Volkenrecht - HC 8
INTERNATIONALE MENSENRECHTEN
Context: Dit document biedt een volledig overzicht van de internationale mensenrechten, zoals uiteengezet in de colleges. Het behandelt de historische ontwikkeling, de afdwinging via de VN en regionale systemen, de verschillende categorieën rechten, de bronnen, en specifieke thema's zoals de publieke noodtoestand, het territoriale toepassingsgebied en de bescherming van vluchtelingen. Het doel is om een diepgaand en gestructureerd begrip te verschaffen van dit rechtsgebied.
1: INTRODUCTIE – VAN BURGER TOT MENS
1.1. De Lange Traditie en Evolutie
Verlichting (18e eeuw): De filosofische wortels van mensenrechten liggen in de Verlichting.
Westerse grondwetten (19e eeuw): Fundamentele rechten werden opgenomen in nationale grondwetten, maar golden aanvankelijk alleen voor ‘burgers’, niet voor alle personen.
Na WOII: Internationalisering: Pas na de Tweede Wereldoorlog werden mensenrechten een zaak van internationaal belang, vastgelegd bij verdrag. De gruwelen van de oorlog leidden tot het besef dat hoe een staat zijn eigen inwoners behandelde, niet langer een exclusieve interne aangelegenheid was.
1.2. De Grondslag in het VN-Handvest
B2 Artikel 1(3) VN-Handvest (1945): Stelt als één van de doelen van de VN: “internationale samenwerking tot stand te brengen … bij het bevorderen en stimuleren van eerbied voor de rechten van de mens en voor fundamentele vrijheden voor allen.”
Nuance: Dit markeert het moment waarop mensenrechten officieel een onderwerp van internationaal recht worden.
1.3. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM)
B5 Artikel 1 UVRM (1948): “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.”
Dit is de morele en filosofische basis van het moderne mensenrechtenrecht.
1.4. Uitdagingen en Ideologische Spanningen
Mensenrechten zijn niet statisch of universeel geaccepteerd in hun interpretatie. Er zijn inherente spanningen:
Onderlinge conflicten: Mensenrechten kunnen met elkaar conflicteren (bv. vrijheid van meningsuiting vs. recht op privacy).
Machtspolitiek: De invulling en handhaving van mensenrechten is vaak een kwestie van macht.
Noord-Zuid tegenstellingen: Er zijn belangrijke verschillen in prioriteiten. Zo legt het Afrikaans Handvest voor de Rechten van de Mens en de Volken (1981) een sterke nadruk op collectieve rechten, zoals het recht op zelfbeschikking, als reactie op de koloniale geschiedenis. Dit contrasteert met de meer individualistische benadering in Westerse mensenrechtendocumenten.
Oost-West tegenstellingen: Tijdens de Koude Oorlog waren er tegenstellingen over het primaat van burgerlijke en politieke rechten (westers) versus economische, sociale en culturele rechten (oosters).
2: AFDWINGING – HET VN-SYSTEEM
Het VN-systeem voor mensenrechten is tweeledig: gebaseerd op het VN-Handvest en gebaseerd op de VN-Mensenrechtenverdragen.
2.1. Afdwinging via het VN-Handvest (Politieke Organen)
2.1.1. De Mensenrechtenraad (Human Rights Council - HRC)
Opvolger: Verving de Mensenrechtencommissie in 2006.
Samenstelling: 47 lidstaten, verdeeld over regio’s, verkozen door de Algemene Vergadering.
Kritiek: Wordt beschuldigd een politiek orgaan te zijn, wat leidt tot selectiviteit en dubbele standaarden.
Voorbeeld (VS onder Trump): Beschuldigde de Raad van een “bias tegen Israël”.
Voorbeeld (VS kritiek): Stelde dat landen als Noord-Korea, Iran en Syrië vaak ongemoeid werden gelaten.
Voorbeeld (uitsluiting): Rusland werd uitgesloten na de invasie van Oekraïne.
Instrumenten:
Speciale Rapporteurs: Onafhankelijke experts die rapporteren over specifieke thema’s (bv. foltering) of landen.
