DEEL 1: Het Romeinse Rijk (tot ca. 250) + DEEL 2: Crisis en verval (ca. 250-700)
0. Inleiding
Methodologische uitdagingen:
Geschreven bronnen:
Er is een desinteresse voor handelaars en ambachtslieden.
Bevatten vaak anekdotisch materiaal: Is er sprake van een patroon of zijn het uitzonderingen?
Archeologie: de interpretatie van materiële voorwerpen is complex.
Vragen rondom gebruiksvoorwerpen: Hoe verhouden deze zich tot commerciële netwerken, productiecentra, en uitwisselingen?
Vooral voorwerpen uit duurzaam materiaal zoals metaal, ivoor en aardewerk zijn bewaard gebleven.
Het leeuwendeel van koopwaar, zoals graan, wijn, olie, zout, honing, specerijen, houten voorwerpen, bont, leder, textiel, en slaven, laat amper stoffelijke resten na.
Wetenschappelijke consensus
Er is een waargenomen achteruitgang van de materiële cultuur ten opzichte van de Romeinse periode (verarming):
Minder hoogstaande, gespecialiseerde ambachtelijke producten.
Productie op kleinere schaal met kleinere volumes en kortere afstanden.
Een terugloop in uitwisseling via handel, wat leidt tot een gerichte focus op lokale niveau.
Transport van koopwaren vindt plaats via land- (minst efficiënt) en waterwegen (zee, rivieren).
Een herstel is waargenomen vanaf circa 700 n.Chr. in Noordwest-Europa en circa 800 n.Chr. in het Middellands Zeegebied.
Handelsdocumentatie
Voorbeeld: In 716 werd er een lijst met volumes luxewaren uit de Nabije en Verre Oosten vrijgesteld van invoertaksen aan de monding van de Rhône (Fos-sur-Mer), toegekend door de Frankische koning Chilperik II aan de Noord-Franse abdij van Corbie. Dit onderstreept de lange afstandshandel in luxegoederen, die de meeste sporen nalaat, al is het slechts een klein deel van het totale handelsvolume.
INHOUDSTAFEL
0. Inleiding
1. Het Romeinse Rijk (tot ca. 250): p. 84-88, lezen, geen examenstof
1.1. Handelsverkeer en overheid
1.2. Artisanale productie
2. Crisissen en verval (ca. 250-700)
2.1. Neergang van staatsgeleide economie
2.2. De Arabische expansie en Pirenne-these
2.3. De tanende vraag van aristocraten
3. Heroepleving (ca. 700-1000)
3.1. Handelsverkeer
3.2. Nijverheid
4. Conclusie
Deel 1: Het Romeinse Rijk (tot ca. 250)
1.1 Handelsverkeer en overheid
Discussie m.b.t. verhouding tussen:
Er is sprake van een staatsgeleide economie:
Massale invoer van consumptiegoederen zoals olijfolie, vissaus, wijn, en graan ter bevoorrading van steden en legioenen.
Aristocratie is ook een belangrijke afnemer van deze goederen.
Er zijn ook elementen van een vrijemarkteconomie:
Brede circulatie van artisanale goederen.
Voorbeelden zijn eenvoudig maar kwalitatief hoogstaand aardewerk, zoals roodkleurig keramiek uit Noord-Afrika (African red slip ware).
Er zijn autonome industriële en mercantiele ondernemers.
1.2 Artisanale productie
Impact van het imperiale beleid op nijverheid:
Er zijn manufacturen voor wapenuitrusting van legioenen.
Grootschalige goedkope graaninvoer (annonae) bevordert de ontwikkeling van niet-agrarische activiteiten, meer specifiek ambachtelijke productie.
Grote vraag van aristocratische huishoudens naar eenvoudige gebruiksvoorwerpen, deze worden in grote hoeveelheden aangekocht.
Gevolgen:
Dit zorgt voor een stimulans voor lokale en stedelijke nijverheid.
Er is een gestage vraag vanuit de elites die leidt tot toename van expertise en specialisatie.
Schaalvoordeel resulteert in hogere kwaliteit aan lagere stukprijzen.
Ontstaan van proto-industriële ambachtelijke ateliers (officinae) die zich bezighouden met het produceren van bijvoorbeeld aardewerk, ijzeren, en houten voorwerpen. Dit leidt tot massaproductie die beschikbaar wordt voor zowel elites als de gewone man.
DEEL 2: Crisis en verval (ca. 250-700)
2.0 Inleiding
Langzaam verval tussen ca. 250 en 700:
Handel en artisanale productie nemen af, en er circuleren minder goederen (kwalitatief en kwantitatief) over kleinere afstanden.
WEL zijn er regionale verschillen; de achteruitgang is sterker in minder geromaniseerde gebieden zoals Brittannië en Noord-Gallië dan in sterk geromaniseerde gebieden zoals Italië.
