geschiedenis

C- DE STANDENSAMENLEVING = 900 - 1789

een samenleving die de beolking verdeeld in verschillende standen
eigen stand heeft hun eigen rechten en plichten

  1. de clerus
    functie: bidden voor het volk

    rechten:
    grond bezitten
    geen belastingen betalen
    tienden heffen
    eigen rechtspraak

    plichten:
    instaan voor het zielenheil
    steun bij bestuur

  2. Adel
    funtie: bescherming van het volk

    rechten:
    grond bezitten
    geen belastingen betalen
    besturen van het land
    vechten in leger van de koning

    plichten:
    meehelpen bij het bestuur
    meevechten in het leger

  3. derde stand
    functie: werken

    rechten:
    vrije boeren = eigen grond bezitten, erven, trouwen, vrij reizen
    horigen (laten, deels onvrij) = trouwen
    horigen (lijfeigenen, niet vrij) = geen rechten

    plichten:
    belastingen betalen aan de heer
    tienden betalen aan de kerk
    maatschappij voeden



STANDEN VORMEN GEEN HOMOGENE GROEPEN

  1. de clerus
    hoge clerus → kardinaal, paus, bischop
    lage clerus → priester, monnik

  2. adel
    geboorte-adel - Oude hoge adel
    → graaf, prins, hertog
    ambtsadel - nieuwe adel
    → baron, markies

  3. derde stand
    vrije boeren
    laten
    lijfeigenen



De ridder als vierde stand?

normaalgezien = leden van derde stand

maar → ridder zijn is duur
ruiters worden belangrijker in het leger
kerk wilt het beeld van de miles christianes opscheppen

riddersideaal= dapper, moedig, eervol, eerlijk, nobel


DE OPKOMST VAN DE STEDEN LEIDT MEE TOT NIEUWE VERHOUDINGEN TUSSEN DE STANDEN

plattelandsvlucht
lijfeigenen en horigen vluchten weg naar de stad om zich weer vrij te maken
ze moeten zich 40 dagen verstoppen van hun heer. als hij hen niet kan vinden zijn ze vrij

als de heer in het buitenland is moeten ze een jaar onderduiken.

veranderingen door opkomst van de standen:

Adel → opkomst ambtsadel
financiele probleme

3de stand → einde horigheid
plattelandsvlucht
opkomst burgerij - heel rijk maar geen macht


noblesse oblige - het idee dat de adel een bepaalde stand moet houden, om zich te onderscheiden van de derde stand.



D1 HET LEENWEZEN politiek

beneficium
1. door de koning geschonken
2. een beloning in de vorm van landgoed
3. in ruil voor een dienst
4. tijdelijk = een leen

vazaliteit = een contract tussen een vrije man en een belangrijke heer
heer moet vazal (vrije man)v bijstaan en onderhouden
vazal moet de heer gehoorzamen en dienen

feodaliteit = combinatie van vazaliteit en beneficium

leenheer → beloont de vazal voor zijn trouw en dienst met een leen of feodum
|| contract op basis van wederzijds vertrouwen

vazal = leenman → staat de machtige heer ofwel militaitbij ofwel met raad en daad, moet trouw zijn en zijn dienst bewijzen

feodum/leen

  1. grondleen → een gebied dat de vazal krijgt als beloning

  2. ambtsleen → ze krijgen een extra titel in de maatschappij

  3. geldleen → de vazal krijgt een som van geld of een bepaald recht (bv. tol heffen)


de leenhulde → de ceremonie
feodum wordt symbolisch voorgesteld door een investituur → aarde, tak, sleutel


de feodale piramide

keizer
kroonvazallen
achtervazallen
achter-achtervazallen

de achtervazallen gehoorzamen de kroonvazallen, de kroonvazallen gehoorzamen de keizer


ONTSTAAN VAN WILLEKEUR BINNEN HET LEENMANSCHAP


Franse koning
||
vlaamse graaf < - > keizer van het Heilig Romse Rijk
||
Engeland 🔫 Franse Rijk

=> leenmannen kiezen verschillende feodaliteitsrelaties om er zelf beter van te worden



Het Verdrag van Verdun, ondertekend in 843, was een belangrijk akkoord dat het Karolingische Rijk opdeelde in drie koninkrijken.Dit verdrag volgde op de dood van Lodewijk de Vrome, de zoon van Karel de Grote, en leidde tot een strijd tussen zijn zonen om de controle over het rijk.


vanaf 9de eeuw komen er interne en externe problemen in het Frankische rijk
|| ||
binnenlandse oorlogen invallen van buitenaf



invallen vikingen → koningen doen niets → cotractbreuk volgens kroonvazallen → koning verliest macht → kroonvazallen gaan zich gedragen als koningen in hun eigen ambtsgebieden.

primus inter pares = 1e onder gelijken
1e → koning
gelijken → kvz


HRR versnippering door erfenis
→ vanaf 12e eeuw komt het eerstegeboorterecht.

D3 - DE STEDEN TREDEN OP DE VOORGROND

na de klassieke oudheid raken de stedelijke kernen in ons land in verval.
Germanen vestigen zich in onze gebieden en richten nieuwe nederzettingen op. de samenleving blijft onveilig door invallen van Hongaren en Noormannen.
→ de Vlaamse graven richten versterkte burchten op.

eind 9e eeuw nemen de invallen af, onder impuls van de kerk is er meer veiligheid
dankzij het drieslagstelsel stijgt de landbouwproductie
||
noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van steden


steden ontwikkelen zich in de buurt van een burcht voor eventuele bescherming. in de burcht wonen er ook verschillende mensen die koper kunnen zijn van producten die verhandeld worden.

concentrisch grondplan = spontaan gegroeid
dambordpatroon = aangelegde stad

er zijn economische (handel, …) en politieke ( bescherming,verkeerswegen, …) redenen om een stad te stichten. de meeste steden ontstaan spontaan, maar sommige zijn gesticht, vaak uit economische overwegingen.


DE STEDELINGEN GROEPEREN ZICH EN STRIJDEN OM DE MACHT

de inwoners (Poorters) kunnen in twee groepen ingedeeld worden: het gemeen (werklui, gewone mensen) en het Patriciaat (patriciers, burgerij.) de werklui zijn ambachtslieden en is de grootste groep, de patriciers bestaan naast grootgrondbezitters ook vaak uit handelaars


zowel het gemeen als de patriciers verenigen zich
→ ambachten: mensen met hetzelfde beroep
→ gilden: handelaars in hetzelfde stad
→ hanze: handelaars over verschillende steden


ambachtslieden = volders, wevers, spinners, ververs

belfort = een alleenstaande toren met een stormklok (enkel in nood) symbool autonomie en macht.
lakenhalle = opslagplaats, verkoopruimte, vergaderplaats ambachtslui.