FILO EXAMEN_ Semester II

FILOSOFIE THEMA 2 – REFLECTEREN OVER (DE GRENZEN VAN) KENNIS EN WETENSCHAP

Inleiding

Begrippen uit de kennisleer
  • Epistémologie

    • Épistèmè (kennis)

    • Kennisleer: Wat is waarheid?

  • A priori kennis: Kennis die voorafgaat aan de ervaring.

    • vb. Synoniemen (ongetrouwd = vrijgezel)

  • A posteriori kennis: Kennis die je krijgt na de ervaring.

    • vb. schoolvakken, wetenschap.

  • Subject-object-verhouding: Welke rol speelt het subject (kenner) in het kennen van het object (het gekende)?

    • Realisme: We kunnen het object kennen zoals het is. Subject = passief te kennen.

    • Idealisme: We kunnen het object alleen maar op een subjectieve manier kennen. Subject = actief te kennen.

Fragment winteruur
  • Verwachting wetenschapper: Concreetheid, bewijsbaarheid, juistheid, …

  • Boodschap Hertog:

    • I. Hoe meer je weet, hoe meer je beseft dat je het eigenlijk niet weet.

      • De grens ligt bij de oerknal, wat daarvoor gebeurde kunnen we niet weten.

    • II. De waarheid die je hebt kan altijd aangepast worden. Zelfs wetenschappelijke waarheid.

    • Popper: Elke waarheid kan tijdelijk zijn.

  • Zegt de kennis dat de waarheid zou zijn iets over de mens?

    • Menselijke vragen los je niet op met wetenschappelijke waarheid. Ze zeggen weinig over onze menselijke vragen.

3 Standpunten; Hoe ontstaat waarheid/kennis?

  • I. Sceptici (Carneades)

    • Je kan de waarheid niet weten, je twijfelt. Waarheid ga je bekijken vanuit jouw perspectief. De waarheid bestaat niet.

  • II. Empirisme

    • Empeiria => Ervaring

    • Je moet iets zien/voelen/ruiken/proeven/ervaren om te weten of het waar is.

    • John Locke: Onderscheidde indrukken van ideeën. Indrukken zijn juist, een verteld verhaal is een idee voor mij. Het is een herinnering aan een lang geleden indruk. Dat ervaren van dat verhaal kan je nooit meer 100% aanvoelen. De herinneringen verflauwen en worden een idee wat minder sterk is.

  • III. Rationalisme

    • Waarheid ontstaat als je nadenkt. (Descartes)

    • Plato: Waarheid is een zaak van denken. Alles wat je ziet is misleidend. De waarheid vind je niet in het aardse (metafysisch), maar in de ideeën. Waarheid is metafysisch.

      • Kerk en Islam gebruikte dit idee. De waarheid zal je vinden in het onaardse, na de dood. God kan je niet zien, maar hij is de waarheid. (= Metafysisch (buiten het fysische))

    • Nietzsche

      • Tegen religie, want verdooft de pijn.

      • “Het Christendom is platonisering voor het volk.”

        • Het legt de waarheid buiten bereik. Geloof ontkent (typisch nihilisme) de werkelijkheid.

      • Geen fan van wetenschap

        • Wetenschap = de essentie van een voorwerp zijn atomen.

        • Je ziet die atomen niet, ze herleiden dat voorwerp dus naar niets. => Waarheid wordt door wetenschap ook metafysisch.

        • Zowel religie als wetenschap ontkennen het zichtbare.

      • Neuropsychologie = Je kan het niet zien, dus Nietzsche zou niet toejuichen.

Waarom is waarheid metafysisch?
  • I. Uitzichtloze leefomstandigheden in die periode, mensen hadden niet veel. Mensen waren blij dat de waarheid in dat niet-zichtbare/metafysische lag. Je kan dromen van een beter leven na de dood.

  • II. Waarheid was iets van boven. De mensen die boven je stonden (kerkelijke elites, adel, filosofen, …) kenden de waarheid.

  • III. De gewone mensen konden zich moeilijk informeren. Je kon dus zelf niet op zoek gaan naar de waarheid want je was bv. analfabeet, dus moet je de hogere standen maar geloven.

    • Socrates werd veroordeeld net omdat dit toegankelijk werd, Socrates hielp mensen zelf denken en dat was niet ok.