Universele Periodieke Review (UPR): Een uniek proces waarbij de mensenrechtensituatie van alle 193 VN-lidstaten om de 4,5 jaar wordt getoetst. Het is een door peers geleid proces.
2.1.2. Hoge Commissaris voor de Mensenrechten
Rol: Coördinerend en faciliterend. Geeft advies en assistentie aan staten en VN-organen.
2.2. Afdwinging via VN-Mensenrechtenverdragen (Verdragscomités)
Er bestaan negen kernverdragen, elk met een eigen comité van onafhankelijke experten dat toezicht houdt op de naleving.
2.2.1. De Negen Kernverdragen en hun Comités
CERD (1965): Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie. Comité: CERD.
CCPR (1966) / BUPO: Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Comité: Mensenrechtencomité (let op: dit is een verdragscomité, niet te verwarren met de oude Mensenrechtencommissie).
CESCR (1966): Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Comité: CESCR.
Vrouwenrechtenverdrag (1979): Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen. Comité: CEDAW.
CAT (1984): Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Comité: CAT.
Kinderrechtenverdrag (1989): Comité: CRC.
Migrantenwerknemersverdrag (1990): Comité: CMW.
CRPD (2006): Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Comité: CRPD.
Verdrag tegen gedwongen verdwijningen (2006): Comité: CED.
2.2.2. Toezichtsmechanismen van de Comités
Staatrapportage (niet-bindend): De kern van het systeem.
Statenrapport: De staat dient een rapport in.
Lijst met issues: Het comité stelt vragen.
Concluderende Observaties: Het comité publiceert een niet-bindend rapport met bevindingen en aanbevelingen.
Algemene Commentaren: Interpretatieve teksten van de comités over de betekenis van verdragsbepalingen. (Niet-bindend maar gezaghebbend).
Geschillenbeslechting:
Interstatelijk: Een staat kan een klacht indienen tegen een andere staat (beide moeten partij zijn). Voorbeelden:
Qatar tegen Saudi-Arabië en VAE bij het CERD-comité.
Palestina tegen Israël bij het CERD-comité.
Individueel: Individuen kunnen een klacht indienen als de staat het optioneel protocol bij het verdrag heeft geratificeerd. Procedure: Stap 1 = 'Klacht', Stap 2 = 'Communicatie'.
Preventieve Bezoeken: Het CAT-Comité heeft een Sub-Comité voor Preventie (SPT) opgericht via een optioneel protocol. Dit sub-comité organiseert bezoeken aan gevangenissen en andere detentieplaatsen om foltering te voorkomen.
3: BRONNEN VAN INTERNATIONAAL MENSENRECHTENRECHT
3.1. Verklaringen
Definitie: Niet-bindende documenten, maar met groot moreel en politiek gewicht. Aangenomen door de VN-Algemene Vergadering.
Voorbeelden:
B10 Verklaring over het Recht op Ontwikkeling (1986).
Verklaring over het Recht op een Schoon, Gezond en Duurzaam Leefmilieu (2022).
3.2. Verdragen (Bindend)
Universele VN-Verdragen: De negen kernverdragen (zie 2.2.1).
Andere Universele Verdragen:
B4 Genocide Conventie (1948).
B18 Lanzarote Conventie: Verdrag van de Raad van Europa ter bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik.
Conventie Inheemse en in Stamverband Levende Volken (1957).
Regionale Verdragen: (Worden behandeld in Hoofdstuk 5).
3.3. Andere Bronnen
Internationaal Gewoonterecht: Sommige mensenrechten kunnen door langdurige en algemene praktijk (staatspraktijk en opinio juris) gewoonterechtelijk zijn geworden.
Jus Cogens: Dwingend recht. Fundamentele normen waarvan geen afwijking is toegestaan. Voorbeelden zijn het verbod op foltering, genocide en slavernij.
4: CATEGORIEËN VAN MENSENRECHTEN
Mensenrechten kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld.
4.1. Burgerlijke en Politieke Rechten
Fysieke Vrijheid:
Recht op leven.
Verbod op foltering.
Verbod op gedwongen verdwijningen.
Verbod op arbitraire detentie.
Vrijheid van beweging.
Verbod op slavernij.
Intellectuele Vrijheid:
Vrijheid van uitdrukking en informatie.
