CHEMIE T3
H1
symbool | naam | symbool | naam | symbool | naam |
|---|---|---|---|---|---|
H | waterstof | Si | sicilium | Hg | kwik |
He | helium | P | fosfor | Pb | lood |
Li | litium | S | zwavel | Co | cobalt |
Be | berylium | Cl | chloor | I | jood |
B | boor | Ar | argon | Ni | nikkel |
C | koolstof | K | kalium | Pt | platina |
N | stikstof | Ca | calcium | Cd | cadium |
O | zoorstof | Fe | ijzer | U | uraan |
F | fluor | Cu | koper | Sn | tin |
Ne | neon | Zn | zink | Cr | chroom |
Na | natrium | Br | broom | Mn | mangaan |
Mg | magnesium | Ag | zilver | As | arseen |
Al | aluminium | Au | goud | Ba | barium |
🔴 Kernbegrippen Hoofdstuk 1
Element: Synoniem voor een atoomsoort. Het is de verzamelnaam voor alle atomen met dezelfde chemische eigenschappen.
Atoom: Het kleinste deeltje van een element dat nog alle eigenschappen van dat element bezit.
Kenmerk: Elk element heeft een vaste naam en een uniek symbool.
🔴 Chemische Formules (Hoofdstuk 1)
Formule: Geeft de exacte samenstelling van een stof weer.
Symbool: De afkorting van elke aanwezige atoomsoort (element).
Index: Het getal rechts onder het symbool. Het geeft het aantal atomen van die soort in één deeltje weer.
Coëfficiënt: Het grote getal vóór de formule. Het geeft aan hoeveel losse deeltjes er zijn.
💡 Visueel voorbeeld: 3O2
De 3 is de coëfficiënt: er zijn 3 deeltjes zuurstofgas.
De 2 is de index: elk deeltje bevat 2 zuurstofatomen.
In totaal zijn dit dus 3X2 = 6 zuurstofatomen.
🔴 Moleculen en Modellen (Hoofdstuk 1)
Moleculen: Ontstaan wanneer atomen zich met elkaar binden.
Bolvoorstelling: Een visuele weergave van een molecule die toont uit welke atomen de molecule bestaat.
Driedimensionale modellen: Tonen de ruimtelijke structuur én de hoeveelheid atomen van elk element.
Bolstaafmodel: Toont atomen als bollen en bindingen als staafjes.
Bolschilmodel: Toont hoe de atomen compact tegen elkaar aan liggen.
🔴 Indeling van Stoffen (Schema)
Stof (Zuivere stof): Bestaat uit één type bouwsteen.
Enkelvoudige stof: Bevat slechts één soort atomen. Kan niet verder ontleed worden.
Samengestelde stof: Bevat meerdere soorten atomen. Kan wel verder ontleed worden.
Mengsel: Bestaat uit verschillende stoffen door elkaar.
Homogeen mengsel: De verschillende stoffen zijn niet met het oog te onderscheiden.
Heterogeen mengsel: De verschillende stoffen zijn wel duidelijk zichtbaar te onderscheiden.

🔴 Ontledingsreacties (Analyse)
Ontleding (Analyse): Een chemische reactie waarbij een samengestelde stof splitst in eenvoudigere stoffen.
Elektrolyse: Ontleding door middel van elektrische energie.
Thermolyse: Ontleding door middel van warmte.
Fotolyse: Ontleding door middel van licht.
🔴 Naamgeving Enkelvoudige Stoffen
Enkelvoudige stoffen worden opgedeeld in twee groepen om ze een wetenschappelijke naam te geven:
1. Niet-metalen
Wetenschappelijke naam: Lees de index als een Grieks voorvoegsel, gevolgd door de naam van het element bv. O2 = dizuurstof).
Diatomair: De meeste niet-metalen komen voor als tweeatominge deeltjes bv. O2.
Uitzonderingen: C,S,P4 en de edelgassen.
Edelgassen: Krijgen gewoon de naam van het element zelf, want ze zijn monoatomair (bestaan uit één atoom, bv. He= helium.