  • Bij Descartes werd de waarheid niet meer gegeven (zie hierboven) maar gevonden door zelf na te denken.

    • Eerste waarheid: Ik denk, dus ik ben.

  • F. Bacon: Je kan de waarheid vinden als je experimenten uitvoert. Bv. Je laat kunstmatig/geforceerd water koken, dan vind je dat water kookt op 100°.

    • Kennis maakt macht.

  • Vandaag wordt waarheid gemaakt.

Hoofdstuk 1: Reflecteren over het onderscheid tussen wetenschappen en filosofie

1. Wat is wetenschappelijk
1.1 Leven met onzekerheid
  • Fragment: Interview René Gude

    • Wetenschap houdt zich bezig met de populatie, het geheel. Wetenschap weet perfect hoeveel mensen er dit jaar gaan ziek worden, hoeveel bedden we nodig hebben, hoeveel mensen zullen sterven/overleven, … (Wetenschap biedt waarheid.)

    • MAAR… Over het individu weten ze niets. De arts zou me niet met zekerheid kunnen zeggen of ik ziek zal worden, en welke ziekte het is. Of ik overleef, of niet.

    • Hoe ga je als arts om met slecht nieuws die je moet overbrengen?

  • Soorten reacties

    • A. Boos

      • Ik geloof het niet!

    • B. Verdriet

      • Ik dacht dat het mij niet zou overkomen…

    • Oplossingen:

      • I. Stoïcijns (Lot) aanvaarden, Amor Fati

        • Vroeg of laat sterven we toch allemaal, als ik verdriet heb is mijn overtuiging (Doodgaan is (nog) niet voor mij) fout.

      • II. Sceptisch

        • Je bent kritisch, je twijfelt, er is geen zekerheid/waarheid. Ik mag niet denken dat er een zekerheid is.

        • We weten dat we rond de zon draaien (heliocentrisme) en dat de zon centraal staat. Toen, tot de eerste maanlanding, was dat speculatief. (Denken met zekerheid, op denkniveau)

        • Na de eerste maanlanding wordt dat denken kennis, empirische kennis.

          • Voordeel: Je ziet de aarde vanop afstand, en je beseft/voelt dat je een bepaalde mate van zorg moet geven aan de bevolking/ons planeetje.

          • Nadeel: Niemand komt van die bol af, we zitten vast. Ik zorg er maar beter voor.

        • Wordt uit de filosofie genomen, en wordt wetenschap. Naar de aarde kijken…haalt filo en wetenschap terug bij elkaar.

          • Hoe kunnen we voor de aarde zorgen? Hoe leven wij? Welke keuzes maken we?

1.2 Filosofie en wetenschap: scheiding of samenhang?
  • TEKST HERLEZEN…

  • Opkomst van de westerse filosofie: 500 v. C.

    • filosofen zochten een oerstof waar alles uit bestaat: vb. Thales: Alles is water

    • Men zocht een verklaring (Goden zijn niet de oorzaak van het bestaan van dingen) => Filosofie = moeder van de wetenschappen.

  • 17e eeuw: breuk van de filosofie en de wetenschap.

    • G. Bruno

      • ‘Heelal is oneindig’ : 1e die de breuk openlijk stelde. Ontkende God: God maakte niets oneindig.

    • F. Bacon

      • ‘Kennis is macht’: Je kan de natuur tot iets dwingen (experimenten) vb. Water koken om te weten bij welke temperatuur het kookt.

    • Vuur

      • Oudheid => Vuur was een belangrijk & krachtig element.

      • Vuur komt voor in heel wat oude mythes

      • Prometheus: Zeus gaf hem + het volk alles buiten het vuur, dus Prometheus steelt het vuur. Zeus stuurt als straf de doos van Pandora naar de aarde. Prometheus doet de doos open en het kwaad komt eruit. Sindsdien bestaan er problemen.

      • Vuur was in die tijd mega super gevaarlijk, daarom mocht de mens het vuur niet hebben.

Fragment Winteruur
  • Raakpunt van wiskunde en filosofie (twee verschillende disciplines) = “Wat is de waarheid?”

    • Je kan dat vinden in de wiskunde (Euclides).

      • Ik ga een grondbeginsel maken van 5 zinnetjes waar niemand niet meer akkoord kan gaan.

