gouverneur. Gemeenteraden hadden iets meer slagkracht maar bleven onder voogdij van arrondissementscommissarissen. In Artikel 2323 van de grondwet werd de taalvrijheid vastgelegd als reactie op de taaldwang van Willem II. In de praktijk betekende dit echter de dominantie van het Frans in alle openbare domeinen. Het Frans werd de taal van het centrale bestuur, het gerecht, het leger en het middelbaar onderwijs. Het proces van verfransing was minder een bewuste strategie dan wel een gevolg van de sociale en culturele superioriteit die aan het Frans werd toegekend in die periode.

Van Unionisme naar Partijregering en de Rol van de Kerk

Direct na de revolutie bleef de Unionistische alliantie tussen katholieken en liberalen bestaan vanwege de onzekere internationale positie en de noodzaak om de staat op te bouwen. Koning Leopold II, opgevoed in de geest van het verlicht absolutisme, maakte handig gebruik van de afwezigheid van georganiseerde partijen om een persoonlijke politiek te voeren. Hij zat de ministerraad voor en beschouwde ministers als zijn persoonlijke medewerkers (Orleanisme). De Kerk genoot een machtige positie met een monopolie over 99%99\% van de bevolking. Hoewel België geen staatsgodsdienst had, betaalde de staat de wedden van de geestelijkheid. De organieke wet op het lager onderwijs van 18421842 verplichtte gemeenten tot godsdienstonderricht onder toezicht van de Kerk.

In de jaren 18401840 groeide de liberale oppositie tegen de kerkelijke invloed en de koninklijke macht. Onder leiding van figuren zoals Theodore Verhaegen, die ook de VUB oprichtte als vrijzinnig tegenhanger van de KUL, werd in 18461846 het eerste liberale congres georganiseerd. Zij streefden naar de laïcisering van de samenleving en onafhankelijkheid van de burgerlijke overheid. In 18471847 behaalden de liberalen een verkiezingsoverwinning en dwongen ze de koning een liberaal kabinet onder Charles Rogier te aanvaarden. Dit markeerde de start van een echt parlementair regime en het einde van de persoonlijke politiek van de vorst.

Sociaaleconomische Verschuivingen en de Liberale Bloeiperiode (184718841847-1884)

België was het eerste land op het Europese continent dat de industriële revolutie doormaakte, gecentreerd rond textiel in Gent en staal en steenkool in Henegouwen en Luik. De Société Générale en de Banque de Belgique fungeerden als de motoren achter deze expansie. Terwijl Wallonië bloeide, kende het Vlaamse platteland in de jaren 18401840 een diepe crisis door de ondergang van de vlasindustrie, wat leidde tot massale emigratie naar de steden en Luikse mijnstreken. De liberale regeringen onder Charles Rogier en Walthère Frère-Orban voerden een politiek van laissez-faire en vrijhandel. Ze schaften het protectionisme af, kochten de Scheldetol van Nederland af in 18631863 en richtten de Nationale Bank op in 18501850 voor een stabiel monetair systeem.

Op sociaal vlak was de vrijheid voor de arbeiders echter fictief door de enorme economische ongelijkheid en de juridische discriminatie. De werkgever werd op zijn woord geloofd bij geschillen en de werkomstandigheden waren ongezond met extreem lage lonen. De burgerij zag de oplossing voor sociale problemen enkel in voorzorg en zelfhulp via mutualiteiten, die echter aan strikte restricties onderworpen waren. Vanaf de jaren 18501850 radicaliseerde de vrijdenkersbeweging, wat leidde tot een verdere polarisatie tussen de laïciserende overheid en de Katholieke Kerk. Dit mondde in 18791879 uit in de Eerste Schoolstrijd toen de regering-Frère-Orban de wet op het lager onderwijs wijzigde om godsdienstonderwijs te weren en de aanneming van katholieke scholen stop te zetten.

De Opkomst van het Socialisme en de Arbeidersbeweging

De industrialisatie zorgde voor de concentratie van een nieuw proletariaat in sloppenwijken. De eerste arbeidersverenigingen waren mutualiteiten om het coalitieverbod te omzeilen. De oprichting van de Eerste Internationale in Londen in 18641864 gaf een impuls aan het collectief bewustzijn. In België leidde dit tot de stichting van de Belgische Werkliedenpartij (BWP) in 18851885. Met het Charter van Quaregnon (18941894), geschreven door Emile Vandervelde, kreeg de partij een marxistisch-reformistisch programma. De BWP introduceerde de massapartij, een netwerk van vakbonden, mutualiteiten en coöperaties zoals de Vooruit in Gent, opgericht door Edouard Anseele. Hun voornaamste strijdpunt was het algemeen stemrecht, wat in 18931893 leidde tot een gewelddadige algemene staking.

In katholieke kringen ontstond de christendemocratie als reactie op het socialisme, geïnspireerd door de encycliek Rerum Novarum (18911891) van Paus Leo XIIIXIII. Zij pleitten voor sociale wetgeving maar behielden de focus op godsdienst en gezin. Priester Adolphe Daens uit Aalst leidde de meest radicale dissidente beweging binnen deze stroming. Tegelijkertijd begon de georganiseerde vrouwenbeweging vorm te krijgen. Marie Popelin werd de katalysator toen zij als eerste vrouwelijk jurist niet tot de balie werd toegelaten, wat leidde tot de stichting van de Belgische Liga voor de Rechten van de Vrouw in 18921892. Ook de Vlaamse Beweging evolueerde van een literair romantische beweging onder Jan Frans Willems en Hendrik Conscience naar een politieke kracht die taalwetten afdwong voor gerecht (18731873), bestuur (18781878) en onderwijs (18831883).