Triviale naam (dagelijkse naam): De naam van het element gevolgd door 'gas'. De index wordt hierbij overgeslagen bv. O2 = zuurstofgas).
Ozon: Dit is de specifieke triviale naam voor O3
2. Metalen
Naamgeving: Soms wordt het achtervoegsel '-metaal' achter de naam van het element geplakt om duidelijk te maken dat het om de zuivere stof gaat Fe = de stof ijzermetaal.
🔴 Hoofdstuk 4: Atomen en hun isotopen
1. Wat zijn isotopen?
Definitie: Atomen van hetzelfde chemische element die hetzelfde aantal protonen hebben, maar een verschillend aantal neutronen in de kern.
Kenmerk: Omdat het aantal neutronen verschilt, hebben isotopen van hetzelfde element ook een verschillend massagetal.
2. Notatie van een isotoop
Om aan te geven over welke specifieke isotoop het gaat, gebruiken we de volgende standaardtstructuur:
a
X = Het chemisch symbool van het element BV. H,C, O.
Z= Het atoomnummer. Dit geeft het aantal protonen (en dus ook elektronen) weer.
A = Het massagetal. Dit is de som van het aantal protonen en neutronen in de kern.
3. Formule voor het aantal neutronen N
Je kunt het aantal neutronen in de kern heel eenvoudig berekenen door het atoomnummer van het massagetal af te trekken:
N=A-Z
🔴 Gemiddelde relatieve atoommassa Ar
Definitie: Dit is het gewogen gemiddelde van alle relatieve atoommassa's van de natuurlijk voorkomende isotopen van een element.
Berekening: Er wordt rekening gehouden met het procentueel voorkomen (hoeveel procent er van elke isotoop in de natuur is).
In het PSE: Bij elk element in het Periodiek Systeem der Elementen (PSE) staat deze Ar vermeld (meestal onderaan in het vakje, zoals 1,01 bij Waterstof).
Afrondingsregel: In chemische berekeningen ronden we de gemiddelde relatieve atoommassa Ar steeds af op één cijfer na de komma.
💡 Voorbeeld: Broom= Br
Isotoop 1: komt voor voor 55%
Isotoop 2: komt voor voor 45%
Het gewogen gemiddelde ligt daardoor mooi tussen de twee massagetallen 79 en 81 in, namelijk 79,9
Elektronen plaatsen zich zo veel mogelijk in de schillen het dichtst bij de nucleus. Eerst de K-schil, daarna de L-schil.
Op de buitenste schil bevinden zich maximaal 8 elektronen.
Op de voorlaatste schil bevinden zich maximaal 18 elektronen.
Bij de andere schillen gaan de eerste 4 elektronen zich zo veel mogelijk van elkaar plaatsen. De volgende 4 elektronen vormen steeds met een ander elektron een paar.
Als de buitenste schil volledig is opgevuld, bevat deze twee (voor de eerste schil) of acht elektronen. Wanneer een atoom een volledig gevulde buitenste schil heeft, spreken we van de edelgasconfiguratie.
Elementen die naast elkaar zijn geplaatst in het Periodiek Systeem der Elementen (PSE) vormen een periode en hebben hetzelfde aantal schillen. Elementen die onder elkaar staan in het PSE, vormen een groep en bezitten een gelijkaardig aantal elektronen op hun buitenste schil. Deze worden valentie-elektronen genoemd.
Een schillenmodel is niet altijd nodig om de verdeling van elektronen over de schillen weer te geven. Vaak noteren we het eenvoudiger met het aantal elektronen per schil, gevolgd achter het elementsymbool. Dit noemen we de elektronenconfiguratie.
Bijvoorbeeld voor zwavel:
Atoomnummer Z = 16
Gemiddelde relatieve atoommassa (afgerond op één cijfer na de komma) = 32,1.
In de Lewisstructuur tekenen we alleen de elektronen van de buitenste schil: de valentie-elektronen. Ongepaarde elektronen worden weergegeven met een bolletje, terwijl gepaarde elektronen (elektronenparen) worden aangeduid met een streepje.