PP. 331-351

Inleiding: Strafprocesrecht, Internationaal en Europees Recht

Deze samenvatting behandelt het vooronderzoek in strafzaken, de terechtzitting, beginselen van strafprocesrecht, fiscaal recht, internationaal publiekrecht, de Verenigde Naties, de Europese Unie (instellingen en wetgevingsprocedure), de Raad van Europa en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.


16.2.3. HET VOORONDERZOEK

  • Begrip: Voorafgaand aan het strafonderzoek voor de strafrechter. Gericht op identificatie verdachte en nagaan of voldoende bezwaren bestaan.

  • Opsporings- of informatieonderzoek door het parket:

    • Gevoerd door het parket in de meerderheid van de gevallen.

    • Afgesloten met beslissing tot niet-vervolging of rechtstreekse dagvaarding voor vonnisgerecht.

  • Gerechtelijk onderzoek (onderzoeksrechter):

    • Aanleiding: op verzoek van openbaar ministerie of slachtoffer (na burgerlijke partijstelling).

    • Verplichte tussenkomst onderzoeksrechter voor bepaalde onderzoeksdaden: huiszoeking, onderzoek aan het lichaam, voorlopige hechtenis, telefoontap.

    • Rol onderzoeksrechter: onpartijdig, onderzoekt à charge en à décharge. Kan verdachte in verdenking stellen.

    • Beslissing door onderzoeksgerecht:

      • Raadkamer (rechtbank van eerste aanleg)

      • Kamer van inbeschuldigingstelling (KI) (hof van beroep) in beroep

    • Mogelijke beslissingen: buitenvervolgingstelling, verwijzing naar vonnisgerecht (wanbedrijven) of naar procureur-generaal bij hof van beroep (misdaden, met oog op verwijzing naar hof van assisen door KI).

    • Regeling van de rechtspleging: raadkamer spreekt zich uit over procedurefouten; kan nietigverklaarde stukken uit dossier verwijderen (art. 131 Sv.). KI heeft zelfde bevoegdheid in beroep.

  • Geheim en inquisitoir:

    • Vooronderzoek is in beginsel geheim, niet-tegensprekelijk en schriftelijk.

    • Inquisitoir: actieve waarheidsvinding; verdachte is "voorwerp".

    • Rechten verdachte: recht op bijstand van advocaat bij ondervraging; inzagerecht in dossier bij gerechtelijk onderzoek.

    • Mededelingen aan pers: openbaar ministerie mag mededelingen doen indien openbaar belang het vereist, met inachtneming van vermoeden van onschuld.

16.2.4. DE TERECHTZITTING

  • Strafrechtbank: doet uitspraak over grond van de zaak na onderzoek ter zitting.

  • Karakter: deels accusatoir, deels inquisitoir.

  • Openbaarheid: in beginsel openbaar (art. 148 Gw.; art. 6 EVRM); sluiten deuren mogelijk in bepaalde omstandigheden. Uitspraak openbaar (art. 149 Gw.).

  • Tegensprekelijk: partijen strijden met gelijke wapens. Openbaar ministerie moet bewijzen. Beklaagde/beschuldigde mag, maar moet zich niet verdedigen; hoeft onschuld niet te bewijzen; wordt geacht onschuldig te zijn tot bewijs tegendeel. Kan verstek laten gaan.

  • Mondeling: in beginsel mondeling. Griffier maakt verslag (zittingsblad). Rechter beschikt over strafdossier en zal niet alle onderzoeksverrichtingen ter zitting overdoen. Enkel voor hof van assisen gebeurt onderzoek volledig ter terechtzitting.

  • Rol van de rechter: niet lijdzaam. Leidt onderzoek, stelt vragen aan getuigen en deskundigen, beveelt bijkomende verhoren of nieuwe onderzoeksverrichtingen.

  • Tenuitvoerlegging van straffen: taak van openbaar ministerie (initiatief) en minister van Justitie (uitvoering). Bijgestaan door politie, Bestuur van Registratie en Domeinen (geldboeten), Bestuur der strafinrichtingen (vrijheidsstraffen), justitiehuizen. Strafuitvoeringsrechtbanken (art. 157 Gw.) zien toe op uitvoering.

16.2.5. BEGINSELEN

  • Legaliteitsbeginsel (art. 12 Gw.): wijze van strafvervolging moet bij wet worden bepaald.

