Notities Middeleeuwen – samenvatting en aantekeningen

2 Middeleeuwen: situering en beeldvorming

  • Probleem: ons beeld van de middeleeuwen is vaak negatief; waarom? oorzaak van veronderstellingen en verschuivingen in interpretatie.
  • Onbewuste vooroordelen: ME vaak pejoratief en ‘anders’ maar niet primitief.
  • Typologisch denken: de middeleeuwer interpreteert OT → NT (prefiguratie) en NT → verlossing (antitype).
  • Weerspiegeling: kerkgeschiedenis en laatste oordeel als leidraad in betekenisgeving.
  • ME denkt in een ander referentiekader: uitgangspunten, verwachtingen en symbolische geladenheid van dagelijkse begrippen (bijv. uil, vos, zeemeermin).
  • ME wordt soms als vreemde werkelijkheid ervaren; afweermechanismen: demoniseren van het andere en idealiseren van het verleden.
  • Symboliek en heilsgeschiedenis: ME-kunst werkt via analogische relaties en verwijst naar diepere betekenissen.
  • Betekenis van geschiedenis: stelselmatig uitbouwen van het Rijk Gods als Heilsgeschichte.
  • OT als voorafschaduwing van NT; NT-interpretatie via typologie.
  • Zorg voor kritische reflex: hoe én waarom verhoudt dit beeld zich tot huidige bevindingen?
  • Praktische voorbeelden/beeldvorming in de klas: (1) heksenvervolgingen, (2) de positie van vrouwen, (3) aarde als platte schijf, (4) literatuur en wereldbeeld.
  • Vragen Jef Janssens (lede-specifieke prompts):
    • 1) Massale heksenvervolgingen (eerste helft 17e eeuw; barok/contrareformatie) vooral post-ME; lazen. Sprenger en Institoris (1486): Malleus Maleficarum – antifeministisch.
    • 2) Verdrukking van vrouwenrechten (19e eeuw) en Romeins recht met vrouwenonvriendelijk klimaat; romantische beeldvorming van de ME-vrouw versus feiten via 12e–16e eeuw: bezetting van goederen, beroepen, naamgeving, literaire beeldvorming.
    • 3) Aarde als platte schijf: conceptueel/holistisch, geen derde dimensie; polemiek tussen heidendom en bijbels wereldbeeld; discussies aan universiteiten eind 12e eeuw.
    • 4) Literatuur en het wereldbeeld: ME-wereldbeeld fundamenteel Grieks-Romains met bijbels detail; polemieken in Parijs (begin 13e eeuw).
  • Conclusie: door academische herziening veranderen tijdlijnen en interpretaties; ME is een mengvorm van erfgoed uit verschillende tradities.

3 2 o onderhemels water en de zeven sferen; tijdlijn en referenties

  • Oer-elementen en kosmologie: onderhemels water = 1/4 oer-elementen; bovenhemels water = oer-materie (in kristalvorm).
  • In de 9e sfeer: kristallijnen hemel (celum cristallinum); aarde als bol met 7 sferen.
  • Dante Alighieri (467–1453) situeert ME-tijd/ruimte; ME-NT-relatie: ancien régime (476–1789); breuk in 1800 (industrialisatie, revolutie, Verlichting).
  • Drie werelden: christelijk westen; ORR/Byzantijnse rijk; islamwereld.
  • De ME-naam: eeuwen in het midden tussen antieke en vroegmoderne periodes; negatieve connotatie in onderwijssysteem, romantiek in de 19e eeuw (Gotische kunst).
  • Periodisering (handboek-indeling):
    • Vroege middeleeuwen I (ca. 400–750)
    • Vroege middeleeuwen II (ca. 750–1000)
    • Hoge middeleeuwen (ca. 1000–1200)
    • Late middeleeuwen I (ca. 1200–1350)
    • Late middeleeuwen II (ca. 1350–1500)
  • Datering en transformaties: Edict van Milaan (313); val van Rome (410); einde WRR (476); val Constantinopel (1453); ontdekking Amerika (1492); Luther’s stellingen (1517).
  • Focus op transformaties en processen: migratiebewegingen, groei van steden, institutionele veranderingen, religie en cultuur als drijfveren.

4 Einde: vroegmoderne tijd tot 1800; ME in geschiedwetenschap

  • Einde van de antieke orde en transitie naar de middeleeuwen; de ME als bufferperiode en overgang naar moderne samenlevingen.
  • Grondslagen van de huidige maatschappij ontwikkeld in ME: verspreiding christendom, taalvorming, territoiale staten, urbanisatie.
  • Politieke en economische veranderingen:
    • Medezeggenschap (parlement), bankwezen en handelskapitalisme.
    • Universiteiten, codex, literatuur in volkstaal.
  • Regionale diversiteit: begin ME-geschiedenis wordt gekaderd door volksverhuizingen en de val WRR; 1e industriële veranderingen en economische transformatie.
  • Conclusie: ME als kernperiode van transformatie van oud naar nieuw, met nadruk op continuïteit en heroriëntatie van politieke en religieuze macht.

5 Romeinse beeldvorming: barbaren als angst en bewondering; drie typen bewegingen

  • Betekenis van barbaren: angst en minachting, maar ook ontzag en bewondering.
  • Typologie barbaren:
    • Sedentair-agrarische barbaarse groepen (Kelten, Germaans, Slaven).
    • Niet-sedentaire barbaren: afhankelijk van landbouwers; buit/oorlogvoering.
    • Steppen nomaden: Hunnen, Alanen, Avaren, Bulgaren, Hongaren.
    • Woestijnnomaden/bedoeïenen: Arabieren op Arabische schiereiland; vestiging in oasen.
  • Leefwijze en economie: sedentaire landbouw, marktplaatsen op karavaanroutes, thuisbasis handelaren, specialistenwerkers.
  • Movers/volken van volksverhuizingen: etnogenese; leefden in chiefdoms; barbaarse krijgsheren als leidende figuren.
  • Drie typen volksverhuizingen:
    1) Grootschalige inval
    2) Geleidelijke infiltratie van grensgebieden: barbaarse boeren-kolonisten; foederatie met Romeinen mogelijk
    3) Intermediaire vormen: barbaarse huurlingenleger
  • Twee golven volksverhuizingen: Romeinen gebruiken verdeel-en-heersstrategieën; 3e–5e E ingroeien van barbaarse machten.
  • Belangrijke voorbeelden: Salische Franken; Visigoten; Ostrogoten; Alemannen; Vandalen; Hunnen; etc.
  • Doel: uiteenzetting van hoe volksverhuizingen hebben bijgedragen aan desintegratie van WRR en transformatie van Europa.

6 Vandalen, Sueven, Alemannen en Franken (6–7e eeuw): kernpunten

  • Vandalen: raids en plundering in Gallië; Oostelijk en Westelijk scenario; Hippo et al.
  • Suezen: noordwest Spanje; Visigoten verzamelden macht; Alemannen in SW-Duitsland.
  • Franken: Merovingische dynastie; opkomst van hofmeiers; Gothische en Frankische invloeden; transitie naar Karolingische periode.
  • Foederatie en verschuivingen: Franken als machtsspelers; Salische wet en erfopvolging; integratie van Kerk en staat; Clovis als bekering tot katholicisme; roep tot bisschoppen en koningen; hofmeiers als machtsdragers.
  • 5de eeuw tot 6e eeuw: hydra-achtige verdeling van macht; toetreding van Romeinen tot Frankische stelsels; 507: Clovis overwint Visigotische rijk; 711: moslims innemen Iberisch schiereiland; 718: contrareactie; 8e–9e eeuw: uitbouw van Frankische macht, karolingische centralisatie.