      • Bv. Het geheel is groter dan het deel.

      • Is gebruikt door latere filosofen bv. Descartes. Op die zekerheid kan verder bouwen. Als je met cogito ergo sum start (zekerheid), kan je verder bouwen.

    • Je kan perfect verstaan wat mensen jaren geleden dachten, want wiskunde is universeel. Dat kan een kik geven.

1.3.3 Laten we rekenen en zien wie er gelijk heeft?
  • Wiskunde => Duidelijk en evenwichtig

  • Muziek is tot een getal herleidbaar, zelfs geluid is een getal.

    • Pythagoras: Het hele universum is gemaakt van getallen en de orde in de wereld komt neer op getalsverhoudingen.

  • Nog twee filosofen die de wereld beschrijven in een wiskundige taal:

    • Galileo Galilei → Zocht naar een wetenschappelijke theorie die met behulp van wiskunde de hele kosmos zou omvatten?

    • Gottfried Leibniz → Zocht een universele taal die ervoor zou zorgen dat ‘als er discussie is tussen mensen, we simpelweg kunnen zeggen: Laten we rekenen en zien wie gelijk heeft.’

    • J. Bentham → Utilitarisme: Goed gedrag dat voor zo veel mogelijk mensen profijt oplevert.

      • Twee drijfveren:

        • Pijn vermijden

        • Plezier zoeken

      • Bestaat er een objectieve, neutrale en morele maatstaf? Hoe bepaal je wat het meeste geluk oplevert?

      • Geen kwalitatieve, maar kwantitatieve regel.

  • Hedonistische calculus

    • Soort algoritme om mate van plezier te meten. Hiermee kan je ethische handelingen berekenen.

      • Intensiteit

      • Duur

      • Zekerheid

      • Nabijheid (Panopticum)

      • Vruchtbaarheid

      • Zuiverheid

      • Matigheid

  • Deze personen gingen niet akkoord met Bentham…

    • Edmund Husserl → Hoe we iets ervaren, laat zich niet berekenen. Wereld en waarheid zijn groter dan de wiskunde kan bevatten.

    • Ludwig Wittgenstein → Wiskunde is een gesloten systeem dat niets zegt over de werkelijkheid, maar enkel zijn eigen regels consequent probeert uit te voeren.

1.4 Wat is kennis?
1.4.1 Ervaringskennis versus verstandskennis
  • Fragment wiskunde

    • Voor ons is wiskunde pure verstandskennis

      • Bv. Integralen mist elke concrete werkelijkheid. Leerkrachten hebben nooit gezegd waarvoor het dient, je kon het niet ervaren.

      • ‘Er moet in het leerplan staan waarom we iets leren. Het is eigenlijk beide verstands- en ervaringskennis.’

  • Ervaringskennis = empirische kennis

    • = a posteriori (eerste ervaring, dan kennis)

    • = inductieprobleem: uit eindig aantal particuliere uitspraken kom je nooit tot een universele uitspraak. Je kan nooit elke ervaring hebben die je overtuiging 100% bevestigt.

      • Popper gaf daar een oplossing voor. Je kan nooit alle verificaties zoeken maar je kan wel naar 1 falsificatie zoeken. Zo kom je dichter bij de waarheid.

  • Verstandskennis = logische kennis

    • Door goed na te denken en te redeneren kom je tot waarheid

    • Oudste manier van logisch nadenken is de syllogistiek (Aristoteles)

    • Redenering gevormd door twee premissen en één conclusie.

      • Juist of geldig.

    • Phronèsis = kennis door ervaren

    • Je kan nooit alles van iets ervaren, daarom bedacht Aristoteles een theorie. Het syllogisme.

  • Alle mensen zijn sterfelijk → Majorpremisse

  • Socrates is een mens → Minorpremisse

  • Socrates is sterfelijk → Conclusie

  • 4 propositievormen

    • Alle A zijn B

    • Geen enkele A is een B

    • Sommige A zijn B

    • Sommige A zijn geen B

  • 256 geldige major-minor-con combinaties

  • 19 juiste major-minor-con combinaties

  • Een major premisse mag je nooit omdraaien.