Vrijheid van religie.
Vrijheid van vereniging.
Rechtvaardigheid:
Recht op een eerlijk proces.
Geen retroactieve straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege).
Politieke Participatie:
Toegang tot publieke diensten.
Deelname aan algemene verkiezingen.
Recht om verkiesbaar te stellen.
Niet-discriminatie en Gelijkheid:
Gelijkheid voor de wet.
Recht op toegang tot sport voor personen met een handicap (als voorbeeld van gelijke participatie).
4.1.1. Beperkingen op Rechten (vooral intellectuele vrijheid)
Beperkingen op rechten zijn mogelijk, maar moeten voldoen aan drie cumulatieve voorwaarden:
Bij wet voorgeschreven: De beperking moet een basis hebben in een nationale wet.
Noodzakelijk (proportioneel): De beperking moet noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Er moet een evenwicht zijn tussen het ingeperkte recht en het nagestreefde doel.
Legitiem doel: De beperking moet dienen ter bescherming van bepaalde belangen, zoals:
De rechten van anderen.
Nationale veiligheid.
Openbare orde.
Volksgezondheid.
4.2. Economische, Sociale en Culturele Rechten
Deze rechten vereisen vaak positieve actie van de staat en zijn daardoor afhankelijk van beschikbare middelen.
Voorbeelden: Recht op werk, recht op gezondheid, recht op educatie.
4.3. Collectieve Rechten
Rechten die toekomen aan een groep in plaats van aan een individu.
Genocide: B4 Art. II Genocide Conventie definieert genocide als “daden met intentie om een ‘nationale, ethnische, raciale of religieuze groep’ te vernietigen”.
Zelfbeschikking: Het recht van een volk om zijn eigen politieke status te bepalen.
Andere Verdragen:
Afrikaans Handvest (1981).
Europees Kaderverdrag voor de Bescherming van Nationale Minderheden (1994).
Conventie Inheemse en in Stamverband Levende Volken (1957).
Recht op Ontwikkeling: B10 Verklaring van de Algemene Vergadering stelt dat ontwikkeling een onvervreemdbaar mensenrecht is. Vereist actie en dus middelen.
4.4. Positieve Verplichtingen
Staten hebben niet alleen de plicht om zich te onthouden van schendingen (negatieve verplichting), maar ook om actief te beschermen.
Definitie: De verplichting van de staat om actie te ondernemen om schendingen door private actoren te voorkomen en te bestraffen.
EHRM-criteria:
Staten moeten “minstens effectieve bescherming [bieden] in het bijzonder van kinderen en andere kwetsbare personen”.
Staten moeten “redelijke stappen [ondernemen] om te slechte behandeling te voorkomen wanneer de autoriteiten er kennis van hadden of hadden moeten hebben”.
4.5. Horizontale Verplichtingen
Definitie: De verplichting van de staat om in te grijpen bij mensenrechtenschendingen gepleegd door niet-statelijke actoren (particulieren, bedrijven).
Staatsaansprakelijkheid: De staat kan aansprakelijk worden gesteld voor zijn nalaten om dergelijke schendingen te voorkomen of te bestraffen. De schending wordt dan toegerekend aan de staat.
5: REGIONALE SYSTEMEN VOOR MENSENRECHTEN
Regionale systemen versterken de bescherming door verdragen en hoven die dichter bij de burger staan.
5.1. Raad van Europa (RvE) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
Oprichting: Na WOII. Huidige leden: 46 (Rusland werd uitgesloten).
Organen:
Comité van Ministers: Bestaat uit ministers van Buitenlandse Zaken; bewaakt de uitvoering van EHRM-vonnissen.
Parlementaire Vergadering: Bestaat uit delegaties van nationale parlementen.
Comité voor Sociale Rechten: Houdt toezicht op het Europees Sociaal Handvest (economische en sociale rechten) met een collectief klachtenmechanisme.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM): Het centrale orgaan.
5.1.1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
Basis: Monitort het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) (1950).
Lidmaatschap: Lidmaatschap van het EVRM is verplicht voor alle lidstaten van de Raad van Europa.
Functies:
Adviserende opinies: Het Hof kan op verzoek advies geven.