7 Justinianus en de renovatio imperii (527–565)

  • Renovatio imperii: herstel van Rom. gezag in MZ; doel: hereniging van rijk en hernieuwde macht.
  • Kerkelijke en theologische ontwikkelingen: tegen Ariaanse Ostrogoten (Nicea-325)
  • Militaire veroveringen: Longobarden; stichten Lombardije (Pavia); 755–773: Gallië, 773 einde Longobarden; integratie in Frankische rijk.
  • Politieke ontwikkelingen: verzet tegen Romeinse gezag; 493 machtsovername Theodorik in Italië; Ostrogotisch koninkrijk (Ravenna) onder Theodorik; 526 Theodorik sterft.
  • Context: Byzantijns leger en Oosters rijk; 493–526: Theodorik consolidatie; 526–565: Theodora en Byzantijnse restauratie.

8 7 koninkrijkjes in Brittannië en het Frankische rijk; Kerkvaders en monniken

  • Begin ME: Kerkvaders, pausen en monniken als kernautoriteiten; voorbeelden:
    • Ambrosius (Italië): tegen Arianen; doopte Augustinus; patroonheilige bij imkers.
    • Hiëronymus: vertaling van Bijbel; Vulgata; purperrood kardinaalsgewaad.
    • Augustinus: bekering, genadeleer, erfzonde en verlossing door Kruis; aanpak van zonden en geconditioneerd door Kirke.
    • Gregorius de Grote: paus, organisator; vita Benedicti; expulsie van heidense tradities; verspreiding Latijnse liturgie.
  • Ontstaan kloosterorden: vita en regel (Benedictus) als basis; Egyptische anachoretisme en cenobitisme; verbreiding via Martinus van Tours, Johannes Cassianus; Patrick en Columbanus in Ierland.
  • Kloosters: centrale rol in onderwijs, craft, copyistiek, literatuur en bestuur; monastieke en clericale ontwikkelingen; abten en kanunniken als sleutelposities.

9 Organisatie, conciliaire leer en staatskerk (Nicea-325; 4e–6e eeuw)

  • Organisatie: oorspronkelijk geen kerken; samenkomsten in huizen; eucharistie als herdenken van laatste avondmaal.
  • Leer en praktijk: caritas/naastenliefde; geleidelijk universalisering en inclusie van armen en vrouwen; pauselijk centrale gezag ontstond.
  • Concilies: Nicea (325) — orthodoxie vastgelegd; Constantinopel; Chalcedon (451) — drievoudige goddelijke natuur; Credo vastgelegd.
  • Drie-eenheid en verlossingsleer: Vader, Zoon, Heilige Geest; Jezus als God en mens; verzoening door kruisiging; Heilige Geest als derde goddelijke persoon.
  • Constantijns politiek en religie: eenheid van kerk, basilieken, zondagsrust; godsdienstvrijheid via Edict van Milaan (313).
  • Conclusie: patroon van kerkelijke en wereldlijke macht ontwerpen; verhouding paus-keizer als vraagstuk door de geschiedenis heen.

10 Christendom wordt staatsgodsdienst (380) en het Merovingische rijk

  • Theologische en politieke ontwikkelingen: universaliteit, centralisme en autoritarisme als kenmerken van staatsgodsdienst.
  • Romeinse instituties: civiele indeling, bisdommen, onderwijs, kunst; juridische transitie en kruisingspunct.
  • Verbreiding van katholieke Kerk in het RR: verchristelijking van heidense tradities; latere verankering van de katholieke kerk als politieke factor.
  • Merovingische rijk (K40): Franken; eerste foederatie; Bourgondië; bekering tot katholicisme (niet arianisme) door Clovis; visies op de relatie Kerk-Staat; bisschoppen benoemen en zalf koning; zuilen van de macht; rijksdelingen.
  • Rijksvorming en rijksdeling: Salische wet; per zending; Chlotarius I; vijf koningswortels; Dagobert; uiteenvallen in deelrijken; oostelijke gebieden verzelfstandigd; belichaming van het begrip ‘barbaar’ als statuut foederati; de relatie Kerk-Staat wordt belangrijker.

11 Hofmeiers en Karolingische macht, Pepijn en Karel de Grote

  • Hofmeiers als feitelijke machthebbers: maior domus; Pepijn I, Pepijn II, Pepijn III; Karel Martel; overwinning bij Poitiers (732) tegen moslims; inlijving van begrenzingen: Aquitanië en Bourgondië.
  • Pepijn de Korte en de schenking Ravenna aan de paus (Donatio Pippini): uitbreiding pauselijke staat; Kerk en wereldlijk gezag smelten samen.
  • Karolingische dynastie: Pepijn III de Korte → Karel de Grote; expansie en bestuur; kroning tot keizer (800) door de paus; translatio imperii; 791–799: veroveringen bij Avaren; 772–802: Saksen; 778: Basken; 787–? Deense mark; 795: Oostmark Oostzee.
  • Bestuur: geen centrale administratie in het begin; ambulante koningschap; hofgeestelijkheid; kapittels en kapittelwetten; zendgraven (missi dominici).
  • Kerk als politiek en cultureel bemiddelaar: bisschoppen benoemen koningen; bisschoppen in rijk aanstelling; kerken en kroondomeinen; centralisering via paus en keizer.

12 Interpretatie van de karolingische vorsten: Karel de Grote en zijn taak

  • Karel de Grote (768–814): oudste zoon van Pepijn III; 46 jaar bestuur; expansie van het Karolingische rijk; kroning tot keizer (800); translatio imperii.
  • 773: Longobardische rijk tot Rome; 772–802: strijd tegen Saksen; 778: Basken en Saracenen; 791: Avaren; 799: paus Leo III in Paderborn; 800: kroning in Rome; 813: erkenning keizerstitel door Byzantium.
  • Structuur en bestuur: geen centrale administratie; ambulante hofmacht; kanselarij; capitularia (decreten) via kapittels; appels van kerkelijk en wereldlijk gezag.
  • Ontwikkeling: samenwerking kerk/staat; Papale macht groeit; zending naar Brittannië; uniformering van Latijnse liturgie; Gregoriaanse gezangen; Benedictusregel.

13 Opvolging en rijksdelingen: Verdun (843) en de opkomst van Duitsland/Frankrijk

  • 814: Karel de Grote sterft; 813: keizer Lodewijk de Vrome; 817: Ordinatio imperii (eerstgeboorterecht) – Lotharius krijgt ondeelbaar koningschap; muudiging in de opvolging.
  • 840: Verdrag van Verdun: West-Frankische Rijk (Karel de Kale); Oost-Frankische Rijk (Lodewijk de Duitser); Middenrijk (Lotharius).
  • Latere verdelingen: Lotharingen, Italië en Bourgondië; 880 bij Oost-Frankse rijk; 951 bij Duitse rijk; 1033 bij Duitse rijk (Bourgondië + Provence).
  • Keizerstitel naar Duitse rijk vanaf 962; einde Karolingische dynastie; 911 Ottonen nemen macht over (Oost-Frankische rijk); 987 Capetians in West-Frankrijk; ontwikkeling naar Frankrijk.
  • Gevolg voor onze gewesten: Schelde als grens; uitbreiding Antwerpse en Vlaamse gebieden; veranderende machtspet tussen oost en west; consolidatie van keizers en koningen in Duitsland en Frankrijk.