  • Fundamentele rechten:

    • Vermoeden van onschuld (présomption d'innocence)

    • Recht te zwijgen en niet tegen zichzelf te getuigen (bescherming tegen zelf-incriminatie)

    • Recht op bijstand van een advocaat: zowel tijdens rechtspleging voor feitenrechter als tijdens voorafgaande fase van onderzoek/vooronderzoek (Saldauwet 13 augustus 2011)

    • Recht op bijstand van een tolk (interprète)

    • Rechten van de verdediging (art. 6 EVRM; art. 14 IVBPR)

    • Waarborgen bij vrijheidsberoving (art. 5 EVRM), huiszoeking, aantasting briefgeheim en telefoongeheim (art. 8 EVRM)

    • In dubio pro reo: bij twijfel volgt vrijspraak


HOOFDSTUK 17. HET FISCAAL RECHT

  • Legaliteitsbeginsel (art. 170 Gw.): belastingheffing vereist instemming volksvertegenwoordiging (wetgever, decreet/ordonnantiegever, provincieraad, gemeenteraad). Grondwettelijk Hof kan wetten, decreten, ordonnanties rechtstreeks toetsen aan art. 170 Gw.

  • Eenjarigheidsbeginsel (art. 171 Gw.): belastingen ten behoeve van staat, gemeenschap en gewest moeten jaarlijks worden gestemd. Blijven slechts één jaar van kracht indien niet vernieuwd.

  • Gelijkheidsbeginsel (art. 172 Gw.): inzake belastingen geen voorrechten; geen vrijstelling of vermindering dan door wet. Grondwettelijk Hof kan rechtstreeks toetsen aan art. 172 Gw.

  • In dubio contra fiscum: bij twijfel over bestaan belastingschuld, twijfel in voordeel van belastingplichtige. Niet toepasselijk indien geen redelijke twijfel.

  • Non bis in idem: kan niet tweemaal zelfde belasting geheven worden bij zelfde belastingplichtige op zelfde belastbare grondslag. Verhindert niet dat twee verschillende belastingen geheven worden op zelfde verrichting (bv. registratierecht en BTW). Gemeenschappen en gewesten kunnen geen belasting heffen die reeds door staat is geheven.

  • Beginselen van behoorlijk bestuur en behoorlijke rechtsbedeling: fiscaal recht is bijzonder bestuursrecht; beginselen en rechten van verdediging, art. 6 EVRM van toepassing.


HOOFDSTUK 18. INTERNATIONAAL EN EUROPEES RECHT

18.1. INTERNATIONAAL PUBLIEKRECHT

18.1.1. STATELIJKE SOEVEREINITEIT
  • Centraal beginsel: statelijke soevereiniteit staat centraal. Geen internationale rechtsorde met internationale wetgevende, rechterlijke (verplichte rechtsmacht) of uitvoerende macht met dwangbevoegdheid.

  • Gebondenheid: staten internationaalrechtelijk gebonden in de mate zij zichzelf onderwerpen. Stemmen vrijwillig in met internationaal recht (uitdrukkelijk of stilzwijgend). Erkennen vrijwillig rechtsmacht internationale rechtscolleges.

  • Pacta sunt servanda: eens staten zich internationaal verbinden, zijn ze gebonden om verbintenissen na te komen.

18.1.2. SUPRANATIONALITEIT
  • Afstand van soevereiniteit: staten kunnen vrijwillig afstand doen van delen van soevereiniteit door internationale organisaties op te richten met bevoegdheid bindende beslissingen te nemen, zelfs zonder instemming van alle lidstaten.

  • Supranationale organisaties:

    • Europese Unie: instellingen kunnen wetgeving aannemen en bindende beslissingen nemen.

    • Verenigde Naties: tot op zekere hoogte supranationaal; Veiligheidsraad kan dwangmaatregelen voorschrijven bij bedreiging van vrede.

  • Intergouvernementele organisaties: lidstaten hebben geen beslissingsbevoegdheid afgestaan, of beslissingsbevoegdheid is afhankelijk van unanieme instemming.

18.1.3. IUS COGENS
  • Definitie (art. 53 Weens Verdragenrecht 1969): norm aanvaard en erkend door internationale gemeenschap van staten in haar geheel als norm waarvan geen afwijking is toegestaan; kan slechts gewijzigd worden door latere norm van algemeen volkenrecht van zelfde aard.

  • Voorbeelden: verbod op genocide, foltering, slavernij, rassendiscriminatie, gebruik van geweld/agressie.

  • Hogere plaats in internationale normenhiërarchie. Verdragen die ermee strijdig zijn worden als nietig beschouwd.

18.1.4. INTERNATIONAAL GEWOONTERECHT
  • Definitie (art. 38 Statuut Internationaal Gerechtshof): "als recht aanvaarde algemene praktijk".