Terugval van de muntproductie
Sinds de 5de eeuw in het Westen:
Muntproductie (zowel gouden en zilveren munten) zonken tot een zeer schaars niveau.
Voor kleine transacties worden bronzen munten of ruilhandel gebruikt.
Edelmetaal wordt opgeborgen in kerkschatten, juwelen en edelsmeedkunst.
Afnemende centrale sturing van massale handelsstromen:
Er is een afname van de hoeveelheid Oosterse luxegoederen (zoals zijde, specerijen, en papyrus) naar het Westen.
Er is een afname in handelsverkeer in het Middellands Zeegebied.
Transacties vinden voornamelijk op kortere afstanden plaats met minder langeafstandshandel.
Verklaringen voor de crisis
Diverse theorieën kunnen de crisis verklaren:
2.1 De teloorgang van de Romeinse staatseconomie:
Er is een aftakeling van het imperiale systeem in het Westen:
Oncontroleerbare muntinflatie vanaf circa 250 veroorzaakt door een tekort aan edelmetaal in munten waardoor deze de waarde verliezen.
Er is politieke instabiliteit en pestepidemieën.
De aansturende rol van de overheid in het Westen valt weg.
Toegang tot de ‘graanschuur’ wordt geblokkeerd door de verovering van Noord-Afrika door de Vandalen rond 429 n.Chr.
Kritiek: er wordt te veel nadruk gelegd op de rol van de overheid als motor van de handel; autonome handelaars in het Westelijk Middellands Zeegebied blijven actief.
2.2 De opmars van Ilam (Pirenne-these):
Deze theorie komt van Henri Pirenne (1862-1935) in zijn boek uit 1937:
Hij stelt dat de antieke handelsstromen in het Middellands Zeegebied rond de late 7de en begin 8ste eeuw eindigen.
De opmars van de islam is een genadeklap voor de handel.
In het Westen:
Vestiging van een moslimrijk in het Westen van het Middellands Zeegebied (al-Andalus).
Islamitische piraten werken aan de monding van de Rhône en in Zuid-Gallië.
In het Oost-Romeinse Rijk:
Verlies van rijke Byzantijnse provincies in het Midden-Oosten en Alexandrië als gevolg van de Arabische expansie.
Kritiek op deze theorie:
De ontwrichting van de handelsroutes in het Middellands Zeegebied zou hoogstens tijdelijk zijn.
Tegen de 8ste eeuw zijn transport- en communicatienetwerken hersteld.
De islam als religie biedt positieve kenmerken voor de handel.
Het uitgestrekte kalifaat integreert West-Europa (al-Andalus) in de uitwisselingssystemen van het Middellands Zeegebied en de Indische Oceaan.
Er is een influx van Arabische gouden en zilveren munten die de monetarisering in het Westen een impuls geven.
2.3 De tanende vraag van aristocraten
Verband tussen rijkdom van de elite en complexiteit van uitwisselingen (Chris Wickham):
Romeinse Rijk: voldoende circulatie consumptiegoederen
Kapitaal was geconcentreerd in een kleine, zeer vermogende toplaag.
Grote vraag naar zowel luxegoederen als artisanale bulkgoederen bestond.
Hoe uitgestrekter het grondbezit – hoe groter de circulatie tussen aristocratische consumptiecentra en productiecentra.
Laatantieke tijd: krimp in grootgrondbezit
Geslonken grootgrondbezit -> uitdoven complexe uitwisselingscircuits, vooral kortere afstanden
Inkomensverlies onder de adel leidde tot een afname in de vraag en een afname in de (kwaliteit van) artisanale productie.
Er was een verschuiving naar landbouw, terwijl nijverheid vooral op kleine schaal bleef.
Vanaf de 7de en 8ste eeuw is er opnieuw een accumulatie van immobiel kapitaal.
Regionaal verschillende evolutie van grootgrondbezit:
In Gallië:
Rond 700 n.Chr. is er een herstel van de bezitsconcentratie onder de aristocratie, met het kerngebied tussen de Maas en de Seine.
Frankische elites zijn de meest vermogende in heel Europa.
In Brittannië:
Er is een zeer plotselinge krimp in de 5de eeuw, waarbij steden en adellijke residenties vervallen.
Een herleving van artisanale productie vindt pas plaats in de 8ste (Oostkust) en 9de eeuw (centrum, zuiden).
In Italië: politieke verbrokkeling
In het noorden is er een schok pas in de 6de eeuw (vanwege Gotische oorlogen en Longobardische invallen).
In het zuiden behoudt de Byzantijnse controle kapitaal van de elites.
In de 9de eeuw ontstaat er een ontluikende handelaarsklasse in Venetië, Genua, Napels en Amalfi.