Bindende geschillenbeslechting:
Interstatelijke zaken: Een lidstaat klaagt een andere lidstaat aan. Voorbeelden:
Georgië en Oekraïne tegen Rusland.
Nederland tegen Rusland (MH17).
Individuele klachten: De meest voorkomende procedure. (Art. 34 EVRM).
Wie: Individuen, NGO's of groepen van individuen.
Voorwaarden ontvankelijkheid:
Klacht moet worden ingediend binnen 4 maanden na de laatste nationale beslissing (uitputting van nationale rechtsmiddelen). (Art. 35(1) EVRM).
Er moet sprake zijn van een schending van een EVRM-recht (Art. 34 EVRM).
De schending moet toerekenbaar zijn aan een lidstaat van de Raad van Europa (Art. 34 EVRM).
Uitspraken:
Manifest ongegrond: De klacht wordt afgewezen.
Genoegdoening (Satisfaction): Bij een vastgestelde schending kan het Hof een billijke genoegdoening (vaak een monetaire compensatie) toekennen (Art. 41 EVRM).
Slachtoffer eigen succes: Protocol 14 (2010) introduceerde procedures om zaken te schikken als het slachtoffer al genoegdoening heeft gekregen.
Implementatie: De uitvoering van vonnissen wordt opgevolgd door het Comité van Ministers van de Raad van Europa.
5.1.2. Kernconcepten van het EHRM
“Levend instrument”:
Het EVRM wordt door het Hof dynamisch geïnterpreteerd om mee te evolueren met maatschappelijke veranderingen.
Voorbeeld: Het Hof oordeelt dat het EVRM niet enkel burgerlijke en politieke rechten beschermt, maar ook rechten die niet expliciet in de tekst staan, zoals het recht op bescherming tegen de gevolgen van klimaatverandering.
Casus: EHRM, KlimaSeniorinnen v. Zwitserland (2024): Het Hof oordeelde dat Zwitserland zijn positieve verplichtingen onder Art. 8 EVRM (recht op privéleven) had geschonden door onvoldoende klimaatbeleid te voeren.
Margin of Appreciatie (beoordelingsmarge):
Definitie: Het beginsel dat het Hof staten een zekere vrijheid laat bij het interpreteren en toepassen van het EVRM, vooral bij morele kwesties waar geen Europese consensus is.
Opname in verdrag: Dit beginsel is expliciet opgenomen in Protocol 15 (2018) bij het EVRM.
Kritiek: Het Hof wordt soms bekritiseerd met de vraag of het zich te veel moeit met interne aangelegenheden van staten.
5.2. Raad van Europa versus Europese Unie (EU)
EU-Handvest van de Grondrechten: Werd bindend met het Verdrag van Lissabon (2009). Het Verdrag van Lissabon maakte ook de toetreding van de EU tot het EVRM mogelijk.
Toetreding EU tot EVRM: Het EU-Hof van Justitie (HvJ-EU) blokkeerde deze toetreding in 2014, omdat het vreesde voor de autonomie van het EU-rechtssysteem.
Wisselwerking:
Het HvJ-EU bouwt in de praktijk voort op de rechtspraak van het EHRM.
Het EHRM hanteert het vermoeden van equivalente bescherming (Bosphorus-presumptie). Het Hof gaat ervan uit dat de EU een beschermingsniveau biedt dat gelijkwaardig is aan dat van het EVRM. Zolang dit vermoeden niet wordt weerlegd, toetst het EHRM geen handelingen van de EU (of lidstaten die EU-recht implementeren) aan het EVRM. (Casus: EHRM, Bosphorus v. Ierland, 2005).
5.3. Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS)
Verdrag: Amerikaanse Conventie voor de Rechten van de Mens (1969).
Organen:
Inter-Amerikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens: Behandelt klachten en kan zaken voor het Hof brengen.
Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens: Bindende geschillenbeslechting, adviserende opinies. Zowel interstatelijke als individuele klachten mogelijk.
5.4. Organisatie van Afrikaanse Eenheid (nu Afrikaanse Unie)
Verdrag: Afrikaans Handvest voor de Rechten van de Mens en de Volken (1981).
