Nederlands
Nederlands woorden
1-50
abdiceren: afstand doen van een waardigheid
aberratie: afwijking
abominabel: afschuwelijk
abrupt: opeens plaatshebbend
absenteïsme: voortdurend of vaak voorkomende afwezigheid
absorberen: opslorpen
acceleratie: versnelling
acclamatie: goedkeuring door toejuiching
accommodatie: aanpassing aan de omstandigheden
accuraat: nauwgezet
actieradius: reikwijdte
acuut: plotseling opkomend
adaptatie: aanpassing voor een bepaalde kunstvorm
addendum: bijlage
adept: aanhanger van een kunstrichting
adequaat: efficiënt
affiniteit: geestelijke verwantschap
agitatie: onrust
alert: bij de pinken
alias: anders gezegd
alibi: je was niet op de plaats van misdaad en dus onschuldig
allooi: niveau
alluderen: zinspelen
allusie: zinspeling
allure: houding
altruïsme: onzelfzuchtigheid
ambiëren: streven naar
ambigu: dubbelzinnig
ambivalent: tegenstrijdig
amnestie: algemene kwijtschelding van een straf
amok: herrie
amorf: vormloos
anachronisme: zonde tegen de tijdrekening, niet in chronologische volgorde
anciënniteit: rangorde naar diensttijd
animo: levendigheid
animositeit: vijandigheid
anomalie: onregelmatigheid
apatride: staatloze
apert: duidelijk
arbitrair: willekeurig
arcadisch: landelijk en romantisch lieflijk
armada: grote oorlogsvloot
arrivisme: het streven om tot elke prijs een erkende positie te verwerven
ascetisch: sober
assertief: zelfverzekerd
auditief: op het gehoor gebaseerd
atrofiëren: wegsterven
assertiviteit: zelfzekerheid
authenticiteit: echtheid
51-100
authentiek: echt
autodidact: iemand die door zelfstudie zijn kennis verworven heeft
autonomie: zelfstandigheid in bestuurlijk opzicht
autonoom: zelfstandig in bestuurlijk opzicht
autopsie: lijkbeschouwing
aversie: afkeer
bagatel: onbenulligheid
bagatelliseren: iets onbenulliger voorstellen dan het is
ballistiek: leer van de banen die projectielen in de lucht beschrijven
ballistisch: m.b.t. de leer van de banen van projectielen in de lucht
besogne: bezigheid
biënnale: tweejaarlijkse tentoonstelling of kunstmanifestatie
bilateraal: aan twee kanten bindend
bipatride: twee nationaliteiten bezittend
bombastisch: hoogdravend
boutade: min of meer geestige uiting van ongenoegen
bravoure: zelfverzekerdheid bij een moeilijk optreden
brouilleren, zich: in ruzie raken
bucolisch: betrekking hebbend op het land- en herdersleven
bureaucratie: toestand waarin alles met regels en formulieren geregeld wordt
capitulatie: de overgave van een partij aan de overwinnende tegenstander
capituleren: de wapens neerleggen tegenover de overwinnaar
cataclysme: catastrofe
categorisch: stellig
cerebraal: de hersenen betreffend
charisma: geestelijke uitstraling
charismatisch: met veel geestelijke uitstraling
chauvinistisch: blind ingenomen met alles van het eigen land
clandestien: in het geheim
clausule: afzonderlijke bepaling in een verdrag
clementie: genade
clou: hoogtepunt
coalitie: verbond tussen twee of meer partijen
coherent: samenhangend
coherentie: samenhangendheid
collaboratie: samenwerking met de vijand in een bezet land
collaborateur: iemand die met de vijand meeheult
collaboreren: samenwerken met de vijand
communautair: betrekking hebbend op een gemeenschap
condoleren: rouwbeklag betuigen
conform: overeenkomst
consensus: overeenstemming van opvattingen
consideratie: toegeeflijkheid
consternatie: verbijstering
contingent: verplichte bijdrage in troepen, belastingen...
contramine: tegendraadsheid
controverse: heftig meningsverschil
controversieel: aanleiding gevend tot een heftig meningsverschil
conventie: regel voor de maatschappelijke omgang
copieus: overvloedig in verband met maaltijden
101-150
corpulent: zwaarlijvig
coup: staatsgreep door militairen
cumulatie: opeenhoping van functies, straffen...
cumuleren: functies opstapelen of combineren
decadent: moreel verval
decent: fatsoenlijk
deficit: begrotingstekort
delict: misdrijf
delinquent: pleger van een strafbaar feit
demagogie: volksmisleiding
demagoog: volksmisleider
desavoueren: niet erkennen
detineren: gevangen houden
diagnose: vaststelling van een ziekte vanuit de verschijnselen
discrepantie: tegenstrijdigheid
dissident: andersdenkende inzake politiek
distantiëren, zich: afstand nemen in figuurlijke zin
dotatie: schenking
draconisch: heel streng
dubieus: twijfelachtig in negatieve zin
eclatant: schitterend
egaliseren: effenen
elan: bezieldheid
electoraal: de verkiezingen betreffend
embargo: verhindering van vrij internationaal handelsverkeer
embonpoint: gezetheid
eminent: voortreffelijk
encanailleren, zich: zich inlaten met mensen van een bedenkelijk niveau
entourage: omgeving van mensen
epicentrum: aardbevingscentrum
epigoon: zwakke navolger van een oorspronkelijke kunstenaar, filosoof...
ersatz: vervangingsmiddel
erudiet: een grote kennis bezittend
escaleren: uit de hand lopen
euforie: extreem gevoel van vreugde
euforisch: overdreven opgewekt
excentriek: zonderling
excessief: overmatig
exhibitionist: iemand die met zijn geslachtsdelen te koop loopt
exotisch: zoals men vindt in verre, vreemde landen
expatriëren: uit het land zetten
expliciet: uitdrukkelijk
exposé: uiteenzetting
extase: verrukking
extatisch: buiten zichzelf van verrukking
extravagant: buitensporig
extravert: open van karakter
fabuleus: onwaarschijnlijk
facet: aspect
faciliteit: tegemoetkoming