14 Karolingische erfopvolging en rijksvorming: 814–987

  • De Karolingische familiepolitiek en dynastiële verdelingen – recht van opvolging en erfopvolging.
  • De verdeling van land tussen zonen leidde tot broedertwisten en regionale machtenscheiding; leefde als verenigbaar concept van regnum Europae als christendom.
  • Duurzaamheid: Kroondomein en kroondomeinbewaring; adel en kerk: adellijke grootgrondbezitters; invloed op landbeheer en cultuur.
  • Niet-uniformiteit van het rijk: regionale verschillen; Engeland, Italië en Oost-Europa volgen eigen trajecten; nul terre sans seigneur (vrij van heer) blijft later een kernconcept.

15 Feodaliteit (leenstelsel) en vazalliteit

  • Definities:
    • Feodaliteit = leenstelsel; vazalliteit = vazalrelatie; beneficium of feodum = leen; beide vrije mannen met rechten en plichten.
  • Verhouding heer-vazal: trouw aan leenheer; raad en daad (consilium et auxilium); zitting in leenhof; krijgsdienst te paard.
  • Verleen en ontvangsten: leengoed = domein, roerend goed, ambt, geldsom; meestal tijdelijk maar vaak erfelijk in praktijk (9e eeuw).
  • Investituur en ceremonieel: vazal knielt, heer investeert; leenheer verleent leengoed; leenheer blijft eigenaar, leengerecht roerende bevoegdheid bij vazal.
  • Soms meerdere leenheren: met voorrang van één heer (ligische vazalliteit).
  • Voorlopers: comitatus in Merovingische periode; Karolingische hofmeiers en koningen – land van honderden getrouwen; stijgbeugel en cavalerie; uitvinding van de stijgbeugel (8e eeuw).
  • Verspreiding en regionaliteit: geen uniform feodaal piramidevorming in Europa; Engeland kende Thegns; latere 11e–12eE: nulle terre sans seigneur.

16 Sociaal-economische ontwikkelingen

  • Economische groei en uitbreiding van handel door Karolingen; dynastische en bestuurlijke hervormingen.
  • Dorpssamenleving, handel en nijverheid; hofstelsel en horigheid; domaniaal stelsel; grondheerlijkheid (Grundherrschaft).
  • Domeinstructuur: kroondomein (fisci), abdijen en bisschoppen; gouw en kadaster; mansi en villa’s; hoevenland en hof; onderhoud en aanlevering (1/10 de kerk); horige/coloni.
  • Wederkerigheid: hoevenland + vorst; productie en ruil; politieke en economische functies:
    • volkse boeren: vrije en horige; opbrengsten en natuur-/geldafdracht; hof en Kerk dragen bij aan leefonderhoud.
  • Leen- en domeinbeheer: banale heerliijkheid; 10de eeuw: seigneurie banale.
  • Bronnen: Capitulare de villis en polyptieken;
  • Verschuivingen: regionale diversiteit; geen uniform systeem; continue ongedwongen boeren; dominante rol van hof en kerk in agrarische zones.

17 Dorpssamenleving (uit meerdere heren)

  • Geen duidelijke bezitseenheden; beperkte sociale samenhang; wel verbindende elementen zoals eden, huwelijken, geschenken.
  • Parochie, kerk en gerechtshof als verbindingselementen tussen boeren, hovelingen en clerus.
  • Handel en nijverheid: op domein landbouw en ambacht; abdijen, koninklijke residenties en bisschopssteden; emporia en Friese handel in MZ-gebied; handel via zee en imperial economie.
  • Friese handel en emporia: handel via kanaal en Oostzee; Friese handelsnetwerken; lokale markten en jaarmarkten.
  • Een economische transitie: naar meer monetaire economie en urbanisatie; ontwikkeling van markten en munten; handel en nijverheid als motor van regionale groei.
  • Kerkmisstanden en hervormingen: monastiek vs canonicus; kloosters als economische en intellectuele centra; onderwijs en literatuur als drijvende krachten.

18 Ordo monasticus en Ordo canonicus (817 Concilie van Aken; 816 Concilie van Aken)

  • Ordo monasticus: kloosterleven; Benedictijnse regel wordt leidend, maar aanpassing mogelijk in plaatselijke gewoonten (consuetudines).
  • Modelkloosters en stichtingen: Inde/Kornelimünster; kloosterplan van Sankt-Gallen; einde mengregels en dubbelkloosters; vrouwenkloosters blijven bestaan.
  • Ordo canonicus: kanunniken; regel van Aken (816); duidelijke scheiding tussen monniken en canonie; priesterwijding en prebenden; minder streng leefpatroon; privéwoningen toegestaan.
  • Kerk-organisatorische maatregelen:
    • vorming parochies; tiendensysteem; actief onderwijsbeleid; scholing geestelijken; scholen in abdijen en kathedralen;
    • bisschoppen: scholen en onderwijs; LO in parochies; weinig succes tot tragere tijden.
  • Liturgie volgens Rome: Gregoriaanse gezangen; heiligdommen en koorzang; kapittelkerk; kloostergemeenschappen.
  • Conclusie: kerk bepaalt het ritme van het leven: dagklokken, kerkelijke kalender; zeven sacramenten; schepping en oordeel als levenshouding.
  • Karolingische renaissance: intellectuele heropleving; Karel de Grote’s doel: betrouwbare bijbeltekst en opleiding geestelijken; Latijnse literatuur; alfabetisering; Bildung.

19 Dragers culturele en intellectuele heropleving (Karolingische renaissance)

  • Hofschool van Aken: internationaal gezelschap; vorming hofambtenaren en geestelijken; academie voor poëzie, filosofie, theologie; raadgevers van de koning.
  • Septem artes liberates: 7 vrije kunsten; Trivium (taal) en Quadrivium (wetenschap) – christelijke boodschap integreren.
  • Abdijen: realisaties zoals Biblia Vulgata; Karolingische minuskels; bloei van dichtkunst en geschiedschrijving; Rijksannalen; Vita Caroli van Einhard; Heliand (Germaanse literatuur).
  • Post-Karolingische renaissance: invallen van Vikingen; bronnen (kronieken, runen), archeologie; handel en kolonisatie; de opkomst van steden in de 11e eeuw; vernieuwing in onderwijs en cultuur.
  • Conclusie: karolingische heropleving legt fundamenten voor latere Europese intellectuele tradities en onderwijs.