    • ✔️ Als je een vis bent, dan kun je zwemmen

    • ❌ Als je kunt zwemmen, dan ben je een vis

  • Modus Ponens

    • = Twee premissen waarvan de eerste voorwaardelijk is. Twee keer bevestigend.

    • Als P, dan Q

    • P

    • Dus Q

    • Als democratie de beste staatsvorm is, dan moet iedereen stemmen.

    • Democratie is de beste staatsvorm.

    • Iedereen moet stemmen.

      • → Geldig en juist

    • Q

    • Dus P

      • Iedereen moet stemmen

      • Dus democratie is de beste staatsvorm

      • → Geldig maar onjuist

  • Modus Tollens

    • = Een premisse waar je een ontkenning hebt in één van de twee.

    • Als P, dan Q

    • Niet Q

    • Dan niet P

    • Als het vrijdag is, dan eten we vis.

    • We eten geen vis.

    • Het is geen vrijdag.

      • → Geldig en juist

    • Niet P

    • Dan niet Q

      • Het is geen vrijdag.

      • Dus we eten geen vis.

      • → Geldig maar onjuist

  • Aristoteles 3 overredingsmiddelen:

    1. Logos → Argumentatie

    2. Pathos → Bij het publiek opgeroepen emoties

    3. Ethos → Het imago/karakter van de spreker

  • 3 Redevoeringen:

    1. Politieke toespraken

    2. Pleidooi (bv. rechten)

    3. Gelegenheidstoespraken (bv. een trouw)

  • Retorica = Welsprekendheid

    • (= Vroeger 6e jaars)

    1. Bij bepaalde toespraken moet je letten op de tijd

      • Politieke toespraken → toekomstige tijd

      • Pleidooi → verleden tijd

      • Gelegenheidstoespraken → tegenwoordige tijd

    2. Niet in gewone syllogismen praten, maar verkorte syllogisme (of enthymemen)

      • Gewone zijn te theoretisch, te schools

      • Soort van handleiding voor toespraken

1.5 W. Dilthey: onderscheid natuur- en menswetenschappen
  • Wilhelm Dilthey

    • Wetenschapsfilosoof

    • Duits

    • 19e eeuw… Universiteiten bestaan al sinds de 13e eeuw. Als je naar de unief ging tot de 19e eeuw had je geen keuze buiten filosofie in je bachelor. Daarna had je maar 3 masters: theologie, rechten of geneeskunde.

    • Tot de 19e eeuw had je weinig wetenschappen die zelfstandig bestonden.

    • Vanaf de 19e eeuw had je een aantal nieuwe wetenschappen.

    • “Wat is wetenschap? Wat kan je wetenschap noemen?”

      • Beschrijvend

    • “Welke methoden moet wetenschap hebben?”

      • Normatief

  • 2 soorten wetenschappen:

    • I. Natuurwetenschappen

      • Doel = Wetmatigheden in de natuur verklaren (Erklären)

      • Bv. wiskunde, fysica, biologie, chemie, …

    • II. Menswetenschappen

      • Doel = Begrijpen van redenen en bedoelingen (Verstehen), onderzoeken van producten van menselijke activiteit.

      • Bv. psychologie, rechten, economie, …

    • “De natuur verklaren we, de geest begrijpen we”

Natuurwetenschappen

Menswetenschappen

Empirisch ⤷ Observatie, objectief, logisch

Een schilderij niet reduceren tot een verzameling chemicaliën op een stuk stof. Je moet het in de context zien. Wie maakte het schilderij? Welk symbolisme zit er achter? Wie wordt afgebeeld? Bv. het schilderij van Van Gogh (Korenveld met kraaien) kan je niet, niet zien als een voorspelling. Je kan het werk niet verstaan als je niet weet wat er met de kunstenaar gebeurde. Context: veld waar hij zelfmoord pleegde/ → Korenveld = plaats van de dood Kraaien = symbool voor de dood Je moet dat schilderij hermeneutisch interpreteren. ¹Niet analytisch maar holistisch. ²Je moet het historisch ( → ) bekijken.

Uniformiteit van de natuur ⤷ De natuur werkt altijd op dezelfde manier (Bv. eerst bliksem, dan donder)

Historiciteit Gebeurtenissen staan niet los van elkaar. Mensen kunnen niet los gezien worden van hun geschiedenis, cultuur en tijd waarin ze leven. Ze kunnen dus enkel verstaan worden als je ze bekijkt vanuit hun historiciteit.