  • Voorwaarden:

    1. Materieel element (statenpraktijk): staten gedragen zich doorheen tijd op consistente, algemene en duurzame wijze naar inhoud van regel.

    2. Moreel element (opinio iuris): staten voelen zich verplicht de praktijk na te leven; niet louter naleving, maar verbonden voelen door rechtsregel.


18.2. DE VERENIGDE NATIES

18.2.1. ONTSTAAN, ONTWIKKELING EN BEVOEGDHEDEN
  • Oprichting: na Tweede Wereldoorlog, opvolger Volkenbond, via Handvest van de Verenigde Naties (26 juni 1945).

  • Hoofddoelstelling: handhaven van internationale vrede en veiligheid.

  • Andere doelstellingen: samenwerking op sociaal, cultureel en humanitair vlak; bevorderen eerbied voor rechten van de mens en fundamentele vrijheden.

18.2.2. DE INSTELLINGEN
  • Voornaamste organen: Algemene Vergadering, Veiligheidsraad, Economische en Sociale Raad, Trustschapsraad, Internationaal Gerechtshof, Secretariaat.

  • Algemene Vergadering:

    • Vertegenwoordiger van elke lidstaat.

    • Ruime bevoegdheden, voornamelijk politiek (art. 10 Handvest).

    • Resoluties zijn juridisch niet bindend.

  • Veiligheidsraad:

    • Samenstelling (art. 23 Handvest): 15 leden.

      • 5 permanente leden: China, Frankrijk, Russische Federatie, Verenigd Koninkrijk, Verenigde Staten (elk vetorecht bij niet-procedurele aangelegenheden).

      • 10 niet-permanente leden, voor 2 jaar verkozen door Algemene Vergadering (regionale verdeling).

    • Besluitvorming: gekwalificeerde meerderheid: 9 voorstemmen vereist. Bij niet-procedurele aangelegenheden: voorstemmen van 5 permanente leden vereist.

    • Primaire verantwoordelijkheid: handhaving internationale vrede en veiligheid (art. 24 Handvest).

    • Bevoegdheden:

      • Vreedzame regeling van geschillen: onderzoek, aanbevelingen.

      • Optreden bij bedreiging van vrede, verbreking van vrede, daden van agressie: aanbevelingen, besluiten over maatregelen (art. 39-42 Handvest).

      • Maatregelen zonder wapengeweld (economische sancties, embargo's, reisverboden, bevriezing tegoeden).

      • Gewapende maatregelen indien nodig.

    • Bindende resoluties: Veiligheidsraad treedt op als supranationale instelling.

    • Tenuitvoerlegging in België (wet 11 mei 1995): koning gemachtigd om bij in ministerraad overlegd besluit maatregelen te nemen voor tenuitvoerlegging bindende besluiten Veiligheidsraad (opschorting economische betrekkingen, inbeslagneming goederen, blokkering financiële tegoeden).


18.3. DE EUROPESE UNIE

18.3.1. ONTSTAAN EN ONTWIKKELING
  • 1951 - EGKS (Verdrag van Parijs): Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (6 staten).

  • 1957 - EEG en Euratom (Verdrag van Rome): Europese Economische Gemeenschap (interne markt, afbouw grenzen); Euratom (atoomenergie).

  • 1965 - Fusieverdrag: organen van drie gemeenschappen gefuseerd; gemeenschappen bleven als internationale rechtspersonen bestaan.

  • 1986 - Europese Eenheidsakte: uitbreiding actieradius naar politiek, sociaal, ecologisch vlak.

  • 1992 - Verdrag van Maastricht: oprichting Europese Unie.

  • 1997 - Verdrag van Amsterdam: overheveling nationale bevoegdheden in binnenlandse zaken en justitie.

  • 2001 - Verdrag van Nice: verdere versterking.

  • 2007 - Verdrag van Lissabon: na mislukken Grondwet voor Europa (2003). Geconsolideerde versies: Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vormen juridische basis.

18.3.2. DE BEVOEGDHEDEN
A. Beginsel van bevoegdheidstoedeling
  • Art. 5, 2 VEU: EU beschikt alleen over bevoegdheden die lidstaten haar hebben toegedeeld.

  • Art. 4, 1 VEU: bevoegdheden niet aan Unie toegedeeld, behoren toe aan lidstaten.

  • Categorieën: exclusieve bevoegdheden, gedeelde bevoegdheden, ondersteunende bevoegdheden, bijzondere bevoegdheden.