20 West-Frankische Rijk en de Noormannen (9e–10e eeuw)

  • Maakt gang naar versterking van vorstelijk gezag maar ook toename van lokale macht; noormanneninval en de opkomst van Normandië (Rollo, 911).
  • Denen vestigen zich in Engeland en geven vorm aan de Engelse structuur (Danelaw); Alfred de Grote (869–899): centralisatie, shires, earl, sheriff, literaire wetgeving, wetboeken en verenigde koninkrijk.
  • 10e eeuw: koninklijk gezag verzwakt; centrale macht verschuift naar graven en hertogen; feodale verhoudingen vormen de basis van macht; 4 hertogdommen (Saksen, Franken, Zwaben, Beieren).
  • 911: Otto I de Grote (Ottonen) als eerste keizer van het Duitse Rijk; verhouding tussen keizerschap en koningschap (Duitsland en Italië); 951: Oostrijcksheerserschap; 962: keizerstitel bevestigd; 987 Frankrijk blijft Capetingen.
  • Handel en migratie: opkomst nieuwe steden; Venetië, gilde- en handelsactiviteiten; kruid- en textielhandel; economische groei in Noord- en West-Europa.
  • Kerk en cultuur: 10e eeuw – kerstening versnelt; Cluny-beweging (910) brengt liturgie en monastieke hervormingen; Cluny-kloster en de uitbreiding van kloosterorden door Europa.

21 2 pijlers bewind: hofmacht en rijkskerk; keizers en paus

  • Twee pijlers van bewind:
    • Hausmacht: familiepolitiek, benoemingen en huwelijken; rijkskerk en rijkskerkenstelsel; hofkapel en wereldlijke macht.
    • Kanselarij: geestelijke aan het hof; uitspraken en decretale korpsen; kapittel en het recht van de paus.
  • De keizer krijgt macht via samenwerking met Kerk: POV van paus ten opzichte van keizer; instemming bij pauskeuze; zaken rondom Italiaans bewind en keizerschap.
  • Otto II en Otto III: Ottoonse renaissance; huwelijk Theophanu; banden met Byzantijnse Rijk; Otto III (keizer) symboliek van landsrijksappel; heilige rooms-kijk die de keizerpositionering versterkt.
  • Economie: landbouw, steden en handel; bevolkingsgroei; ontginningen; oprichting marktnederzettingen en Venetië als handelspartner; einde slavernij in sommige zones (slaven wel in O-wople); handel via zee en maritieme routes; 10e eeuw: opkomst van Venetië als havendorp en handelsstad.
  • Cultuur: 10e eeuw, verovering en verbranding van de urbanisatie; 11e eeuw: Cluny-beweging; 12e eeuw: toenemende scholastieke methode en uitbouw universiteiten; Bologna als centrum van civiel recht.

22 Cluny en de klok van de Kerk: monastieke beweging en hervorming

  • Cluny: verlichting van gezag in kloosters; abten worden de hoofdfiguren; Cluny II; enorme uitstrekkende invloed in 11e eeuw: meer dan 1000 kloosters in kring van Cluny; kloosterdiscipline en streng regelwerk.
  • Abt van Cluny en de hervorming van de Kerk: bevordering van vrijheid van de Kerk ten opzichte van wereldlijke macht; liturgie en de liturgische vernedering; pauselijke campagnes richting hervorming; roeping tot moreel en intellectueel gezag.
  • Literatuur en geschiedschrijving: Ottoonse renaissance, Byzantijnse kunstenaars en geleerden in West; exacte wetenschappen en quadrivium.
  • Conclusie: Cluny zorgt voor fundamentele hervorming die bijdraagt aan de vereniging van kerk en staat en de intellectuele bloei van de late middeleeuwen.

23 Verschriftelijking van rechtspraak en het rechtssysteem

  • Romeins recht: Theodosius II en Justinianus codificeren het civiel recht; Wetboek van burgerlijk recht blijft bestaan in Germaanse rijken (Gallo-Romeinen).
  • Germaans recht: mondelinge stamswetten; personaliteitsbeginsel; strafrecht met bloedgeld (zoengeld) en werggeld; conflictbeheersing via compensatie en verzoening.
  • Doel van rechtspraak: conflictbeheersing, faida (bloedwraak) vermijden; geld, boeten en verzoening als vormen van herstel.
  • Adellijke structuren: Romeinse en Germaanse edellieden; coniuraties en hof; vazalrelaties en wijding.
  • Verschillen met romeinse keizertijd: groter belang van militair gezag en kerkelijke leiders; comitatus en vazalrelaties; regionaal bestuur via graafschappen en hertogdommen.

24 Economie: landbouw en handel in de middeleeuwen

  • Over land: uitgebreid wegenennetwerk; handelspaarden en MZ-regio's.
  • Nieuwe routes: via Rusland; noord-zuid route via Kelten; handel via amber en keramiek; verandering van handelssferen door opkomst van Vlaamse handel en de lage landen.
  • Neergang en hervorming (3e–6e E): klimaatverslechtering, bevolkingskrimp, pest, urbanisatie naar platteland; latifundia en villa’s; slavernij en handel dalen; 7e–11e E: platteland groeit uit tot handelszones.
  • Noordzeehandel en emporia: Friese handel, shippings, emporia langs de kust; jaarmarkten; monetaire economie en zilveren denarii (680).
  • Handelsteden: opkomst van stedelijke autonomie, gilden, patriciërs en kooplui; Hanze (Lübeck, Brugge, Antwerpen) – orde en monopolievorming; ontwikkeling van krediet en bankwezen (deposito, girobank).
  • Stedelijke nijverheid: ambachten, gilden, en de opkomst van burgerij; koplieden en ambachtslui; frequentie van handels- en productiecentra.
  • Verandering van de textielindustrie in Vlaanderen; economische dynamiek en regionale verschillen.

25 Wel en wee van de kerstening (kerstening) en de kerstening – tweede golf

  • 2e golf van kerstening (4e eeuw) en de 5 patriarchaten (Rome, Konstantinopel, Antiochië, Alexandrië, Jeruzalem).
  • Oosters Schisma (1054): scheiding tussen oost en west; paus en patriarch als gezagdragers.
  • Mechanismen van kerstening: missionsibeslissingen, bisschoppen, abdijen; leer en praktijk; lekenwereld: koning en adel laten bekeerde bevolking dragen; syncretisme met lokale tradities.
  • Monnikdom en kloosters (westers): kloosterleven en ascese; bekende figuren zoals Columbanus en Bonifatius in Duitsland; Willibrord en Liudger; Columba; paters en missionarissen.
  • Einde heidense praktijken: van indeklucht naar moreel-ethische codes; kloosters als centra van geleerdheid en bestuur; spreiding van Latijn en Latijnse literatuur.
  • Begin Karolingische periode: uniforme regels voor monniken, streng discipline, en uniformering van het geloof.

26 Benedictus van Nursia (480–545) en kloosterregel

  • Benedictusregel: Ora et Labora; 8 uur bidden, 8 uur slapen, 8 uur werken; drie geloften: kuisheid, gehoorzaamheid, armoede; afstand doen van privébezit.
  • Benedictusregel als basisregel voor monniken en kloosters; invloed op kloosterleven en liturgie.
  • 3 categorieën: ordo monasticus (abdijen) en ordo canonicus (kanunniken); kloosters als economische en intellectuele centra; kloostercultuur als drijver van onderwijs en archieven.
  • Structuur van het monnikendom: cenobitisch leven onder abt, kloostervorming en monniken als leraren en kopisten; de kloosters als grootgrondbezitters en economische motor.