Herhaalbaarheid van experimenten ⤷ Zie vorige

Hermeneutiek Je moet zaken, als je ze wilt verklaren, vanuit het geheel bekijken. Gebruikt om erachter te komen hoe andere mensen denken en voelen. Je moet iets altijd afleiden vanuit de context, want woorden en zinnen hebben geen vaste betekenis.

Feiten worden onafhankelijk van elkaar beschreven (= atomisme) ⤷ Bv. donker, bliksem, licht, geluid, … worden allemaal als aparte onderdelen beschreven.

  • Hermeneutische cirkel

    • Leidt van een algemene naar een specifieke betekenis, en vervolgens weer naar een algemene betekenis.

    • We begrijpen het geheel door de delen te bestuderen en we begrijpen de delen door het geheel te bestuderen.

      • Bv. Het geheel is newwave, maar newwave ontstond door al de aparte newwavers.

  • Waarschuwing Dilthey = Houd de grenzen van de twee wetenschappen in de gaten.

    • Ze zijn twee verschillende disciplines met verschillende doelen en methodes. Ze gaan over 2 verschillende dingen en die mogen we niet door elkaar halen. Doe je dat wel → reductionisme!

  • Reductionisme = Beheersbaarheid van natuur als doel. Geesteswetenschappen als verkeerd begrepen natuurwetenschappen. (bv; algoritmes (NW) gebruiken om te weten wat mensen willen zien (MW). Zo worden mensen geëxploiteerd (mensen worden beheersbaar).

  • Sociale gevolgen = Beheersbaarheid maken van menselijk gedrag gaat in tegen mens-zijn.

  • Fragment J.P Van Bendegem

    • “Hoe ben ik geworden wie ik ben?”

      • Altijd tijds- en plaatsgebonden. Het is een gevolg van mijn verleden. Je kan me vandaag begrijpen als je heel mijn verleden meeneemt.

      • Dilthey zou akkoord gaan. Dit is hermeneutiek. Je moet naar het geheel kijken om iets te begrijpen.

    • “Ik ben gewoon zo”

      • Fout, Niets zegt dat je nooit zal veranderen.

1.6 Taal: de poort naar werkelijkheid?

Taalkundige

Taalfilosoof

Syntaxis, grammatica, …

Wittgenstein ‘De Westerse filosofie begon zeer hoog, maar ik leg ze op de grond” Ideenwereld, abstract de taal ⤷ Reden was omdat hij een rechtszaak bijwoonde van een ongeval. Hij merkte dat dat ongeval werd nagespeeld met poppetjes. Als je enkel zou uitleggen met woorden, kan je elkaar misverstaan. Bv. “Ik vond het goed” De ene persoon vindt goed positief, de andere vindt goed maar matig. We zijn geneigd werkelijkheid in taal uit te drukken maar dat is niet altijd correct. Bekendste boek: Tractatus Logico-Philosophicus Hij vond dat er nog 1 boek geschreven moest worden in de filosofie, en dat was zijn boek. Vaak misverstaan filosofen elkaar, is er miscommunicatie met taal. Hoe kan je dat oplossen? Discussies hadden regelmatig met misverstanden te maken. Vb. van Wittgenstein: Persoon 1: “Mijn enkel doet pijn” Persoon 2: “Ja ja… ” Pijn is een bewustzijnstoestand. Persoon 2 heeft misschien een andere bewustzijnstoestand over pijn. Moesten we dezelfde bewustzijnstoestand ervaren, dan zouden we elkaar verstaan. Maar die is verschillend bij iedereen. Angst, pijn, verdriet, … “Waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen” ⤷ ❌Je moet me niet moeien ✔️Je moet niet over pijn, angst, … praten want iedereen voelt dat anders aan. ‘Woorden zijn foto’s van feiten’ (afbeeldingstheorie) ⤷ Als je een foto neemt is dat vanuit een bepaald standpunt. Woorden zijn niet anders. Bv. ‘Een palmboom staat aan het strand’ Zien we de beelden/foto’s in de geest van anderen?

  • Dus:

    1. Communicatie loopt vaak fout omdat anderen een verkeerde foto plaatsen bij die woorden.

      • Bv. Als een relatie stopt, heb je allebei een andere foto bij hetzelfde einde.