Dertig Jaar Katholiek Bewind (188419141884-1914) en de Gelijkheidswet

In 18841884 heroverden de katholieken de macht, een positie die ze dertig jaar zouden handhaven. Onder regeringsleider Auguste Beernaert werd een begin gemaakt met sociale wetgeving na de Waalse arbeidersopstand van 18861886. Wetten op vrouwen- en kinderarbeid beperkten voor het eerst de absolute macht van de werkgever. Het kiesstelsel werd in 18931893 hervormd tot het Algemeen Meervoudig Stemrecht, waarbij elke man vanaf 2525 jaar mocht stemmen, maar gezinshoofden en gediplomeerden extra stemmen kregen. In 18991899 introduceerde België als wereldprimeur het evenredigheidsstelsel om de politieke ondergang van de liberalen te voorkomen en een Vlaams-Waalse polarisatie in het parlement tegen te gaan.

De Vlaamse eisen radicaliseerden naar een roep om volledige eentaligheid. De Gelijkheidswet van 18981898 erkende het Nederlands als officiële taal naast het Frans voor wetten en besluiten. Ondanks deze symbolische overwinning bleef het leger en het hoger onderwijs Franstalig. In de onderwijspolitiek voerde de katholieke meerderheid het principe van de gesubsidieerde vrijheid in, waarbij de staat de schoolkosten van erkende katholieke scholen op zich nam. Dit legde de basis voor een duurzame onderwijsdualiteit tussen het officiële en het vrije net.

De Eerste Wereldoorlog en de Nationale Unie

Bij de Duitse inval in augustus 19141914 wees België het ultimatum van Berlijn af. Koning Albert II voerde het bevel over het leger en verschanste zich achter de IJzer, terwijl de regering naar Le Havre uitweek. De oorlog leidde tot een Godsvrede tussen de partijen en de vorming van een regering van Nationale Unie inclusief socialisten. In de bezette gebieden voerden de Duitsers een Flamenpolitik om België te ontmantelen, wat leidde tot het activisme waarbij radicale flaminganten zoals August Borms collaboreerden. Aan het front ontstond de Frontbeweging uit onvrede over de Franstalige bevelvoering. Na de oorlog werd in het Akkoord van Loppem (19181918) direct besloten tot de invoering van het enkelvoudig algemeen mannenstemrecht vanaf 2121 jaar, zonder grondwetsherziening af te wachten, om een revolutie te voorkomen.

Het Interbellum: Crisis, Hervorming en Nieuwe Orde

In de jaren 19201920 kende België grote financiële instabiliteit. In 18261826 slaagde de regering-Jaspar erin de Belgische frank te stabiliseren tot een zevende van de vooroorlogse waarde via de oprichting van de NMBS. De Grote Depressie van 19291929 trof België hard met massale werkloosheid. De regering-Van Zeeland voerde in 19351935 een devaluatie en een herstelbeleid door, beïnvloed door het Plan van de Arbeid van Hendrik De Man. De onvrede leidde echter tot de opkomst van autoritaire bewegingen zoals Rex (onder Leon Degrelle) en het VNV. In de taalpolitiek werd in de jaren 18301830 de regionale eentaligheid verwezenlijkt, inclusief de vernederlandsing van de Universiteit Gent (19301930).

De Tweede Wereldoorlog en de Koningskwestie

De capitulatie van Leopold IIIIII op 2828 mei 19401940 leidde tot een breuk met de regering-Pierlot die de strijd vanuit Londen wilde voortzetten. De koning bleef als krijgsgevangene in het land en hertrouwde met Lilian Baels, wat zijn populariteit schaadde. De naoorlogse periode werd gedomineerd door de repressie van collaborateurs en de Koningskwestie. Een volksraadpleging in 19501950 toonde een verscheurd land: Vlaanderen stemde voor de terugkeer, Wallonië tegen. Na gewelddadige onrust trad Leopold IIIIII af ten gunste van zijn zoon Boudewijn. Tegelijkertijd werd in 19441944 het Sociaal Pact gesloten dat de basis legde voor de sociale zekerheid en het sociaal overleg via de RSZ.

Federalisering en Recente Politieke Ontwikkelingen

De Tweede Schoolstrijd (195419581954-1958) eindigde met het Schoolpact, waarna de communautaire tegenstellingen de agenda overnamen. De Eenheidswet en de stakingen van 196019611960-1961 markeerden de eis voor Waalse economische autonomie, terwijl Leuven Vlaams (196619681966-1968) leidde tot de splitsing van de traditionele partijen. In opeenvolgende staatshervormingen (19701970, 19801980, 19881988, 19931993, 20012001, 20112011) evolueerde België van een unitaire staat naar een complexe federale staat met gemeenschappen en gewesten. In 19911991 brak het Vlaams Blok door op Zwarte Zondag, wat leidde tot het cordon sanitaire. De paars-groene regeringen onder Guy Verhofstadt (199920071999-2007) voerden ethische hervormingen door zoals de euthanasiewet en het homohuwelijk. Na de recordformatie van 541541 dagen in 201020112010-2011 voerde de regering-Di Rupo de zesde staatshervorming door, waarbij de kinderbijslag naar de deelstaten ging en de senaat werd ontdaan van directe verkiezing.