27 Geloofsbeleving en bronproblematiek

  • Bronnen: vitae, hagiografieën, brieven, preken, penitentieboeken; misbruik en partijdigheid (christelijke bronnen domineren).
  • Heidendom: kenmerken – polytheïsme, heiligdommen, offergaven, amuletten; betovering en heilige plaatsen.
  • Bekeringswerk: overtuigingskracht, logica en beloningen/straf; syncretisme en aanpassing van geloofsinhoud en terminologie om het geloof toegankelijk te maken.
  • Vertraagde verspreiding: elitebekering versus langzame algemene bekering; gemankeerde sociale implementatie en nieuwe rituelen.
  • Praktijk: veldwerk en gewapende bekering; syncretisme en hergebruik van heilige plaatsen; datums en kalender als instrumenten van geloofsbeleving.
  • Bekeringswerk in statuten: volksscholing en prediking; hierbij installaties van kerken, kloosters en kapellen.

28 Verchristelijking en sacramenten; de zeven sacramenten en morele-doeleinden

  • Doopsel: aanvankelijk volwassen; later kinderdoop met dooppeters; latere toegenomen acceptatie van kinderdoop.
  • Eucharistie: liturgisch herdenken; eucharistie als kern van liturgie en geloofsverhouding.
  • Biecht: boeteboek en sacrament; zuivering van zonden.
  • Huwelijk: vanaf 11e eeuw; canoniek recht krijgt strengere regels; endogame en exogame relaties; koninklijke en adelfamilies beïnvloedt.
  • Ziekenzalving, Priesterschap: sacramenten en geestelijkheid; 7 sacramenten vormen de kern van de katholieke theologie.
  • De zeven hoofdzonden: trots, hebzucht, wellust, afgunst, gulzigheid, woede, luiheid.
  • De zeven werken van barmhartigheid: voedsel, drank, onderdak, kleden, zieken verzorgen, gevangenen bezoeken, doden begraven.
  • Concilies van Lateranen (1215): versterking van de sacramentele praktijk; triage van geestelijken; wider discipline of het celibaat voor hogere wijdingen.
  • Doel: integratie van geloof en ethiek in het dagelijkse leven; de Kerk als moreel en sociaal centrum.

29 Nieuwe religieuze orden en de kruistochten

  • Vita apostolica: armoede, gemeenschapsleven en kuisheid als basis van nieuwe orden.
  • Kloosterbewegingen: kluizenaar- en kartuizers (11e E Italië → Zuid Frankrijk → Noord Europa); Strikte regel en kloosterleven; kloosters als reactie op Kerkelijk gezag.
  • beweging van Cîteau: Benedictusregel; strikte armoede en gehoorzaamheid; Lekenbroeders, regulieren kanunnikensystemen.
  • Vrouwen in nieuwe orden: vrouwen vanaf kloostergemeenschappen; geen dubbel kloosters.
  • Kruistochten: oorlogsvoering “voor geloof” – roodgekleurde adel; de kloosterorde van tempeliers en hospitaliers.
  • Oorzaken kruistochten: landbouwverbetering, Kerkelijke macht, vorstenmacht, rijkdom en handel; belofte van vrijheid na tocht; bloei van handel; Seldjoeken in het oosten en de bedreiging voor Byzantijnse Rijk.
  • Propaganda en mobilisatie: prediking door kruistocht-predikanten; aflaat als prikkel; godsdienstig-religieus-militaristische mobilisatie.

30 Kruistochten en de lamppaden van de kruistochtgeschiedenis

  • Vier hoofdcruistochten:
    • Rechtstreeks naar Jeruzalem (1099: val Jeruzalem; Latijns Koninkrijk Jeruzalem)
    • Opvolgende campagnes (eerdere beloftes – 4 kruistochten): 1204 verovering Constantinopel door kruisvaarders; latere staten in het Oosters Middellandse Zeegebied.
    • 4e kruistocht (1202–1204): verovering van Constantinopel; Westers bewind in het Byzantijnse rijk.
    • Kinderkruistocht: verschillende varianten; mislukt of gefragmenteerd.
  • Tempeliers, Hospitaalridders en Teutoonse orde: ridderorden met armoede, gehoorzaamheid en kuisheid; verdediging pelgrims en falen in islamitische gebieden.
  • Reorganisatie en politieke consequenties: latere Byzantijnse autoriteiten; kruistochten als motor voor trans-Europese contacten en culturele uitwisseling; impact op Kerk en staat.
  • Binnenval van de moslims en de reconquista: Iberisch schiereiland – christelijke consolidatie; 1492 voltooid met val van Granada, eerste Israels; moslims en joden verdrijven of bekeren.

31 De gevolgen van kruistochten en ridderlijkheid

  • Rituelen en kasten in de ridderstand; ridderlijkheid verweven met sociale status – wereldlijke en geestelijke deugden.
  • Drie standen: clerus, Dellatores (krijgers), laboratores (arbeiders).
  • Hele middeleeuwen: godsvrede – signaal van kruisridderlijke orde; kruistocht als rechtvaardige oorlog.
  • Islamitische wereld: cradle of knowledge; kruisridders en troon van islam; contactpunten tussen twee wereldbeelden.
  • Joodse minderheid: pogroms; wisselende toleranties; later expulsies in sommige periodes.

32 Mohammed en de opbouw van de islam (ca. 570–632)

  • Mohammeds leven: geboren in Mekka; openbaring sinds 610; Allah via Gabriel; migratie (hijra) naar Medina in 622; mensenrechten en rechtsgevoel.
  • De Koran (650): Arabisch; Allah aan het woord; contextuele reflectie; Hadith – tradities van de profeet.
  • Vijf zuilen van de islam: geloofsbelijdenis, ritueel gebed (5x daags), ramadan, aalmoezen, bedevaart naar Mekka.
  • Bestaan van de moslim als persoon die onderworpen is aan Allah; noem: moslim; geen hiërarchische clerus zoals in christendom; koranleraren en scholen.
  • Rechtsscholen: sharia als wetgeving; khalifa als vertegenwoordiger van Allah; geen wereldlijke- en geestelijke scheiding.
  • 4 kaliefen (Abu Bakr, Omar, Othman, Ali) – opvolging en poltieke macht; onderlinge verdeeldheid en sectes (soennieten vs sjiieten).
  • Staatkundige en culturele bloei: veroveringen – Egypte, Syrie, Palestina; Iran en Irak; pan-Arabische droom; 8e eeuw – 12e eeuw: de islamitische wereld in bloei; Bagdad en de Abbasidenrevolutie.
  • Einde van de dynastieën: 1258 – val van Bagdad; einde politieke eenheid maar blijvende culturele eenheid.
  • Iberië: Al-Andalus; Kalifaat Ommayaden; latere Berbers; 711 Tarik; Spanje; moslims en christenen kruisen paden, culturaal contact.

33 Islamitische samenleving – sociale orde en kalifaatontwikkeling

  • Umma: gemeenschap van gelovigen; Dar al-Islam vs Dar al-Harb; Dhimmi-status voor niet-muslims.
  • Vier opeenvolgende kaliefen in Mekka: Abu Bakr, Omar, Othman, Ali; dynastie van Ommayaden; Arabo-islamitische expansie; 8e eeuw – 9e eeuw: Bologna en het oosten.
  • Ostaten van Islam: Abassieden (750–1258); Bagdad als hoofdplaats; cultuur en wetenschap; vertaalcentra; geneeskunde, algebra, wiskunde, astronomie, optica.
  • Handel en wetenschap: contacten met W & China; verre vlucht; vertalingen van Griekse werken via Arabische vertalers; 9e eeuw – vertaalcentra; invloed op westerse middeleeuwse kennis.
  • Byzantijnse en islamitische wetenschap: wederzijdse invloed; scholastieke methode in de 13e eeuw; Aristoteles-revival; het debat tussen geloof en rede (Summa Theologiae door Thomas van Aquino in het Westen als weerslag van scholastiek denken).
  • Verdrag: end of political unity; stillpends; 1258 Mongolen vallen Bagdad; 1250 calibre; 1310–1400: islamitische wereld – behoud en transformatie van kennis.