Orgaan:
Afrikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens en de Volken: Behandelt interstatelijke en individuele klachten. De uitspraken zijn niet-bindend.
Doorverwijzing: De Commissie kan zaken doorverwijzen naar de Assemblee van Hoofden van Staten en Regeringen, het politieke orgaan van de AU.
5.5. Liga van Arabische Staten
Verdrag: Arabisch Handvest voor de Mensenrechten.
Kenmerken:
Islam krijgt prioriteit over andere religies.
Weinig bescherming voor vrouwen en kinderen.
Toekomst: Er zijn plannen voor een interstatelijk Arabisch Hof voor de Rechten van de Mens.
5.6. Azië
Status: Er is geen overkoepelend regionaal mensenrechtensysteem (verdrag of hof) in Azië.
6: PUBLIEKE NOODTOESTAND (DEROGATIE)
6.1. Het Begrip Derogatie
Principe: Verplichtingen uit mensenrechtenverdragen blijven bestaan, ook tijdens een publieke noodtoestand.
Uitzonderingen:
Humanitair recht (lex specialis): In tijden van internationaal gewapend conflict is het humanitair recht van toepassing.
Derogatie (afwijking): Bepaalde verdragen (zoals het CCPR en het EVRM) staan staten toe om tijdelijk af te wijken van hun verplichtingen onder strikte voorwaarden.
6.2. Voorwaarden voor een Geldige Derogatie
Actuele of imminente bedreiging: Er moet een bedreiging zijn voor “het leven van de natie”. Dit is een zeer hoge drempel.
Strikt vereiste maatregelen: De genomen maatregelen moeten strikt evenredig zijn aan de ernst van de situatie.
Geen afwijking van non-derogabele rechten: Van bepaalde fundamentele rechten kan nooit worden afgeweken. Dit zijn onder meer het recht op leven (met uitzondering van rechtmatige oorlogshandelingen), het verbod op foltering, het verbod op slavernij en het beginsel van nullum crimen, nulla poena sine lege.
Communicatie: De derogatie moet officieel worden gecommuniceerd aan de andere verdragsstaten.
Voorbeelden:
COVID-19 lockdown-maatregelen.
Oekraïne onder de krijgswet na de Russische invasie.
7: TERRITORIAAL TOEPASSINGSGEBIED? JURISDICTIE
Een cruciale vraag is of mensenrechtenverdragen staten enkel binden op hun eigen grondgebied, of ook daarbuiten.
7.1. Het Toepassingsgebied van het CCPR (BUPO)
B7 Artikel 2(1) CCPR: “Alle individuen binnen het territorium en in de jurisdictie”.
Interpretatie:
Het Internationaal Gerechtshof (ICJ) oordeelde in zijn Adviserende Opinie over de Muur dat het CCPR ook buiten het grondgebied van een staat kan gelden.
Het CCPR-Comité stelt dat dit het geval is wanneer een staat “macht en effectieve controle” uitoefent.
Nuance: Praktijken van de NSA (VS) (bv. het Global Surveillance Program) zouden volgens het comité vaak buiten dit toepassingsgebied vallen.
7.2. Het Toepassingsgebied van het EVRM
B6 Artikel 1 EVRM: “Iedereen binnen de jurisdictie”.
Opmerkelijk: Tijdens het opstellingsproces stond er “alle personen die resideren binnen het territorium”, maar werd uiteindelijk veranderd naar “iedereen binnen de jurisdictie”, wat een ruimere interpretatie mogelijk maakt.
Interpretatie door het EHRM:
Het EVRM kan ook buiten het grondgebied van een lidstaat van toepassing zijn.
Voorwaarde: Wanneer de staat “authoriteit en controle” uitoefent.
Casus: EHRM, Issa v. Turkije (2014). Ook de Nederland tegen Rusland (MH17)-zaak betreft de extraterritoriale werking van het EVRM.
8: VLUCHTELINGENRECHT
8.1. Algemene Regels en Beperkingen
Recht op vertrek en terugkeer:
Iedereen heeft het recht om elk land te verlaten, inclusief het eigen land. (Art. 12 CCPR).
Iedereen heeft het recht om het eigen land binnen te komen. (Art. 12 CCPR).