B. Exclusieve bevoegdheden
  • Art. 2, 1 VWEU: alleen Unie kan wetgevend optreden en bindende handelingen vaststellen. Lidstaten kunnen slechts zelf doen indien gemachtigd door Unie of ter uitvoering van handelingen Unie.

  • Art. 3 VWEU - gebieden:

    • Douane-unie

    • Mededingingsregels voor werking interne markt

    • Monetair beleid voor eurolanden

    • Instandhouding biologische rijkdommen van zee (gemeenschappelijk visserijbeleid)

    • Gemeenschappelijke handelspolitiek

C. Gedeelde bevoegdheden
  • Art. 2, 2 VWEU: Unie en lidstaten kunnen wetgevend optreden. Lidstaten oefenen bevoegdheid uit voor zover Unie haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend. Lidstaten oefenen bevoegdheid weer uit voor zover Unie besloten heeft haar bevoegdheid niet meer uit te oefenen.

  • Art. 4, 2 tot 4,4 VWEU - gebieden:

    • Interne markt

    • Sociaal beleid (voor in VWEU genoemde aspecten)

    • Economische, sociale en territoriale samenhang

    • Landbouw en visserij (uitzondering: instandhouding biologische rijkdommen zee)

    • Milieu

    • Consumentenbescherming

    • Vervoer

    • Trans-Europese netwerken

    • Energie

    • Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht

    • Gemeenschappelijke veiligheidsvraagstukken op gebied van volksgezondheid (voor in VWEU genoemde aspecten)

    • Onderzoek, technologische ontwikkeling, ruimte (uitoefening belet lidstaten niet eigen bevoegdheid uit te oefenen)

    • Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp (uitoefening belet lidstaten niet eigen bevoegdheid uit te oefenen)

D. Ondersteunende bevoegdheden
  • Art. 2, 5 VWEU: Unie ondersteunt, coördineert of vult optreden lidstaten aan; neemt bevoegdheid lidstaten niet over. Geen harmonisatie van wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.

  • Art. 6 VWEU - beleidsgebieden:

    • Bescherming en verbetering menselijke gezondheid

    • Industrie

    • Cultuur

    • Toerisme

    • Onderwijs, beroepsopleiding, jongeren, sport

    • Civiele bescherming

    • Administratieve samenwerking

E. Bijzondere bevoegdheden
  • Coördinatie (art. 2, 3 VWEU): EU kan maatregelen nemen om coördinatie van economisch, sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verzekeren.

  • Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (art. 2, 4 VWEU):

    • Specifieke institutionele kenmerken: beperkte deelname Europese Commissie en Europees Parlement; uitsluiting wetgevende activiteiten.

    • Vastgelegd en uitgevoerd door Europese Raad en Raad van de Europese Unie.

    • Vertegenwoordiging: voorzitter Europese Raad en hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

F. Uitoefening van bevoegdheden
  • Subsidiariteitsbeginsel (art. 5, 3 VEU): op gebieden niet onder exclusieve bevoegdheid treedt Unie slechts op indien en voor zover doelstellingen niet voldoende door lidstaten (centraal, regionaal, lokaal) kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege omvang of gevolgen beter door Unie kunnen worden bereikt.

  • Evenredigheidsbeginsel (art. 5, 4 VEU): inhoud en vorm van optreden Unie gaan niet verder dan nodig om doelstellingen Verdragen te verwezenlijken.

18.3.3. DE INSTELLINGEN
A. Het Europees Parlement
  • Samenstelling: 720 leden (2024-2029). Rechtstreekse verkiezingen om de 5 jaar. Kan niet vervroegd ontbonden. België: 22 leden. Zetelt in Brussel, Straatsburg, Luxemburg.

  • Taken:

    • Wetgevend: samen met Raad van de EU, afhankelijk van materie (advisering of medebeslissing).

    • Internationale overeenkomsten: besluit over toetreding nieuwe lidstaten.

    • Controle: evalueert werkprogramma Commissie; kiest voorzitter Commissie; verleent goedkeuring aan college van commissarissen; kan Commissie met motie van wantrouwen tot aftreden dwingen; verleent kwijting aan EU-begroting; stelt parlementaire vragen.

    • Begrotingsbevoegdheid: stelt begroting en meerjarig financieel kader vast.

B. De Europese Raad
  • Samenstelling: regeringsleiders of gekozen staatshoofden van EU-lidstaten, voorzitter, voorzitter Europese Commissie.