34 Byzantijnse rijk: 7 vrije kunsten, economie en steden

  • Byzantijnse rijk na Justinianus (527–565): beschouwing van het rijk en het herstel van de keizerspositie; 7 vrije kunsten als intellectuele basis; handel en stedelijke ontwikkeling.
  • 8e–9e eeuw: beeldenstrijd (iconoclasme); 2e beeldverering; iconodulen; 3e–C9e eeuw: consolidatie onder Macedonische dynastie; 11e eeuw: Oosters Schisma; 1453: val van Constantinopel door de Turken.
  • Hoofdstad Constantinopel: gigantische handel en strategische ligging; goed onderhouden infrastructuren; waterreservoirs; Hagia Sophia; hotels en voorzieningen.
  • Steden en de portaal van handel: twee grote kernen in West-Europa: Vlaanderen/Gent en Noord-Italië; Middellandse Zee handel (Venetië, Genova etc.).
  • 12e–13e eeuw: economische en intellectuele bloei; houva en torens; 2e ring: Byzantijnse kunst en liturgie; de moderne topografie:
  • Eindbalans: de Byzantijnse rijkdom blijft invloedrijk maar onderdrukte politieke invloed; religie blijft het naderen.

35 De islamitische wereld – technologische en wetenschappelijke bloei; 8e–12e eeuw

  • Kalief VII: De Ommayaden en Abbasiden; Bagdad als centrum van vertaalcentra; medische literatuur; algebra; geometrie; astronomie; optica; chemie; wiskunde – grootse verdiensten.
  • Handel en cultivatie: handel met mediterrane en Indische routes; 10e eeuw: einde politiek unificatie; regionale toenemende autonomie.
  • Fatimiden (Caïro): marokko tot Egypte; 9e–12e eeuw; 1258 Mongolen val Bagdad; islamitische/mogolische wereld verweven in de wereldhandel.
  • Iberië: Al-Andalus; emiraat/kalifaat van de Ommayaden; 711-1031; 20+ taifa-koninkrijkjes; reconquista; 1091 Verovering Sicilië; 1250–1300: Almoraviden en Almohaden; 1236 Córdoba en 1492 Granada; 1492 einde reconquista.
  • Einde 15e eeuw: integratie van islamitische en christelijke culturele tradities; 7 scholen en wiskunden.

36 Byzantijns rijk na Justinianus: 7e–11e eeuw

  • 7e eeuw: implosie – gebiedsverlies; demografische crisis; vluchtelingen naar West-Europa; vergrieksing—-Rhomoioi.
  • 8e–9e eeuw: iconoclasme; 2e beeldverering; 11e eeuw: Macedonische dynastie; 1071: Byzantijns-Oosters Schisma; 1453: val van Constantinopel.
  • Handelsmacht: Constantinopel als grootste stad in Europa in de middeleeuwen; grootse land- en handelnetwerken.

37 Landbouw en technologische vooruitgang; 8e–11e eeuw

  • Ontginningen en uitbreiding van landbouwgebied; monastiek en hofstelsel; mechanisering: windmolens, betere ploeg en vier-veldensysteem; klaveren, kool, rapen; paardenteelt.
  • Nieuwe nederzettingen: vrije boeren vs horigen; kompositie en rechtspraak; domaniaal en banale rechten; 11e–12e eeuw: steden groeien; 12e–13e eeuw: gilden en koophandel.
  • Ommuring, tolheffing en stadsrecht; economische autonomie van steden; stadhuis, marktkramers, gilden; vroege burgemeesters en rechtbanken.

38 Hanzen en Noord-Europese handel (12e–14e eeuw)

  • Hanze: kooplui en stedenverbond; 4 grote kantoren (Brugge, Lübeck, Novgorod, Londen).
  • Ambachten en handwerkslieden: leerjongen, gezel en meester; patriotten: patriciërs; vroege economie van Vlaanderen en Brabant.
  • Noord- en Midden-Italië: langeafstandshandel; noord-zuid route; maritieme handelsnetwerken; de Hanze als trans-Europese handelsorganisatie.
  • Een verschuiving in de economische macht: Brugge en Antwerpen als belangrijke handelshubs; bankwezen en kredietverlening diffuseren.

39 Ontdekking der klassieken en de Renaissance van de 12e eeuw

  • Intellectuele heropleving: hernieuwde belangstelling voor Grieks via Arabisch en Latijn; Aristoteles-revival; scholastiek; vraag- en disputatiemethode.
  • Universiteiten ontstaan: Bologna, Parijs, Oxford; juridische disciplines; 3 graden: baccalaureaat, licentiaat, magister; 4 facultaire disciplines: theologie, recht, geneeskunde, rechtspraak (canoniek).
  • Vertalingen en intellectueel verkeer: via Sicilië, Spanje; Arabische en Griekse werken worden in het Latijn gebracht; Argula en Avicenna worden bekend.
  • Belangrijke denkers: Petrus Abelardus (Sic et non); Héloïse en Abelard; Gratianus: Decretum; Thomistisch denken; Duns Scotus en Ockham.
  • Opgang van de universiteiten: onderwijs als drijver van de publieke kennis; theologie en natuurwetenschappen krijgen een nieuw podium.

40 Vijanden van buiten en binnen: heidenen, katharen en joden

  • Buiten: moslims, mongolen; kruistochten en reconquista; christelijke militaire moderne.
  • Joden: dubbelzinnige houding; pogroms; expulsies in sommige periodes; jodenvlucht; jood als geldschieter; misoogsten kansen; de positie van joden in het feodale systeem.
  • Binnen: ketters en ketterij – Katharen (Albigenzen); inquisitie; inquisitoren; dwingende maatregelen; uiteindelijke onderdrukking.
  • Bedelorden en nieuwe religieuze bewegingen: Franciscaanse orde, Dominicanen; begijnen en begarden; 1311 Vienne: Concilie van Vienne – veroordelingen en integratie van begijnen in reguliere orde.
  • Belang van de late middeleeuwen: hervormingsbewegingen, prediking en de rol van de burgerij en stedelijke gilden in religieuze en intellectuele veranderingen.

41 Ontluistering van het pausschap en middeleeuwse intellectueel leven

  • Pauselijk gezag en problemas: Unam Sanctam (Bonifatius VIII) – paus staat centraal; Babylonische gevangenschap (1309–1377) – paus in Avignon.
  • Kritiek op pauselijk gezag: Marsilius van Padua (Defensor pacis); Dante (Monarchia); discussies over de verhouding van paus en keizer.
  • Universiteiten en geleerdheid: 12e–13e eeuw; Bologna, Padua, Parijs, Oxford; Drie graden; Aristotelische werken en islamitische invloeden; wereldoorlog tussen rede en geloof.
  • Economische factoren: pest en oorlog dragen bij aan demografische en economische veranderingen; 14e eeuw: de Zwarte Dood; 14e eeuw: klassenstrijd; literatuur: volksverhalen en literaire werken in volkstaal.
  • Politiek: moderne staatvorming; conflict en hervorming van kerkelijke en wereldlijke macht; 13e–14e eeuw: conciliaire beweging en opkomst van Reformatie (Verlichte bewegingen).

