thema 1 hoofdstuk 3

1 membranen van de cel

1.1 bouw van membranen of plasmalemma

10 nm dik
opgebouwd uit

  • fosfolipiden

    • hydrofiele kop en hydrofobe staart

    • vormen dubbellaag: vloeistof aan beide kanten

  • eiwitten

    • transmembraaneiwitten

    • perifere membraaneiwitten

  • cholesterol

  • suikergroepen (extracellulair): glycolipiden en glycoproteïne

1.2 functies membraan

  • afsluiting

    • omsluit en isoleert celinhoud

    • zelfsluitend

  • herkenning

    • door patroon suikerketens kunnen cellen van dezelfde soort elkaar herkennen en contact maken

    • bv. afweersysteem: obv verschillen membraanopbouw worden lichaamsvreemde cellen herkend

  • communicatie

    • via signaalmoleculen en receptoren
      → sleutel-slotprincipe: intracellulaire respons

    • bv. insuline (pancreas) → glucose (lever)

  • hechting

    • dierlijke cellen

    • celadhesiemoleculen verbonden aan extracellulaire matrix + verbindingseiwit

  • selectieve doorlaadbaarheid van moleculen

    • kleine apolaire moleculen passen door membraan

    • andere moleculen en ionen: transporteiwit

  • compartimentalisatie

    • eukaryoten: inwendige membranen: celorganellen met gespecialiseerde taken

2 transport doorheen membranen

2.1 passief transport door diffusie

diffusie is de verplaatsing van opgeloste stoffen in een vloeistof of een gas van een gebied met een hogere concentratie naar een gebied met een lagere concentratie, dus met de concentratiegradiënt

DIFFUSIE: bij permeabel membraan: concentratie gelijk (ook ionen)

GELEIDE DIFFUSIE: geladen, groter of polaire moleculen bewegen door membraan via transporteiwitten, heel selectief

  • kanaaleiwitten

    • aquaporine: water

    • ionenkanalen: ionen

  • Carrier-eiwitten:

    • specifieke molecule

    • verandert van vorm

hemodialyse: bloed stroomt door kunstnier die bestaat uit een plastic cilinder met semipermeabel buisjes
→bloed afkomstig van shunt gaat door buizen
→ spoelvloeistof (dialysaat) lijkt op boedplasma in tegenovergestelde richting
→ afvalstoffen weg

2.2 passief transport door osmose

osmose is de verplaatsing van water doorheen een semipermeabel membraan van een gebied met met een lage naar een gebied met een hoge concentratie, dus tegen de concentratiegradiënt in.

osmotische waarde = maat voor de concentratie aan opgeloste moleculen die zorgen voor osmose (relatief!)

hypotonische omgeving

  • bv. kersen barsten

  • bv. waterzucht of hongeroedeem: te weinig eiwitten in bloed: hypotonisch tov weefselvocht

isotonisch

  • uitdroging: fysiologisch zoutoplossing 0,9% (normaal nieren)

hypertonische omgeving

  • Dode Zee

  • Lamsoor (halofyt): overleven in zout milieu (zelf zout in vacuole)

Mucoviscidose of cystische fibrose (taaislijmziekte)
→ fouten in CFTR-eiwit (chloorkanaaleiwit) dat zich bevond in oa celmembraan slijmproducerende cellen
→geen chloortransport: niet hypertonisch: minder water: taai: bacteriële infecties

2.3 actief transport

→ pompen van moleculen of ionen van een gebied met een lage concentratie naar een gebeid met een hoge concentratie, dus tegen concentratiegradiënt in, dmv transporteiwitten, hierbij wordt energie afkomstig van ATP gebruikt
bv. natrium-kaliumpomp (concentratiegradiënten blijven behouden)
bv. protonenpomp: maagwand

3 celwand

functie: vorm,stevigheid en bescherming + openingen: doorlaatbaar
enkel bij

  • planten: cellulose

    • plasmodesmata: ronde kanalen: transport en communicatie tussen cytoplasma

    • dunne primaire celwand

    • dikke secundaire celwand

    • middenlamel (pectine)

  • zwammen: chitine

  • bacteriën: mucopeptide/peptidoglycaan
    → penicilline blokkeert enzym transpeptidase (opbouw peptidoglycaan in celwand)