  • Taken: hoogste politieke orgaan; bepaalt algemene politieke beleidslijnen en prioriteiten. Komt minstens 4 keer per jaar samen. Besluit bij consensus, behoudens anders bepaald in Verdragen.

C. De Raad van de Europese Unie (Raad van Ministers)
  • Samenstelling: bevoegde ministers van elke lidstaat per beleidsdomein. 10 formaties. Zetelt in Brussel en Luxemburg. Voorzitterschap roulerend elke 6 maanden (België januari-juni 2024). Raad Buitenlandse Zaken voorgezeten door hoge vertegenwoordiger.

  • Taken:

    • Onderhandelt en stelt EU-wetgeving vast (samen met Parlement, op basis van voorstellen Commissie).

    • Coördineert beleid EU-landen.

    • Ontwikkelt buitenlands en veiligheidsbeleid (op basis richtsnoeren Europese Raad).

    • Sluit overeenkomsten met andere landen.

    • Stelt jaarlijkse EU-begroting vast (samen met Parlement).

  • Besluitvorming:

    • Gewone meerderheid: 14 lidstaten stemmen voor.

    • Gekwalificeerde meerderheid: 55% van lidstaten (minstens 15) die ten minste 65% van EU-bevolking vertegenwoordigen, stemmen voor.

    • Eenparigheid: alle lidstaten stemmen voor.

    • Supranationaal karakter: bindende beslissingen mogelijk zonder instemming van alle lidstaten.

D. De Europese Commissie
  • Samenstelling: politiek onafhankelijke uitvoerende tak. Zetelt in Brussel. Voorzitter + college van commissarissen (één per lidstaat). 8 vicevoorzitters (waaronder 3 uitvoerend vicevoorzitters en hoge vertegenwoordiger) + 18 commissarissen met eigen portefeuille.

  • Taken:

    • Stelt voorstellen van Europese wetgeving op.

    • Voert besluiten van Parlement en Raad uit.

    • Beheert EU-beleid, wijst EU-financiering toe.

    • Stelt jaarlijkse begroting op (goedkeuring Parlement en Raad).

    • Waakt over juiste toepassing EU-wetgeving; kan inbreukprocedure voeren tot aan Hof van Justitie.

    • Spreekt namens alle lidstaten in internationale organen (handel, humanitaire hulp); onderhandelt over internationale overeenkomsten.

E. Het Hof van Justitie van de Europese Unie

1) Het Hof van Justitie

  • Organisatie: zetelt in Luxemburg. Samenstelling: 27 rechters + 11 advocaten-generaal (adviserende opdracht).

  • Drie rollen:

    1. Constitutioneel hof van de EU

    2. Hoogste rechter in Europese rechtsorde (toezicht naleving Unierecht door lidstaten; eenheid in toepassing Unierecht)

    3. Beroepsrechter tegen uitspraken van Gerecht

a) Het constitutioneel hof van de EU

  • Taak: behoeder van doelstellingen en rechtsnormen in Verdragen. Waakt erover dat Europese instellingen in secundair recht primaire verdragen eerbiedigen.

  • Instrumenten:

    • Vernietigt onwettige verordeningen, richtlijnen, beschikkingen (objectief contentieux).

    • Antwoordt op prejudiciële vragen van nationale rechters over geldigheid secundair Unierecht in licht van primair Unierecht (art. 267 VWEU).

b) De hoogste rechter in de rechtsorde van de EU

  • Toezicht op naleving Unierecht door lidstaten (art. 258-260 VWEU): kennisneming van klachten van Commissie (na inbreukprocedure) of andere lidstaten wegens niet-nakomen verdragsverplichtingen. Bij niet-uitvoering arrest kan Hof forfaitaire som of dwangsom opleggen.

  • Eenheid in toepassing Unierecht (art. 267 VWEU):

    • Prejudiciële vraag: over uitlegging verdragen (primair Unierecht) en over geldigheid en uitlegging handelingen van instellingen, organen, instanties van Unie (secundair Unierecht).

    • Wanneer verplicht? Rechter hoeft enkel te stellen in de mate dat hij beslissing Hof noodzakelijk acht voor wijzen vonnis. Geen verplichting indien:

      • Vraag niet relevant.

      • Betrokken bepaling reeds door Hof uitgelegd (acte éclairé).

      • Juiste toepassing zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel (acte clair) (arrest Cilfit).

    • Verplichting tot vraagstelling voor nationale rechterlijke instanties waarvan beslissingen volgens nationaal recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep (art. 267, derde lid VWEU).