42 Grenzen van de christenheid: ketterij, inquisitie en gemoraliseerde orde

  • Heksenvervolging: voor 1400 bijgeloof; 1487 Malleus Maleficarum; 16e en 17e eeuw: heksenjacht; rol van inquisitie.
  • Ketterijen: Katharen/Albigenzen; inquisitie en boekenverbranding; vervolging en diaspora; 13e–14e eeuw: bewegingen tegen katholieke leer.
  • Bedelorden en begijnen/begarden: semi-religieuze leefvormen; 13e eeuw: begijnen erkend; 2013: laatste begijn sterft; UNESCO-werelderfgoedsporen.
  • Kerkhervorming en concilie: Lateranen-concilies, 1139 celibaat; 1215 Lateranen II en decennium; 1517 Reformatie – hervormingsdrang als reactie op misstanden binnen de Kerk.

43 Economische crisis, contractie en herstel

  • Demografische crisis: pest en hongersnood; 14e eeuw – economische krimp; 14e eeuw: crisis; herstel in 13e eeuw; 1300 overbevolking; pest; 14e aardlagen.
  • Maritieme handel en krediet: Brugge, Venice, Hanze; bankieren – depositogirobank; wisselbrief; handel en kruisingen; 14e eeuw – handel en textiel in Vlaanderen; concurrentie met Holland en Engeland.
  • Lakenindustrie en textiel: Vlaamse lakenindustrie in decline; Antwerpen en Gent worden economische hubs; 15e eeuw: Ommuring en fortificaties; 15e–16e eeuw: heropleving door handel en industriële transitie.
  • Literatuur en Geschiedschrijving: volkstaal literatuur; 13e–14e eeuw: Nederlands; Jacob van Maerlant, Der Lecken Spieghel; Dante en Franciscus; 14e eeuw: verstomming en no order; lange processies en zingeving in literatuur.

44 Politieke ontwikkeling in de late middeleeuwen (1200–1350): Bouvines, Franse staatvorming en machtspolitiek

  • Grote Europese conflicten (Bouvines, 1214): uitbreiding Franse kroondomein; conflict tussen Eng en Fr; 1204 Normandië; 1214 Bouvines; Frankrijk versterkt centralisatie.
  • Franse koning: Filips II August (1180–1223) – centralisatie en uitbreiding kroondomein; districten bestuurlijke reorganisatie; baljuws en seneschalk; Parijs als hoofdstad; standenvertegenwoordiging: Staten Generaal (clerus, adel, derde stand).
  • Lodewijk IX en Filips IV de Schone: centralisatie en uitbreiding van staatsapparaat; Chambre des comptes; parlement Parij; investituur en machtenscheiding.
  • Investituurstrijd: 1075 Concordaat van Worms; scheiding tussen geestelijke en wereldlijke macht; pausdom en Keizer gaan juridisch uit elkaar; 2 delen: Spiritualia (kerk) en Temporalia (staat).
  • Verlay en macht: pauselijke macht evolueert; 12e–13e eeuw: pauselijk gezag en keizer worstelde; 13e eeuw: keizers en paus twijfels; 1294–1303 Filips IV vs Bonifatius VIII; pausenzelfstandig;
  • Concordaat van Worms (1122): conceptueel onderscheid tussen investituur en wijding; symbolen van macht: staf en ring vs scepter.
  • Gevolg: verankering van pauselijke invloed in West-Europese politiek; Europese staatvorming onderstreept door kerkelijke hiërarchie en wereldlijke machten.

45 De honderdjarige oorlog en de opkomst van Bourgondië; Frankrijk en Engeland

  • Oorzaak: Engels bezit Guyenne; Franse koning Filips IV en expansieplannen; 1328 einde Capet/een opvolgingscrisis; 1337 begint de oorlog.
  • Fase I (1337–1396): Engels veroveren Franse gebied; Jan II gevangenen; Frankrijk herovering; lange oorlog met wisselende fronten.
  • Fase II (1415–1453): Engeland behaalt succes onder Hertogen van Bourgondië; armoe; Franse tegenstand onder leiding van Jeanne d’Arc; 1453 einde oorlog – Frankrijk herwonnen.
  • Einde: uitruiming Guyenne; Bourgondische conflicten; 1450s: opkomst Bourgondië; 1477: einde middeleeuwse oorlog; 1480s: Bourgondische opstelling richting keizers en koningen.
  • De Hogeschool van Franse en Bourgondische macht: Bourgondië als verzamelstate; Armagnacs vs Bourgondiërs; 15e eeuw: 2 kampen?

46 Engeland: van Plantagenets naar Tudor-dynastie; de Wars of the Roses

  • Plantageneten dynastie (1154–1485): Henry II, Richard I, John, Henry III; 1272–1307; 1339–1368; opbouw van grondwetten; Common Law; begroting van koninklijke macht.
  • De Wars of the Roses: hertog van York vs hertog van Lancaster; 1455–1485; opkomst van Tudor-dynastie; Henry VII zet de brug tussen beide kampen; uiteindelijke consolidatie onder Hendrik VII.
  • Integraal: ontwikkeling van Parlementaire macht; de rol van de adel in de binnenlandse politiek; de relatie tussen koning en parlement werkt aan modernisering van bestuur.

47 Duits-Romeinse rijk en Italië: investituur en feodaal bestuur

  • Saliërs en Hohenstaufen: investituurstrijd; 11e–12e eeuw; koninklijke macht vs pauselijke macht; 1075–1122: Gregorius VII – Investituurstrijd; 1122: Concordaat van Worms.
  • Duitsland: meerdere suzeren (territoriale vorstendommen) en de strijd om heerserschap; 12e–13e eeuw: investituurstrijden; 1250: minder centrale macht; 1356: Golden Bull van Karel IV; regeling van keizerkeuze.
  • Italië: steden en pausen; Lombardische Liga; conflict tussen keizer en paus; 12e–13e eeuw: centralisatieproblemen; 14e eeuw: overheersing door de paus en de stadstaat (Venetië, Firenze, Milaan).
  • Verhouding tussen keizers en paus: machtensysteem; keizerschap en koningschap in de Duitse en Italiaanse context; 15e eeuw: opkomst Habsburgers.

48 Hasselt, staden en stedelijke zelfbestuur (14e–15e eeuw)

  • Hasselt en Vlaanderen: stedelijke autonomie: stadsrechten, tol, stedelijk leger;
  • 12e–13e eeuw: ontwikkeling van historische dominantie en politiek systeem; 13e eeuw: Hasselt als handelsstad; omwalling en stadsrechten; 13e eeuw: oprichting begijnenhuizen; 13e eeuw: gemeentelijke bestuur en rechtspraak.
  • Brugge en Vlaanderen: 1297–1304 opstand (Gwijde van Dampierre); 1302 Guldensporenslag; 1305 vredesonderhandelingen; annexatie en privileges, maar concessies aan Frankrijk.
  • Engeland en Denemarken: 9e–11e eeuw; 9e–10e eeuw: koningschap en strijd; 11e–12e eeuw: Denen; 1066: Normandische verovering; 12e eeuw: Bestuurlijke hervorming en onafhankelijkheid.
  • 14e–15e eeuw: Bourgondische veroveringen; investituur en rijksrecht; 2 koppels macht: centrale koninklijke macht en regionale adel; 2 polders (naties) in Frankrijk – Engelse en Franse dynastieën.

