3. GENOOMORGANISATIE EN EVOLUTIE
3 BASISVEREISTEN
doorgeven van kenmerken aan het nageslacht
expressie en controle van erfelijke kenmerken
aanpassing aan het milieu
C-VALUE PARADOX
C-value = hoeveelheid DNA in haploïde celkern (gewicht of #basen)
grootte genoom lijkt niet overeen te komen met complexiteit organisme
WAT IS EEN GEN?
deel v/h DNA dat codeert voor “functionele eenheid”;
eiwit
ncRNA = non-coding RNA
KLASSES REPETITIEF DNA

Tandem repeats; DNA-sequenties die direct achter elkaar herhaald worden
Satellite DNA
grote blokken herhalingen
vaak bij centromeren en telomeren
Mini-satellites (VNTRs)
herhalingen van 10–100 bp
gebruikt bij DNA-fingerprinting
Micro-satellites (STRs)
korte herhalingen van 1–6 bp
verspreid door het genoom
Interspersed repeats (transposable elements); herhalingen verspreid over het genoom, meestal afkomstig van transposons of retrotransposons
SINEs (Short Interspersed Nuclear Elements)
bv. Alu-elementen (~300 bp, >1 miljoen kopieën)
LINEs (Long Interspersed Nuclear Elements)
bv. LINE-1, ~6 kb, autonome retrotransposons
LTR retrotransposons
bevatten lange terminale herhalingen
minder actief in mens
HORIZONTALE GENTRANSFER

CONJUGATIE
directe overdracht van DNA tussen twee bacteriën die fysiek contact maken
mechanisme
donorcel (F+) vormt een hol buisje, een (sex-)pilus, naar de ontvanger (F-)
via deze brug wordt een kopie van een plasmide (klein stukje cirkelvormig DNA) naar de andere cel gestuurd
TRANSFORMATIE
bacterie neemt "naakt" DNA op uit zijn omgeving
mechanisme
wanneer bacterie sterft en openbreekt (lyse), komt zijn DNA vrij i/d omgeving
levende bacterie herkent dit DNA en transporteert het door zijn celwand naar binnen, ontvanger moet hiervoor “competent” zijn
nieuwe DNA wordt ingebouwd in het eigen chromosoom
TRANSDUCTIE
overdracht van DNA via een bacteriofaag (virus dat bacteriën infecteert)
mechanisme
virus infecteert een bacterie en dwingt de cel om nieuwe virussen te maken
tijdens het inpakken van nieuwe virussen wordt er per ongeluk een stukje bacterie-DNA in het viruskapsel gestopt in plaats van virus-DNA
dit virus infecteert een nieuwe bacterie en injecteert daar het stukje DNA van de vorige bacterie
DNA-FINGERPRINTING


1. Knippen (Digestie)
Restrictie-enzymen knippen het DNA in fragmenten. Ze knippen net buiten de VNTR-gebieden. Omdat het aantal herhalingen per persoon verschilt, verschilt ook de lengte van de uitgeknipte fragmenten.
2. Scheiden (Elektroforese)
De DNA-fragmenten worden op een gel gelegd.
Korte fragmenten (weinig herhalingen) bewegen snel/ver naar beneden.
Lange fragmenten (veel herhalingen) blijven bovenaan hangen.
3. Overzetten (Southern Blot)
Het DNA in de gel wordt enkelstrengs gemaakt en "gestempeld" op een stevig membraan (het blotten). Dit maakt het DNA toegankelijk voor de probe.
4. Zichtbaar maken (Probe & Detectie)
De Probe: Een radioactief of fluorescerend stukje DNA dat complementair is aan de VNTR-sequentie.
Binding: De probe plakt alleen op de plekken waar de VNTRs zitten.
Resultaat: Op een röntgenfoto verschijnen zwarte streepjes (bandjes) op de posities waar de fragmenten zijn gestopt.
De kern: Omdat je van elk chromosoom een paar hebt (homoloog), zie je per VNTR-locatie meestal twee bandjes (één van vader, één van moeder). De combinatie van al die bandjes vormt de unieke barcode.
CONDENSATIE GENOOM

DNA = 2m lang, moet in één cel passen
nood aan condensatie;
DNA + histonen → nucleosoom
histon = basisch eiwit
bevat veel lysines (K) en arginines (R)
DNA zit rond octameer, dus 8 histonen, gewikkeld
meerdere nucleosomen → “beads on a string”
“beads on a string” → solenoïde