Geen algemeen recht op toegang: Niet iedereen heeft het recht om elk ander land binnen te komen. Staten behouden het recht om hun grenzen te controleren, maar kunnen dit beperken door verdragsverplichtingen ter bescherming van vreemdelingen.
8.2. De Vluchtelingenconventie en het Protocol
Doel: Bescherming bieden aan mensen die vrezen vervolgd te worden.
Bronnen:
Vluchtelingenconventie (1951): Oorspronkelijk beperkt tot vluchtelingen na WOII.
Protocol (1967): Verruimde de definitie en het toepassingsgebied tot alle vluchtelingen, ongeacht de datum of oorzaak van de vlucht.
Interpretatie: De VN Hoge Commissaris voor Vluchtelingen (UNHCR) geeft een ‘levende’ niet-bindende interpretatie aan het verdrag.
Rechten en Bescherming:
Het verdrag bevat geen recht op asiel, maar wel een recht op erkenning als vluchteling.
Non-refoulement: Het verdrag bevat een recht om niet te worden teruggezonden (non-refoulement) naar een staat waar leven of vrijheid bedreigd wordt.
Surrogaat bescherming: In dat geval moet de staat waar de vluchteling zich bevindt optreden als een “surrogaat nationale bescherming”.
9: HET NON-REFOULEMENT BEGINSEL IN DE PRAKTIJK
Het non-refoulement beginsel is een fundamenteel principe dat in meerdere mensenrechteninstrumenten voorkomt en door toezichthoudende organen wordt uitgebreid.
9.1. Bronnen van Non-Refoulement
CAT en CCPR: Beide bevatten een recht om niet terug te keren naar een staat waar foltering of andere vormen van mishandeling (ill-treatment) kunnen plaatsvinden.
Casus: Het CCPR-Comité oordeelde in een zaak van een klimaatvluchteling uit Kiribati in Nieuw-Zeeland dat terugkeer geen schending van het non-refoulement beginsel inhield omdat er geen reëel risico op foltering of willekeurige detentie was.
9.2. De Uitgebreide Interpretatie door het EHRM
B6 Artikel 3 EVRM: Het EHRM heeft het verbod op foltering en onmenselijke behandeling geïnterpreteerd als een recht om niet te worden teruggestuurd (non-refoulement) naar een staat waar:
Foltering of andere vormen van mishandeling (ill-treatment) kunnen gebeuren.
De vrijheid van de persoon in gevaar is.
Er sprake is van een flagrante ontkenning van het recht op een eerlijk proces.
Uitbreidingen van de bescherming:
Terroristen en oorlogsmisdadigers: Dit recht geldt ook voor mensen die terrorisme of oorlogsmisdaden hebben begaan, voor of na hun aankomst.
Zieke personen: De bescherming kan ook van toepassing zijn op een zieke persoon indien er geen (toegang tot) gepaste behandeling is in het land van herstel, met als resultaat intens lijden of een significante verminderde levensverwachting.
Kernpunten ter afsluiting:
Van nationaal naar internationaal: Mensenrechten zijn na WOII een kernonderdeel van het internationaal recht geworden.
Dubbel VN-systeem: Handhaving verloopt via politieke organen (Mensenrechtenraad) en verdragsorganen (Comités).
Regionale bescherming: Het EHRM biedt de meest verregaande en juridisch bindende bescherming via een dynamische interpretatie van het EVRM.
Categorisering: De indeling in burgerlijke/politieke en sociale/economische rechten is belangrijk, maar de praktijk leert dat ze onlosmakelijk verbonden zijn en dat staten ook positieve en horizontale verplichtingen hebben.
Uitzonderingen: Rechten kunnen worden beperkt, maar er gelden strikte voorwaarden. In een publieke noodtoestand kan worden gederogeerd, maar nooit van jus cogens normen.
Jurisdictie: Mensenrechtenverdragen kunnen ook extraterritoriaal van toepassing zijn, afhankelijk van de controle die een staat uitoefent.
Non-refoulement: Dit beginsel is een hoeksteen van het vluchtelingenrecht en is door het EHRM uitgebreid tot een absoluut verbod op uitzetting in geval van ernstig risico op schending van Art. 3 EVRM.