De wetten van Newton

De eerste wet:

  • is het systeem in rust, dan blijft het in rust

  • beweegt het systeem; dan blijft het bewegen met een constante snelheid en in dezelfde richting en zin; het voert dus een eenparig rechtlijnig beweging 

“op een rijdende bus zit en de bus plots moet remmen, aangezien jij met de bus aan het meebewegen bent en je deze bewegingstoestand wil behouden, schiet je naar voren bij het remmen.”

“Als een stilstaande bus plots vertrekt, word je naar achteren in je zetel geduwd. Je was in rust en wil in rust blijven, dus op je oorspronkelijke plaats blijven

De tweede wet:

/

  • Als de resulterende kracht op een systeem niet nul is, verandert de bewegingstoestand van het systeem. De mogelijkheden:  

  1. van rust naar beweging

  1. van beweging naar rust 

 3. versnellen of vertragen 

  1. van richting veranderen 

een situatie waarin de resulterende kracht op een systeem niet nul is, maar de grootte van de snelheid constant blijft: 

  • Een satelliet die rond de aarde draait, ondervindt een resulterende kracht verschillend van nul (de zwaartekracht). Deze resulterende kracht zorgt hier voor een richtingsverandering van de satelliet en zorgt er dus voor dat de satelliet op een cirkelvormige baan rond de aarde blijft. De grootte van de snelheid van de satelliet blijft hierbij echter constant.

“Als je op je fiets rijdt en je wilt dat je snelheid toeneemt, moet je harder trappen.”

“Je hebt een grotere kracht nodig om een zware lederen voetbal weg te schoppen dan om een lichte strandbal weg te schoppen.”

De derde wet:

  • Als het systeem A een kracht uitoefent op systeem B, dan oefent systeem B een kracht met dezelfde grootte, maar een tegengestelde zin op systeem A:  FAB = -FBA

“Als je tijdens het schaatsen jouw vriendin wegduwt, ga jij ook naar achteren omdat zij een even grote, maar tegengestelde kracht op jou uitoefent.

“Als je zwemt, duw je met je armen en benen het water achteruit. Jij gaat dan vooruit omdat het water een even grote, maar tegengestelde kracht  op jou uitoefent”

Welke wet

/

Het is makkelijker een auto in beweging te duwen dan een zware minibus

2de wet

is de Tweede Wet van Newton F= m x a

  • De minibus heeft een veel grotere massa  dan de auto.

  • Om de minibus dezelfde versnelling  te geven (d.w.z. van rust in beweging te brengen), is er een evenredig grotere nettokracht nodig.

Draag je geen veiligheidsgordel, dan vlieg je naar voren in je zetel  als de bestuurder plots stopt.

1ste wet 

De Eerste Wet van Newton stelt dat een object in rust in rust zal blijven, en een object in beweging in eenparig rechte beweging zal blijven, tenzij er een netto externe kracht op werkt.

Op meeneembekers voor koffie zit steeds een deksel.

1ste wet

Wanneer je met een beker koffie loopt, remt of versnelt, blijft de koffie door traagheid in beweging.

  • Hierdoor zou de koffie gemakkelijk uit de beker kunnen spatten.

Als je tegen de muur leunt, val je niet om.

3de wet

Wanneer je tegen de muur leunt, oefen je een kracht (een duw) uit op de muur. De muur oefent onmiddellijk een even grote en tegengestelde kracht terug uit op jou. Dit is de normaalkracht

Een vrachtwagen kan in een bocht de lading verliezen als die niet

goed vastgemaakt werd.

1ste wet

De lading wil haar oorspronkelijke beweging behouden wanneer de vrachtwagen een bocht maakt. Als de lading niet is vastgemaakt, schuift ze rechtdoor en kan uit de vrachtwagen vallen.

Bij een sprint gebruikt men startblokken, terwijl dat voor een 10000 m-loopwedstrijd niet hoeft.

3de wet

Een sprinter duwt hard naar achteren tegen de startblokken, en de blokken geven een even grote maar tegengestelde kracht terug. Zo kan de sprinter snel vertrekken.
Bij een 10 000 m is zo’n krachtige afzet niet nodig, dus geen startblokken.

Wrijving

  1. schuifwrijving

Tijdens het bewegen schuiven oppervlakken soms over elkaar. Denk maar aan ski’s schaatsen of sleeën die over sneeuw of ijs schuiven maar ook een autoband schuift tijdens het remmen over het wegdek.

  1. Rolwrijving

wielen rollen over het wegdek. tijdens dat contact vervormt de band rondom het wiel op die plaats ontstaat rolweerstand of rolwrijvingskracht

  1. vloeistofwrijving

wrijving in vloeistof of fluïdum zoals lucht of water

  • Bij hoge snelheden hangt de luchtwrijving in belangrijke mate af van de grootte van het frontaal oppervlak.

=> Dat verklaart waarom een pluim veel meer luchtwrijving ondervindt dan een ronde bal. Om die reden wordt het frontaal oppervlak van voertuigen best zo klein mogelijk gehouden.

  1. statische wrijving

statische wrijving ontstaat als 2 oppervlakken, die tegen elkaar gedrukt worden, een kracht ondervinden langs het oppervlak voor ze in beweging komen 

Fw = µs x FN

  1. Dynamische wrijving

Dynamische wrijving ontstaat wanneer 2 oppervlakken over elkaar schuiven.

Fw = µd x FN

De statische wrijving is groter dan de dynamische wrijving.

Met andere woorden: het kost meer kracht om een stilstaand voorwerp in beweging te krijgen dan om het eenmaal bewegende voorwerp te blijven duwen.

De zin van de dynamische kracht is tegengesteld aan de bewegingszin van het systeem.

wrijving bij laminaire stroming:

deze vindt plaats in een vloeistof die soepel beweegt in parallel lagen. De grootte van de wrijvingskracht is hierbij recht evenredig met de snelheid van het systeem:

Fw = k x v

wrijving bij turbulente stroming:

deze vindt plaats in een vloeistof waarin turbulente, chaotische bewegingen van vloeistofdeeltjes plaatsvinden. De grootte van de wrijvingskracht is hier recht evenredig met het kwadraat van de snelhaid van het systeem

fw = k x v²

k = ½ x ρ x CD x A

oefeningen

8 en 10 en 15 en 18 en 20 en 23 en 24 en 37

toelatingsexamen 2022 Tandarts Vraag 8 , 2022 Arts Vraag 8, 2022 Arts Vraag 7, 2018 Arts geel Vraag 8, 2017 – Augustus geel Vraag 2, 2017 – Augustus geel Vraag 1, 2015 – Augustus Vraag 7, 2013 – Augustus Vraag 2, 2012 - Juli Vraag 6, 2008 - Augustus Vraag 4

volume bol : 4/3 π r³,