  • Geen vernietigingsbevoegdheid tegenover lidstaten: Hof kan normgeving lidstaten niet vernietigen. Nationale rechter moet voorrang van Unierecht waarborgen bij strijdigheid.

c) De rechter in hoger beroep binnen de EU

  • Bevoegdheid: kennisneming van beroepen, tot rechtsvragen beperkt, tegen beslissingen van Gerecht.

2) Het Gerecht (Tribunal)

  • Organisatie: 54 rechters (twee per lidstaat). Bestuursrechter van de Unie (sinds 1989).

  • Bevoegdheden:

    • Beroepen door natuurlijke of rechtspersonen tegen handelingen van instellingen, organen, instanties van EU die tot hen gericht zijn of hen rechtstreeks en individueel raken.

    • Beroepen door lidstaten tegen Commissie en Raad.

    • Beroepen door lidstaten tegen Raad inzake staatssteun, dumping.

    • Beroepen tot vergoeding schade veroorzaakt door instellingen, organen, instanties van EU of personeelsleden.

    • Beroepen op gebied van intellectuele eigendom (EUIPO, CPVO).

    • Geschillen tussen instellingen van EU en personeelsleden (arbeidsverhoudingen, socialezekerheidsstelsel).

  • Hoger beroep: beperkt tot rechtsvragen, bij Hof van Justitie.

18.3.4. DE TOTSTANDKOMING VAN SECUNDAIRE WETGEVING
  • Betrokken instellingen: Europese Commissie (initiatief), Europees Parlement (raadpleging of medebeslissing), Raad van de EU.

  • Medebeslissingsprocedure (art. 294 VWEU): standaardprocedure na Verdrag van Lissabon.

  • Initiatief:

    • Wetgevingsvoorstel van Europese Commissie bij Raad en Parlement. Ook aan nationale parlementen, Comité van de Regio's, Economisch en Sociaal Comité.

    • Commissie is enige EU-instelling met initiatiefrecht (eigen initiatief, op verzoek andere instellingen, naar aanleiding burgerinitiatief).

    • Aanname voorstel: schriftelijk of mondeling; bij stemming met gewone meerderheid.

  • Drie lezingen:

    • Eerste lezing: Parlement (gewone meerderheid) en Raad (gekwalificeerde meerderheid) nemen standpunt in of amenderen.

    • Trialogen: informele interinstitutionele bijeenkomsten (Parlement, Raad, Commissie) om akkoord te vergemakkelijken.

    • Tweede lezing: bij niet-goedkeuring amendementen Parlement door Raad wordt bemiddelingscomité (gelijk aantal Parlement en Raad) bijeengeroepen.

    • Derde lezing: indien nodig.

    • Verwerping: indien voorstel in eender welke fase verworpen of geen compromis, eindigt procedure. Nieuw voorstel nodig van Commissie.


18.4. DE RAAD VAN EUROPA

18.4.1. DE POLITIEKE ORGANEN
  • Afzonderlijke internationale organisatie: 46 lidstaten uit Europa, los van EU.

  • Parlementaire Vergadering: 306 leden uit 46 lidstaten. Zetelt in Straatsburg. Kiest Secretaris-Generaal, Commissaris voor de Rechten van de Mens, rechters van EHRM. Forum voor debat; toezicht op verkiezingen.

  • Comité van Ministers: besluitvormingsorgaan. Bestaat uit ministers van Buitenlandse Zaken van lidstaten of permanente diplomatieke vertegenwoordigers in Straatsburg. Bepaalt beleid, keurt budget en programma goed.

18.4.2. HET EUROPEES HOF VOOR DE RECHTEN VAN DE MENS
A. Bevoegdheid en samenstelling
  • Rechtstreekse werking EVRM: kan voor Belgische rechter worden ingeroepen en toegepast. Nationale instanties bieden primaire bescherming.

  • Aanvankelijk (tweeledig): Europese Commissie van de Rechten van de Mens (ontvankelijkheid) + Europees Hof voor de Rechten van de Mens (ten gronde). Individueel klachtrecht en rechtsmacht Hof facultatief.

  • Elfde Protocol (1994):

    • Einde facultatieve erkenning: alle Staten die EVRM ratificeerden onderschrijven volledige controlemechanisme.

    • Ontvankelijkheidsprocedure ECRM afgeschaft.

    • Klachten: statelijke procedure of individuen/NGO's.

    • Permanent Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg.

  • Samenstelling:

    • Evenveel rechters als landen partij bij Verdrag.

    • Gekozen door Parlementaire Vergadering van Raad van Europa uit lijst van 3 kandidaten voorgedragen door verdragsstaten.