    2. We geven vaak een andere betekenis aan de woorden van een ander. We moeten dus voorzichtiger en zorgvuldiger spreken.

      • Bv. “Het examen was moeilijk”

        • ✔️moeilijk = <50%

        • ✔️moeilijk = 70%

    • Kunst → Moet je over zwijgen, iedereen kijkt daar anders naar. Anders is het maar raden wat de kunstenaar bedoelde.

      • Je kan zeggen dat een hond symbool staat voor trouw, maar mss bedoelde de kunstenaar daar niet zo.

      • → Over kunst praten is even onzinnig als over bewustzijnstoestanden, want je ziet nooit hetzelfde.

    • Ook Plato had weeral iets te zeggen, hij was ook tegen kunst:

      • Kunst = mimèsis of nabootsing

        • = Je maakt een dubbele nabootsing/mimèsis. Je boots iets of iemand na die op hun beurt een nabootsing is van het idee. Een kopie van een kopie.

        • = Mss zou hij abstracte kunst wel iets gevonden hebben. Het is niet figuratief dus je bootst niets na uit de werkelijkheid, maar het idee.

    • Tekst Wittgenstein:

      • A/N: Ik zou aanraden om de tekst over Wittgenstein eens te doorlopen.

      1. Taal is zoals gereedschap… Het is een middel om uit te drukken maar het drukt nooit de effectieve essentie uit. Wat is goed? Goed valt nooit samen met de betekenis zelf/de betekenis van de ander.

      2. ‘Vandaag regent het, vandaag is het droog.’

        • Heeft geen betekenis maar er zit altijd waarheid in, want 1 van de twee is juist.

      3. ‘Jullie zijn een goede klas’

        • → Onzinnig, want we verstaan andere dingen onder ‘goed’.

Hoofdstuk 2: Reflecteren over de vraag naar waarheid

1. Hersenen in een vat
  • Brein in een vat (Amerikaanse filosoof H. Putnam)

    • Stel dat je geen mens bent van vlees en bloed en dat je hersenen in een vat met vloeistof zitten. In dat vat krijg je allerlei impulsen die je zou krijgen als je lichamelijk bent. Je denkt normaal, je ziet alles, je voelt je lichaam, …

      • Bestaat er een externe ik, een externe werkelijkheid? Dat brein in dat vat heeft geen externe werkelijkheid.

      • Moderne versie van Descartes

        • = Enkel res cogitans, geen res extensa

        • 'Bestaat er een externe werkelijkheid buiten mijn denken?’

          • Plato: Ja, de ideeënwereld

          • Aristoteles: Ja, mijn denken wordt bepaald door dingen die ik ervaar. Uit gewoonte / ervaring (phronesis) vorm ik mijn denken. Uit ervaring leer ik wat het juiste midden is.

          • John Locke: Ja, je hebt een externe werkelijkheid nodig. Je bent geboren als tabula rasa, en de externe werkelijkheid vult dat blad. Indrukken zijn sterker dan ideeën. Als je ergens staat is die indruk veel sterker dan het idee een paar weken later.

2. Wetenschappelijke overeenstemming
  • Het (wetenschappelijk) streven naar een zo groot mogelijke objectiviteit heeft alleen zin wanneer je gelooft dat er iets buiten je eigen geest bestaat. Want als er geen werkelijkheid buiten en onafhankelijk van jouw gedachten bestaat, zou dat betekenen dat jouw gedachten de hele werkelijkheid zijn.

  • Realisme: Een werkelijkheid onafhankelijk van onze gedachten.

    • Het 'brein in een vat’ gedachte-experiment wijst erop dat realisme nog niet zo eenvoudig te bewijzen is. We kunnen niet uitsluiten dat er buiten onze eigen geest helemaal niets bestaat.

  • Betrouwbaarheid van onze kennis:

    • Volledige objectiviteit is niet haalbaar. Onze kennis is nooit absoluut betrouwbaar

    • Wetenschappers kiezen een midden tussen volledige subjectiviteit en volledige objectiviteit (intersubjectiviteit)

    • Intersubjectiviteit: Kennis is betrouwbaar, wanneer iemand anders in dezelfde omstandigheden dezelfde kennis opdoet. Een werkelijkheid buiten mijn eigen subjectiviteit.

