Français

Chapitre 3

  • Le pantalon — De broek

  • on y va! — (laten)we gaan!

  • la robe — de jurk

  • le pull — de trui

  • Comment tu trouves ce jean bleu? — Hoe vind je deze blauwe spijkerbroek?

  • Oui, je voudrais acheter un nouveau jean — Ja, ik wil een nieuwe spijkerbroek kopen.

  • comme — zoals, net als

  • Tu fais quelle taille? — Welke maat heb je?

  • le short de bain — de zwembroek

  • prendre — nemen

  • l’hiver — de winter

  • Pas mal — niet slecht

  • l’anniversaire — de verjaardag

  • bientôt — binnenkort

  • On va en ville, ce weekend? — Gaan we dit weekend naar de stad?

  • le T -shirt — het t-shirt

  • du M — (maat) M

  • bien sûr — natuurlijk

  • le magasin — de winkel

  • acheter — werken

  • le copain, la copine — de vriend, de vriendin

  •  beau, belle — mooi

  • moche — lelijk

  • le centre commercial — het winkelcentrum

  • et toi — en jij

  • Pas mal — niet slecht

  • essayer — passen, proberen

Chapitre 6

  • l’endroit — de plek

  • le discothèque — de discotheek

  • la réception — de receptie

  • la nuit — de nacht

  • maintenant — nu

  • anglais — engels

  • allemand — duits

  • espagnol — spaans

  • néerlandais — nederlands

  • marocain — marokkaans

  • expliquer — uitleggen

  • rester — blijven

  • faire du camping — kamperen

  • préferer — liever hebben

  • désole(e) — sorry

  • tous les ans — ieder jaar

  • loin — ver

  • pres de — dichtbij

  • bonne journée — fijne dag

  • assez bien — vrij goed

  • Tu viens d’où? — waar kom je vandaan

  • Je viens des Pays-Bas — ik kom uit Nederland

  • Où est le supermarché? — Waar is de supermarkt?

  • trends la première rue à droite — Neem de eerste straat rechts

  • Il est ouvert de 8 heures à 21 heures — Hij is van 8 tot 9 (21:00) geopend

  • Vous pouvez répéter? — Kunt u het herhalen?

  • Tu pars quand? Je pars dans deux semaines — Wanneer ga je weg? Ik ga over twee weken weg

  • On va à la piscine demain? — Gaan we morgen naar het zwembad?


Chapitre 7

  • l’invitation — de uitnodiging

  • le thème — het thema

  • le vêtement — het kledingstuk

  • les animaux — de dieren

  • le singe — de aap

  • mettre — aandoen

  • porter — dragen

  • arriver — aankomen

  • j’ai compris — ik heb begrepen

  • moi aussi — ik ook

  • pendant les vacances — in de vakantie

  • la semaine prochaine — volgende week

  • demain — morgen

  • il y a un an — een jaar geleden

  • il y a une semaine — een week geleden

  • à la fête — naar het feest

  • au spectacle — naar de voorstelling

  • au festival — naar het festival

  • au cinéma — naar de bioscoop

  • au restaurant — naar het restaurant

  • Qu’est-ce que tu fais ce weekend? — Wat doe je dit weekend?

  • je vais — ik ga

  • je suis allé au concert de MHD il ya un mois — ik ben een maand geleden naar het concert van MHD gegaan.

  • C’était comment? — hoe was het?

  • C’était génial — Het was geweldig