    • Zittingstermijn: 9 jaar, niet herkiesbaar.

    • Bijgestaan door referendarissen.

    • Zittingsformaties: alleenzetelende rechters, comités van 3 rechters, kamers van 7 rechters, Grote Kamer van 17 rechters.

B. Procedure
  • Individueel verzoekschrift: klagers richten rechtstreeks tot Hof.

  • Ontvankelijkheidsvoorwaarden:

    1. Uitputting interne rechtsmiddelen

    2. Niet-anonimiteit

    3. In wezen niet gelijk aan reeds eerder onderzochte zaak

    4. Verenigbaar met bepalingen Verdrag of protocollen

    5. Niet kennelijk ongegrond

    6. Geen misbruik klachtrecht

    7. Verzoeker heeft wezenlijk nadeel geleden (tenzij eerbiediging rechten van de mens noopt tot onderzoek gegrondheid)

    • Termijn: binnen 4 maanden na laatste rechterlijke uitspraak (hoogst bevoegde nationale instantie).

  • Prima facie onontvankelijkheid: alleenzetelende rechter behandelt; geen beroep mogelijk.

  • Comité van drie rechters: onderzoekt ontvankelijkheid; kan oordelen over gegrondheid op basis van vaste rechtspraak (repetitive klachten); geen hoger beroep.

  • Kamer van zeven rechters: uitspraak over ontvankelijkheid en gegrondheid van individuele klachten (niet door Comité onontvankelijk verklaard) en statenklachten. Twee afzonderlijke arresten (ontvankelijkheid, gegrondheid). Na ontvankelijkheid: onderzoek, ter beschikking voor minnelijke schikking.

  • Grote Kamer:

    • Kamer kan afstand doen van rechtsmacht en verwijzen bij ernstige vraag interpretatie Verdrag/protocollen of risico strijdigheid met eerdere uitspraak.

    • Na uitspraak Kamer: partij kan binnen 3 maanden verzoeken om verwijzing naar Grote Kamer (college van 5 rechters aanvaardt bij ernstige vraag interpretatie/toepassing of ernstige kwestie van algemeen belang). Intern beroep binnenzelfde Hof.

  • Billijke genoegdoening: bij vaststelling schending en indien nationaal recht slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent Hof billijke genoegdoening toe.

  • Geen annulatiebevoegdheid: EHRM kan nationale rechtshandelingen (wetten, besluiten, rechterlijke uitspraken) niet vernietigen; stelt enkel schending vast.

  • Rechtsherstel in nationale rechtsorde: na vaststelling schending moet nationaal recht rechtsherstel bieden.

    • België - heropening van de rechtspleging in strafzaken (art. 442bis tot octies Sv.):

      • Verzoek tot heropening binnen 6 maanden na definitief arrest EHRM bij Hof van Cassatie (procureur-generaal of veroordeelde).

      • Hof beveelt heropening indien bestreden beslissing EVRM schendt (ten gronde strijdig of procedurefouten/tekortkomingen dermate ernstig dat ernstige twijfel over uitkomst) EN veroordeelde/rechthebbenden zeer nadelige gevolgen blijven ondervinden die slechts door heropening kunnen worden hersteld.

C. De adviesvraag aan het EHRM (advisory opinion)
  • 16de Facultatief Protocol (sinds 1 augustus 2018): verdragsstaten kunnen hoogste rechtscolleges vragen over interpretatie en toepassing EVRM voorleggen.

  • Enkel door hoogste rechterlijke instantie: verzoek om advies over principiële vragen inzake uitlegging of toepassing rechten en vrijheden EVRM/protocollen, binnen context bij hen aanhangige zaak.

  • België (wet 30 oktober 2022, inwerking 1 maart 2023): Grondwettelijk Hof, Hof van Cassatie, Raad van State kunnen vragen om advies richten.

  • Behandeling: college van 5 rechters van Grote Kamer beslist over behandeling. Grote Kamer brengt advies uit. Advies ter kennis van verzoekende rechterlijke instantie en betrokken verdragsstaat; niet bindend.

  • Verschil met prejudiciële vraag:

    • Prejudiciële vraag: door alle rechters (Grondwettelijk Hof, Hof van Justitie); verplichting tot vraagstelling; antwoord bindend.

    • Adviesvraag: enkel door hoogste rechtscolleges; mogelijkheid, geen verplichting; antwoord niet bindend.