      • Bv. Twee wetenschappers doen een experiment en komen hetzelfde resultaat uit, dat resultaat wordt het antwoord, kennis is betrouwbaar als het herhaalbaar is

    • Wetenschap is een sociale bezigheid

      • Een onderzoeker ontdekt nooit alleen een nieuw bewijs of een nieuwe theorie

    • Rechter: Moet oordelen, rechtspreken, maar dat vonnis uitspreken is mensenwerk en dus moeten ze zoeken naar het juiste midden.

      • Verschilt van rechter tot rechter

      • Twee mensen die dezelfde snelheidsovertreding begaan verdienen niet per se dezelfde straf. (maakt rechtspraak discutabel)

    • Vanuit welke waarheid oordeelt een rechter? (1 van de volgende 3 puntjes)

3.1 De correspondentietheorie
  • Oudste theorie

  • ‘Bxl is de hoofdstad van België.’ → Uitspraak correspondeert met de werkelijkheid.

  • ‘Zeggen van wat is, dat het niet is, of van wat niet is, dat het is, is namelijk onwaar, en zeggen van wat is, dat het is, of van wat niet is, dat het niet is, is waar.’– Aristoteles

  • Iets is waar als het correspondeert met de werkelijkheid.

  • Plato zou akkoord gaan: ✔️ →Dit is een potlood want het correspondeert met het idee aldus de werkelijkheid.

  • Metafysisch realisme: De werkelijkheid is objectief, onafhankelijk van onze meningen.

  • Opmerkingen:

    • Sofie zingt ↔ Moorden is slecht

    • ‘Sofie zingt’ is realiteit, een reëel feit.

    • ‘Moorden is slecht’, slecht is subjectief, dus het is een mening.

      • ⇒ Deze theorie klopt bij feiten, maar bij ethiek is het moeilijk toepasbaar.

    • A: Je kan dit dus moeilijk gebruiken als rechter. Je moet kunnen oordelen. Zaken zijn niet altijd eenduidig.

3.2 De coherentietheorie
  • ‘Bxl is de hoofdstad van België.’ → Waar woont de koning? Waar staat ons nationaal parlement? Waar ligt onze nationale luchthaven? …We komen aan deze uitspraak door meningen en overtuigingen die coherent zijn, die samenhangen.

  • Metafysisch idealisme: Werkelijkheid is subjectief, afhankelijk van onze overtuigingen.

  • John Locke gaat akkoord, alles wat ik weet komt door puzzelstukjes die samenvallen.

  • Een vonnis ontstaat door coherentie

    • Je legt dingen bij elkaar, en daarop baseer je je vonnis. (Twee vonnissen kunnen dezelfde overtreding hebben maar andere puzzelstukjes. Dus een andere straf.)

  • Twee voorwaarden:

    1. Uitspraken moeten logisch consistent zijn. Ze mogen elkaar niet tegenspreken.

    2. Meningen / uitspraken moeten elkaar ondersteunen.

      • ‘De zon is een ster’ ↔ ‘Mijn sleutel heeft een sleutelhanger’ = Allebei juist maar ze ondersteunen elkaar niet.

    • Goed vb.: ‘SAM is een ASO-school met doorstroming en gericht op het onderwijs.’

      • A2: Vgm is dit de juiste manier maar idk meneer zei het er niet bij.

3.3 Het pragmatisme
  • Waarheid is waarheid als het mij profijt oplevert.

  • Utilitarisme

    • Goed is wat voor zo veel mogelijk mensen profijt oplevert.

      • J. Bentham (panopticum)

    • Deel van Consequentialisme: Goed is als de gevolgen goed zijn.

  • Sofisten waren zeer pragmatisch

  • ‘Alles wat in dit boek staat is waar’ - Maarten Boudry

    • Gaat over drogredenen (argumenten die je gebruikt om jouw gelijk te halen)

      • Zeer pragmatisch

      • Eerste lijst met foute argumenten werd gemaakt door Aristoteles omdat hij in strijd ging met sofisten. Veel foute argumenten zijn vandaag wel passé.

      • Voorbeelden:

        • I. Begging the question

        • II. Reductio ad Hitlerium

        • III. Wafelijzermoraal

        • IV. Applausargument

        • V. Genetische drogreden