Chapter 10 Flashcards

Conflicten tussen Kerk en Wereldlijke Macht in de Hoge Middeleeuwen

Tijdens de hoge middeleeuwen ontstonden er conflicten tussen de kerk en wereldlijke macht.

Investituurstrijd (1066-1122)

  • De investituurstrijd was een conflict tussen de paus en wereldlijke heersers over de benoeming van bisschoppen.
  • Vorsten investeerden bisschoppen, wat in strijd was met de scheiding der standen. Bisschoppen hielden zich bezig met politiek, wat als een taak van de adel werd gezien.
  • Vanaf de 11e eeuw klaagden geestelijken wantoestanden aan binnen en buiten de kerk. Geestelijken waren te veel bezig met wereldlijke macht, en vorsten bemoeiden zich met geestelijke macht.
  • De investituur, of benoeming van bisschoppen, was een belangrijk twistpunt. Volgens de tweezwaardenleer was de investituur voorbehouden aan de kerk, maar in realiteit gebeurde dat ook door vorsten.
  • Vorsten gaven bisschoppen bestuurstaken.
  • De paus kwam als overwinnaar uit de investituurstrijd met de keizer van het Heilige Roomse Rijk.
  • De macht van de paus werd vastgelegd in een concordaat.

Kruistochten (vanaf 1096)

  • De paus riep op tot verschillende heilige oorlogen in naam van het katholicisme.
  • De kruistochten waren voornamelijk gericht tegen moslims, met als doel Jeruzalem onder christelijk gezag te brengen.
  • Er werden ook heilige oorlogen gevoerd tegen Joden, niet-katholieke christenen en aanhangers van natuurreligies.
  • Religie was een rechtvaardiging en motivatie om ten strijde te trekken en droeg bij tot wij-zij-denken.
  • Religie zorgde voor samenhorigheid tussen katholieke volkeren.

Begrippen

  • Het celibaat: het verbod op seks voor de clerus.
  • Het concordaat: een verdrag tussen de paus en een vorst.
  • De heilige oorlog: oorlog in naam van een religie of God.
  • De investituurstrijd: het conflict tussen keizer en paus over wie bisschoppen mocht benoemen.
  • De leek: iemand die niet tot de clerus behoort.
  • De eerste kruistocht: de oorlog in naam van God om Jeruzalem te veroveren (1096-1099).
  • Het mensbeeld: het idee dat mensen hebben over wat het betekent om mens te zijn.
  • Moraliseren: op een vermanende manier uitleggen wat goed en slecht gedrag is.
  • Het wereldbeeld: het idee dat mensen hebben over de wereld waarin ze leven.
  • Het wij-zij-denken: een manier van denken die het verschil tussen de eigen groep en de andere groep benadrukt.