DEEL IV. LIJST VAN TE KENNEN TERMINOLOGIE

Latijnse adagia (passieve kennis - betekenis en draagwijdte moeten kunnen worden toegelicht)

Adagium

Betekenis / Draagwijdte

Acte clair

Juiste toepassing Unierecht zo evident dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel (HvJ Cilfit)

Acte éclairé

Betrokken bepaling Unierecht reeds door Hof uitgelegd

Audite et alteram partem

Hoor ook de wederpartij; beginsel van tegenspraak

Da mihi factum, dabo tibi ius

Geef mij de feiten, ik geef u het recht

De minimis non curat praetor

Rechter houdt zich niet bezig met kleinigheden; niet erkend in België

In dubio pro reo

Bij twijfel in voordeel van beklaagde

Le criminel tient le civil en état

Burgerlijke vordering geschorst tot strafrechter uitspraak heeft gedaan

Nemo judex in sua causa

Niemand kan rechter en partij zijn inzelfde zaak

Non bis in idem

Niet tweemaal zelfde zaak voor strafrechter; niet tweemaal zelfde belasting

Nullum crimen, nulla poena sine lege

Geen misdrijf, geen straf zonder wet

Pacta sunt servanda

Verdragen moeten worden nagekomen

Patere legem quem ipse fecisti

Volg de regel die u zelf hebt gemaakt

Res inter alios judicata, alii nec nocet nec prodest

Wat tussen partijen is beslist, heeft noch voordelen noch nadelen voor anderen

Res judicata pro veritate habetur

Wat rechter heeft uitgesproken wordt als waarheid beschouwd

Societas delinquere sed puniri non potest

Rechtspersoon kan niet gestraft worden (niet meer geldig sinds 1999)


Samenvattend Overzicht: Kernpunten (p. 331-352)

  1. Vooronderzoek: opsporingsonderzoek door parket (meerderheid) of gerechtelijk onderzoek door onderzoeksrechter (verplicht bij bepaalde onderzoeksdaden). Inquisitoir, geheim, schriftelijk. Beslissing door raadkamer of kamer van inbeschuldigingstelling.

  2. Terechtzitting: deels accusatoir, deels inquisitoir. Tegensprekelijk, mondeling, openbaar (uitzonderingen). Rechter niet lijdzaam; leidt onderzoek.

  3. Fundamentele rechten strafproces: vermoeden van onschuld, zwijgrecht, recht op advocaat (Saldauwet), rechten van verdediging, in dubio pro reo.

  4. Fiscaal recht: legaliteitsbeginsel (art. 170 Gw.), eenjarigheidsbeginsel (art. 171 Gw.), gelijkheidsbeginsel (art. 172 Gw.), in dubio contra fiscum, non bis in idem.

  5. Internationaal publiekrecht: statelijke soevereiniteit centraal; supranationaliteit (EU, VN Veiligheidsraad); ius cogens (genocide, foltering, slavernij, agressie); internationaal gewoonterecht (statenpraktijk + opinio iuris).

  6. Verenigde Naties: Algemene Vergadering (resoluties niet bindend), Veiligheidsraad (15 leden, 5 permanent met vetorecht; bindende resoluties bij bedreiging vrede).

  7. Europese Unie - bevoegdheden: exclusief (douane-unie, mededinging, euro, handelspolitiek), gedeeld (interne markt, milieu, energie, ruimte van vrijheid), ondersteunend (cultuur, onderwijs, toerisme). Subsidiariteit en evenredigheid.

  8. EU-instellingen: Europees Parlement (medebeslissing), Europese Raad (algemene beleidslijnen), Raad van de EU (wetgeving met Parlement), Europese Commissie (initiatiefrecht, uitvoering, toezicht), Hof van Justitie (constitutioneel hof, hoogste rechter, prejudiciële vragen), Gerecht (bestuursrechter).

  9. EU-wetgevingsprocedure: Commissie initiatief, drie lezingen, trialogen, bemiddelingscomité. Gekwalificeerde meerderheid in Raad.

  10. Raad van Europa: 46 lidstaten; Parlementaire Vergadering, Comité van Ministers.

  11. EHRM: individueel klachtrecht (rechtstreeks). Voorwaarden: uitputting interne rechtsmiddelen, 4 maanden, wezenlijk nadeel. Behandeling: alleenzetelende rechter (prima facie onontvankelijk), comité van 3 (repetitive klachten), kamer van 7 (ontvankelijkheid + gegrondheid), Grote Kamer (ernstige vragen). Billijke genoegdoening. Geen annulatie; rechtsherstel in nationale rechtsorde (België: heropening rechtspleging in strafzaken). Adviesvraag door hoogste rechtscolleges (16de Protocol) - niet bindend.