49 Engeland en Frankrijk: 100-jarige oorlog en Bourgondische verhoudingen

  • Verhouding tussen Engeland en Frankrijk: Guyenne aan Engelse kroon; Franse dynastie opgevolgd door Capetingen; conflict tussen Franse centralisatie en Engelse heersers.
  • 100-jarige oorlog: fasen en verschuivingen; veldslagen en diplomatieken; Jeanne d’Arc als symbolische figuur; 1453 einde oorlog; Franse staatsmacht versterkt.
  • Bourgondië: opkomst en scheiding tussen Armagnacs en Bourgondiërs; 15e eeuw: dynastieke verschuivingen en de opkomst van Bourgondische macht.
  • Engeland: reorganisatie: Magna Carta (1215) – rechten van de adel en de Kerk; Common Law; de opkomst van parlementaire greep.

50 Het Duitse rijk en Italië: de keizers en de macht van de paus

  • 13e–14e eeuw: rivaliteit tussen keizers en paus; investituurstrijd; 13e eeuw: pauselijke inmenging in keizerlijke benoemingen; conflict rond benoemingen en concilliaire macht.
  • Polen: roeping van de riddles; de heilige Romeinse rijk der Duitse Natie onder Habsburgers; de macht van keizers in de Italiaanse gebieden; opkomst steden in Noord-Italië en de pauselijke Staat.
  • 15e eeuw: consolidatie, centralisatie en machtsoverdracht; 1493–1519: Maximiliaan I; 1493–1519: keizershof; 1490s: Staten en rijken — blijvende regionale autonomieën.

51 Hasselt en de Vlaamse steden (15e–16e eeuw)

  • Hasselt en Kuringen: regionale autonomie en marktgerichte stedelijke economie; stadrechten, tol, gracht en defensieve infrastructuur; begijnhoven en hospitaalterreinen.
  • De kwestie van Vlaamse steden: economische ontwikkeling; textielindustrie en de opkomst van Brugge en Antwerpen; 15e eeuw: bankiering en kredietverlening; de economische opkomst van de kuststeden.
  • Handhaving van lagere adel en stedelijke afzondering; handel en industrie; conflict en samenwerking met Frankrijk en het Duitse rijk.

52 Politieke ontwikkelingen in Frankrijk, Engeland en Duitsland (investituurstrijd)

  • Frankrijk: Capetingische dynastie – erfopvolging; koning van Frankrijk met beperkte macht in het begin; de opkomst van Paris en de centrale macht; bouw van het Franse administratieve systeem.
  • Engeland: Capetische en Plantagenet dynastieën; 13e–14e eeuw: de opkomst van parlement en de Magna Carta; de rol van de koning in Engeland en de uitbreiding van de macht van parlementsleden.
  • Duitsland: keizerschap en Duitse rijk; 13e–14e eeuw: investituurstrijd; 14e eeuw: opkomst van de nationale rijken; 15e eeuw: centralisatie onder de Habsburgers; keizerschap blijft een syndroom tussen de koning en paus.

53 Hasselt, steden en regionale autonomie (verder)

  • Hasselt: stedelijke autonomie; 13e–15e eeuw: stedelijk bestuur; 3e standen; judiciaire en financiën; gilden en burgerij.
  • Vlaanderen en Brabant: Loon en Hasselt; 12e–15e eeuw: stadsrechten en privileges; economische ontwikkelingen; 14e eeuw: crises en opstand; 15e eeuw: consolidatie en uitbreiding van handel.
  • 15e eeuw: 2 centrale stelsel: noordelijke en zuidelijke netwerken; handel en maritieme connecties; 1492: ontdekkingsreizen; 1498: vervoer via zee door Portugese en Spaanse handelsroutes.

54 Investituurstrijd en reformatie (14e–16e eeuw)

  • Investituurstrijd: pauselijk vs wereldlijk gezag; 1122 Worms; 1075 Dictatus papae; 1e dominantie van paus; 9e–11e eeuw: vroege kerkelijke hervormingen.
  • Keizers en vorsten: resistentie tegen pauselijke dominantie; 14e–15e eeuw: conciliaire beweging; 1414–1415 Concilie van Konstanz: afsluiting schisma; paus Martinus V.
  • Reformatie: kritiek op kloosters, aflaten, nepotisme; bewegingen: Wyclif en Hus; moderne devotie; predikanten; contrareformatie; inquisitie; verlichte theologie.

55 Investituur en paus-keizerrelaties (late middeleeuwen)

  • Concordaat van Worms (1122) – scheiding tussen geestelijke en wereldlijke macht; 1075–1122: investituurstrijd; 12e–13e eeuw: verhoogde pauselijke invloed; 13e eeuw: Boedserverking en concilie.
  • 13e eeuw: gregoriaanse hervormingen (Leo IX, Gregory VII) – libertas ecclesiae (vrijheid van Kerk) en accuratie; 1075: Dictatus papae; 1084 keizerskroning; 1122: Concordaat van Worms; 1150–1300: uniatie tussen paus en keizer is constant in de politiek.
  • 14e eeuw: verzwakking keizersketen; 15e eeuw: centralisatie in Duitsland en Frankrijk; 16e eeuw: Reformatie en de opkomst van natie-staat – rechtsordening in Europa.

56 De 100-jarige oorlog: gevolgen en transformatie

  • Militaire en geopolitieke effecten: verzwakking van koninklijke machten; opkomst van nationale identiteiten; opkomst Bourgondische macht en de centrale macht in Frankrijk.
  • Politieke gevolgen: consolidatie van de Franse staat; opkomst van centralisatie en bureaucratie; Parallelle ontwikkelingen in Engeland – parlementair systeem.
  • Economische gevolgen: verzwakte feodale stelsels; transitie naar meer gecentraliseerde staatsstructuren; economische heroriëntatie na de oorlogen.
  • Culturele en intellectuele gevolgen: literatuur en kunst reflecteren op nationale identiteiten; nauwere samenwerking tussen adel en burgerij; opkomst van nationalistische literatuur en mythes.

57 Einde ME en de opkomst van Bourgondië; het Duitse rijk en Italië in late middeleeuwen

  • Bourgondische consolidatie: Bourgondië als macht vóór de centralisering; structurele integratie van Bourgondische staten in Frankrijk en het Duitse rijk.
  • Duitsland en Italië: Germanisatie en de Italiaanse staatkunde – weerstand en centralisatie; 15e eeuw – Habsburgers als grootste dynastie; 1494–1559: Italiaanse oorlogen en de restauratie van macht.
  • Concluderend: late middeleeuwen als periode van transformatie tussen middeleeuwse toestanden en vroege moderne staten; de invloeden zijn politiek, religieus en cultureel; de schepping van moderne Europa wordt in deze periode gezet.